Deel je herinnering met ons!

Middels onderstaande kaart, kunt u uw herinnering met ons delen, of herinneringen van anderen lezen.
Hoe dit werkt? Lees de onderstaande korte instructie.

Ga met uw muis op een locatie staan waar u een herinnering aan heeft en klik op de kaart. Vervolgens kunt u uw herinnering middels het formulier dat tevoorschijn komt met ons delen. Heeft u een herinnering met een foto? Mail deze dan naar ons. Deze kunnen wij voor u toevoegen.

Notification 2
Goeiemorgen, Ter nagedachtenis aan de laatste levensdagen van mijn opa heb ik een gedicht gemaakt. In 1942 werd hij gevangen genomen voor het slachten van een koe en naar Kamp Vught gebracht. Na zijn vrijlating, vier maanden later, stierf hij binnen twee dagen aan de gevolgen van dysenterie. Mijn interesse in de Tweede Wereldoorlog is altijd aanwezig geweest, voelbaar via mijn vader en de familiegeschiedenis. De laatste woorden van mijn opa waren: 'Ik ga van de hel naar de hemel'. Dit is dan ook de titel van mijn gedicht. Ik weet niet of het geplaatst wordt maar ik wil het graag met jullie delen. Alvast bedankt voor de moeite. Vriendelijke groet, Maureen Smit Van de Hel naar de Hemel Ik zal je niet verlaten, verliezen evenmin ik ga niet weg, ik blijf op je wachten totdat de dood ons bindt Met jouw hand op de mijne glijd ik langzaam weg uit ons bestaan op deze aarde, een laatste ogenblik Dichterbij komt het, een helder licht mijn naam roepend in alle rust totdat de duisternis zwicht Dood, bevrijd me van zwarte dagen maar wees vriendelijk en zacht ik ben al eens verslagen Voorbij de barakken van de hel de hemel tegemoet de schemer treedt in, vaarwel Ik zal je niet verlaten, verliezen evenmin ik ga niet weg, ik blijf op je wachten totdat de dood ons bindt Ter nagedachtenis aan mijn opa Michiel Smit. Opgepakt 21 oktober 1942, naar Kamp Vught gebracht. Gestorven 15 februari 1943 aan de gevolgen van dysenterie (informatie tevens te vinden op www.nmkampvught.nl)
Mijn jeugd in Ermelo Mijn naam is Gerrie van Dam van Buuren. Geb: Gerritje, dochter van Aart en Saartje van Buuren wonende aan de Oude Telgterweg 125 op de 27-08-1937. Ik was het zevende kind, een broertje van 5 weken is overleden in 1927. Na mij kwam nog een broertje. Wij woonden iets buiten het dorp bij de hei naar Putten. Mijn jongste jaren dus in de oorlog doorgebracht. Mijn eerste ontmoeting met een Duitser: hij kwam aan huis voor mijn vader die was ziek en werd gecontroleerd. Mijn vader was timmerman op ’s Heerenloo. Ik had een vies neusje en hij zei tegen mij terwijl zij naar zijn neus wees: “Auf” eng hoor, mijn eerste Duitse woord. Heel veel vliegtuigen kwamen over ons huis want we woonden dicht bij de spoorlijn. Ze beschoten de treinen. We moesten dan allemaal vlug de kelder in. Mijn schooljaren waren aardig rustig. We liepen met een heel stel, ook met de buurkinderen, naar de Putterweg, naar de Hervormde school. Soms stond de sneeuw tot onze knietjes. Eens werd in iedere klas een doos met schoenen gebracht die werden verloot en mijn broer en ik wonnen allebei een paar. Wat een feest, nieuwe schoenen! Toen in Putten die razzia kwam moesten de vrouwen en kinderen en de heel ouden Putten uit en kwamen langs ons huis in een lange rij. Ik stond aan mijn moeders hand, een heel oude man keek naar ons en zei ‘Wacht maar, jullie komen ook nog aan de beurt.’ O, wat schrok ik. Ik zag de anderen niet meer, alleen hem, zo eenzaam, en helemaal gelopen. We hebben wel honger gehad, maar nooit echt zonder eten. We hadden een groentetuin, dus als er zaad gekocht kon worden hadden we wel wat te eten. De twee oudste broers moesten onderduiken. Eerst onder bergen hout achter in de tuin en later onder de huiskamervloer. Ik was een nerveus bang meisje en slaapwandelde vaak. Op een nacht kwam ik de huiskamer binnen en kwamen mijn broers onder de vloer vandaan. Afschuwelijk, wat een schrik. Wij mochten dat als jonge kinderen natuurlijk helemaal niet weten maar ik zal zeker mijn mond dicht gehouden hebben. Mijn broer Georg zat eens te spelen met een lus aan een touw over de weg heen in het donker. Hij is drie jaar ouder. Twee Duitsers kwamen voorbij en degene met een pistool boog over de heg om mijn broer neer te knallen, maar gelukkig was er een oudere soldaat bij en die zei: “Het is een kind stop!” Gelukkig maar. Wij woonden tegenover het afgegraven gat van de heer Knevel, in dit gat stond vaak water. We hadden daar veel speelgelegenheid met elkaars salamanders in dat watertje. ’s Winters was er ijs om door heen te zakken. De jongens durfden wel. Als het rustig in de lucht was, liepen we met elkaar (ook de kinderen van Bertus van Buuren, zelfde huis) naar de spoorlijn. De jongens legden een cent op de spoorrails en als de trein er over ging werd het zo groot als toen een kwartje, 3 cm. Alleen een andere kleur, denk ik. Ook naast spoorlijn 2 hele grote gaten van ontplofte bommen? Als kind dacht ik van wel (3 meter diep en meter 8 breed?) Een buurmeisje verder naar het dorp toe verwachtte een baby van een Duitser dat was wat, haar oude moeder zei: Dat zal voort wat wezen, dan kunnen wullie dat kind niet eens verstoan’ ‘Lief he? We zijn met dat meisje heerlijk opgegroeid. We vonden alleen dat ze oude ouders had.(opa, opoe) want moeder was er vandoor gegaan. Ook kwam er verdriet op school: uit mijn klas is een Joods meisje weggehaald: Lenie... Wat was dat erg toen we begrepen waarom. Het was een knap lief meisje. Ook hadden we drie jongens uit Indië op school: Eddie en Rudy Breil en Dolf Schotman. In de derde klas kregen we schoolzwemmen, maar ik kreeg geen badpak. Mijn vader zei: ‘zo’n schrooie hond komt niet in het woater’. Maar ik had een oplossing om toch mee te zwemmen: ik trok mijn hemdje naar beneden en zette dit met een veiligheidsspeld vast. Zo kon ik toch in het water. We zwommen met een plank in de handen en een soort bus op de rug. Na twee keer zwemmen brak de veiligheidsspeld open en toen was het over met zwemmen. Ik heb dat erg jammer gevonden. In de oorlog was er niets te doen, we verveelden ons vaak. Als kind heb ik dus met links in spiegelschrift leren schrijven. Hoe? Ik weet het eigenlijk niet. Maar het lukt me nog steeds, onbegrijpelijk toch? Nu ik wat ouder wordt is het wel wat slordiger, maar ook mijn rechtse hand schrijft slordiger nu. In de eerste klas van de basisschool ging ik ermee door. Juffrouw Smelling maakte er geen probleem van. Maar in de tweede klas kreeg ik juffrouw Baarda en van haar mocht dit absoluut niet. Ik kreeg steeds een tik op mijn vingers, maar ik kon toch echt niet anders dan links schrijven. Het heeft jaren geduurd voor ik goed en netjes leesbaar kon schrijven. Ik was een jaar of zes, ik liep alleen bij het Kanomeer en daar zag ik een goudkleurig appelstroopblikje liggen op de bodem van het meertje. Ik vond het zo mooi en bukte me om het te pakken. Natuurlijk viel ik, ik weet niet hoe, maar ik lag op mijn rug. Ik wilde moeder roepen maar kreeg water in mijn mond. Ik bleef rustig drijven. Mijn moeder mistte me en riep mijn naam. Een buurman van de overkant haalde me eruit en alles was goed. Ik weet het nog goed. Met drie broers en nog een zusje gingen we op één fiets aren zoeken bij de Telgterweg. Een broer op het stuur, een op de stang en de meisjes achterop en grote broer ging fietsen. Onze beloning was een week naar opa en opoe in Heiloo. Vader ging dan met ons lopen, samen met een gehandicapte oom lopen naar Egmond aan Zee. Dit deden we elk jaar, was dit heerlijk. Er kwam een jaar dat mijn vader met ons alleen naar Heiloo wilde fietsen, moeder ging met de trein. Wat een regen onderweg, vreselijk! We hebben het volgehouden tot Laren naar een tante. Zij zorgde voor ons, de rest van de reis hebben we met de trein afgelegd. We hadden thuis altijd honden, steeds verschillende. Er was eens een kleine pup zwart met wit, die noemden we “Koetje” dat was echt leuk. Op een zondagmiddag gingen we de hei op met zijn vijven. De jongens zagen een stuk treinrail of iets wat daarop lijkt en gingen daarmee gooien. Na een gooi belandde deze op Koetje… deze was gelijk dood. Vreselijk! En wat moesten we thuis zeggen? We hebben een smoes verzonnen, iets met een rijtuig van het Scherrenbeek kasteeltje. Dit weet ik niet meer heel precies. Vader was een streng man, maar ik denk dat hij ons wel geloofde. In die tijd moesten we een keer naar Putten, we zijn met iemand meegereden denk ik. Op de terugweg reden we weer mee, maar ik zat nog maar alleen achterop de auto, toen reed hij al weg. Ik was erg bang, maar er zaten nog twee mannen op en zij brachten me thuis gelukkig. Er kwamen vaak vliegtuigen laag over om de treinen te beschieten en wanneer we dan buiten waren spelen met de buurkinderen renden we naar binnen. Dan kropen we met elkaar onder de tafel. Als de groten thuis waren, dan moesten we naar de kelder. Ik mocht vaak met vader mee naar vrienden bij de boerderijen, daar zag ik dat de stammen van de fruitbomen wit waren. Dat vond ik zo mooi dat ik dat thuis ook graag wilde. Wat zou vader daar ook blij mee zijn! Ik nam een scherp mes en schilde een gladde pruimenboom mooi af. Dit is de enige keer dat ik klappen kreeg en behoorlijke ook kan ik je vertellen. Hij heeft nooit gevraagd waarom ik dit had gedaan. Mijn zusje en ik mochten een s een keer naar vrienden, de familie Mulder. Dat was ver lopen over de spoorlijn heen. Na een lange tijd lopen kwamen we daar aan. We kregen dikke boterhammen die de boerin sneed van een brood die ze tegen haar borst hield tijdens het snijden. We mochten daar vaak komen en dat was heerlijk, alleen de weg ernaar toe bleef gevaarlijk met de vliegtuigen die regelmatig over de spoorlijn heen vlogen… Er gebeurden ook leuke dingen gelukkig. Aan de overkant bij ons waren er afgravingen wat ’s winters glad werd. Dan gleden we er met matjes en oude lappen van af. ‘s Zomers stond er juist water in de afgraving. Mijn broertje en ik gingen een keer in een wasteiltje varen door het water, dikke pret. Natuurlijk sloegen we op een gegeven moment om, ik zag alleen nog het alpinopetje drijven in het water. Ik moest lachen, maar heb mijn broertje natuurlijk geholpen. 18 april 1945 Op achtjarige leeftijd, 18 april 1945, kwam dan de bevrijding! Deze is natuurlijk onvergetelijk. Een tank vol met Canadezen kwam de oude Telgterweg in richting onze kant.. Ze hadden sigaretten, chocolade en biskwie bij zich om uit te delen. Mijn moeder had een oranje lap bewaard, daar hebben we repen vanaf gescheurd en in ons haar gedaan. Rennend gingen we naar de soldaten. Het was een geweldige ervaring. Dit beeld staat op mijn netvlies en zal ik nooit vergeten. Mijn vader leende op het werk een grote vlag en stak deze uit het slaapkamerraam. Dit is de enige keer dat er vlag heeft gewapperd aan ons huis. De twee oudste broers trouwden beiden in december 1946. Dat betekende twee keer feest! Ze werkten allebei buiten Ermelo en we hadden weinig contact met ze. We woonden zo klein, dat ik niet eens weet waar ze vroeger geslapen moeten hebben. Ik vermoed met vijf jongens op zolder. Vader was streng, zeker op kerkelijk gebied, dus twee keer naar de kerk op zondag. Zin of geen zin. Mijn broer Gerrit werd ouder en had geen zin in de kerk dus hij heeft veel straf en verdriet gehad. Gerrit kreeg verkering met een lieve meid, Greetje uit Waddingsveen. Maar zij was van de Ger. Kerk dus Gerrit moest het met haar uitmaken, dat heeft hij gedaan. Maar toen was de maat vol, hij heeft inentingen gehaald en ging naar de wilde vaart. Hij kwam in de eerste reis in Australië aan en is daar van de boot de bushbush ingevlucht. Dit was strafbaar. Hij heeft een andere naam aangenomen en vond werk. Ik hield contact met hem en na zeven jaar werden mijn ouders echt oud, vooral moeder was vaak verdrietig. Ik schreef een brief naar Gerrit en zei dat hij naar huis moest komen. Dat lukte, hij kwam voor een jaar naar huis voor moeder. Hij leerde in Nijkerk een leuk meisje kennen, maar hij hield het niet uit in Nederland. Hij reisde weer af naar Australië. Het meisje ging hem een paar jaar later achterna. Ze zijn later getrouwd en bleven in Australië. Na de oorlog kwam er langzaamaan steeds meer in de winkels te kop. Mijn zusje en ik gingen dan om 07.00 uur voor de winkel staan. Moeder kwam later erbij als de winkel openging. Bij Kiffen kochten we een jurkje voor ons en bij van der Aar stonden we ook vooraan in de rij. Daar kochten we prachtige korenblauwe wol. We droegen namelijk altijd bruine kleding. Moeder kreeg oude kleren van anderen en tornde dit los. Dit werd gekeerd en dan hadden we weer bruine of donkergroene kleding. Bah! Maar die dag hadden we dus mooie blauwe wol, we waren hier net mee onder weg toen er een akelig mens op ons af kwam. Ze vroeg: mevrouw, mag ik die mooie wol van u voor mijn dochtertje? Mijn dochter wil geen bruine kleding aan. Moeder durfde geen nee te zeggen, die goeierd of bangerd, dat kan ook. Maar wat een verdriet voor ons: weer bruin... Dit was ongeveer mijn jeugd, tot na de oorlog. Ik werkte vanaf mijn dertiende jaar bij heel veel mensen in de huishouding. Eerst naar de naaischool in Putten, geen succes, breien ging beter, erg goed zelfs. Ik ben in 1956 verloofd en getrouwd met Henk van Dam uit Harderwijk. Eerst tien jaar in Ermelo gewoond, daarna naar Harderwijk verhuisd in 1966. In 2016 dus 60 jaar getrouwd en vijf kinderen en zeven kleinkinderen gekregen. Allemaal gezond, wat een zegen. Tot 1 november 2017 erg gelukkig gewest met Henk.
Goedenavond, mijn vader is geboren in 1925 in Swalmen en was ten tijde van de oorlog 19 jaar ( 1944). Op de middelbare school kreeg ik een opdracht voor het vak Maatschappelijk Werk om aan mijn ouders te vragen wat zij in de oorlog hadden meegemaakt. Mijn vader heeft toen een verhaal op papier gezet dat nu een van mijn dierbaarste herinneringen aan hem is. Hij is al in 1983 overleden in de leeftijd van 58 jaar. Onlangs sprak ik met mijn moeder over dit verhaal en toen heeft zij een toevoeging eraan gegeven. Ik zou graag een foto van het originele verhaal aan u mailen met deze toevoeging. Het verhaal vertelt hoe mijn vader bij een razia is opgepakt, naar Duitsland gebracht en ontsnapt is.
In 1945 was ik 7 en kwam uit de Hoogmis. In mijn straat stonden drommen mensen te lijken hoe gevangen genomen mensen die naar Duitsland moesten uit een klein raam van de tramremise 5 meter naar beneden sprongen. Sommige liepen blessures op maar konden toch door de voordeuren van de huizen er tegenover verdwijnen. Links van onze straat waren Duitse soldaten ingekwartierd. Zij hadden hun gezichten tegen de ramen gedrukt en konden schuin gekeken de ontsnappingen volgen. Zij deden niets met het besef dat de oorlog aan het voorbij gaan was.
Zwaar geluid in de lucht. Op deze mooie zaterdagochtend van 11 mei 1940 doemt boven het Rotterdamse Noordereiland aan de strakblauwe hemel een vliegtuig op, een Fokker TV met bommen aan boord. Een Duitse soldaat grist in de Prins Hendriklaan snel de hakenkruisvlag weg. Te laat! Kapelaan Commandeur van de O.L.V. van Lourdeskerk kijkt vanuit de pastorie omhoog, ziet de bommenwerper met de zwart-gerande oranje driehoek en constateert verbijsterd dat het een Nederlander is. Later zou hij schrijven: “Deze lieve vriend van onze nationale belangen begon toen ons dierbare eiland te bombarderen. Dit was niet geschikt om onze nationale gevoelens te verlevendigen; de enigen die hinder ondervonden van dit bombardement waren wij, eerzame en vredelievende burgers van het Noordereiland.” (einde citaat). Enorme dreunen. Het eiland beeft. Mensen gillen. Dan wordt het beklemmend stil in Steendrukkerij De Maas, waar - lijkt het - alle bewoners van de Sleephellingstraat schuilen sinds in de vroege ochtend van vrijdag 10 mei het Noordereiland met zijn 13.000 bewoners is bezet door een Nazi-bataljon onder leiding van General Dietrich Von Choltitz. Bommen, Vijf Néderlandse bommen, treffen het eiland op pinkster-zaterdag. Woningen aan de Meeuwenstraat worden weggevaagd. De katholieke kerk in de Prins Hendriklaan wordt getroffen. Hij staat binnen de kortste keren in brand en de naastgelegen huizen vatten vlam. De Maaskade aan de westzijde, de ‘moffenkaai’ zoals een buurvrouw die noemt, is in één slag onbewoonbaar. Ook het jongetje van net 3,5 hoort de dreunen, veel erger dan onweer. Hij snapt niet waarom ze allemaal in de drukkerij moeten zitten waar zijn opa werkt. Hij, zijn moeder, zijn zusje, zijn 33-jarige zieke vader en zijn oma en opa moesten van een- en tweehoog snel de trap af, naar buiten. De altijd al kille gietijzeren trapleuning voelde ijskoud aan. De koperen knoppen glommen, want zijn moeder had ze gisteren nog gepoetst. Morgen zou het immers Pinksteren zijn. In de drukkerij zitten ze met een heleboel buren angstig bij elkaar gehurkt. Het is er druk en benauwd. Gek is dat, dat doen we met onweer toch ook niet! “'t Is oorlog", zegt zijn oma. "Oorlog?", hij kent dat woord nog niet. Opeens rumoer vooraan. Mensen bij de grote deuren wijzen schuin naar de overkant. “Vade retro Satana” roept iemand, maar het was de duvel niet, het waren die bommen! Het jongetje kruipt nieuwsgierig vanachter de grote papierrollen vandaan. "Blijf hier!" hoort hij zijn moeder roepen, maar hij is al bij de brede ingang. “Nicht weiter” waarschuwt de heel jonge Duitse soldaat, die bij zijn ‘Flak’, zijn Flugabwehrkanonen vóór de drukkerij staat. Hij is, net zoals zijn meeste Nederlandse ‘vijanden’, voor zijn dienstplicht opgeroepen en ziet in dat jongetje het zoontje van zijn oudere Schwester in zijn Heimat. “Ist nur ein Blitzkrieg, an Weihnachten bin ich wieder zu Hause“, had hij thuis nog gezegd. Misschien dacht de moeder van het jongetje dat ook wel. Een korte uit-barsting van geweld. Nederland was toch een soort Zwitserland: neutraal - en premier Colijn had in 1936 toch gezegd „gaat u maar rustig slapen“? Over een paar dagen zal het wel voorbij zijn en kan vaders zwakke gestel rustig genezen van de TB. Dat het allemaal wat langer zou duren konden die soldaat en die moeder niet weten. Bij de deuren deinst het knulletje terug. Wat hij ziet, zal voor altijd in z’n geheugen gebrand staan: Schuin aan de overkant likken oranje vlammen als vurige pinkstertongen uit de ramen langs de gevels omhoog. Ze veranderen daar in zwarte rookwolken die ver in de omtrek te zien zijn. De brand heeft zich vanuit ‘De Laan’ uitgebreid tot aan de Noordkant van zijn Sleephellingstraat. "Het is nu heel dichtbij" zegt z'n moeder tegen zijn zieke vader. Zijn vader, die uitgerekend op zijn 38e verjaardag in 1945 over zou gaan in een herinnering, hoest weer en z’n moeder zit daar maar, met haar dochtertje van 14 maanden dicht tegen zich aangedrukt. Wachten met al die andere opeengepakte mensen als een levende have in een magazijn. Schaduwen onder een beetje licht die eergisteren nog buiten liepen, naar hun werk gingen, boodschappen deden en nu hopen dit geweld te overleven. Pinkstermaandag en al vier dagen ligt het eiland in de vuurlinie. De Nederlandse marine en de landmacht beschieten vanaf de stad de bruggen en het eiland. Tegen beter weten in poogt men de Duitsers, op orders van Generaal Henri Winkelman, tegenhouden. Mensen aan de Maaskade zoeken een vermeend' veilige plek achterin hun woning. Staan in hun woningen letterlijk met de rug tegen de muur. Door de dwarsstraten fluiten de kogels van het Maasfront. Hun benauwers, de Mariniers, op de rechter maasoever zien die mensen wel, maar hebben de opdracht te schieten op elk levend wezen aan de overkant. Bezetter of bewoner; het maakt niet uit. De mensen op het eiland proberen zich voor hen onzichtbaar te maken. Ze spannen dekzeilen, die altijd op de kaden liggen, dwars over de straten of zoeken samen met de Duitsers dekking op de dijk tussen de twee spoorbruggen. Toch sneuvelen nog veel Duitse soldaten door het Mariniersvuur. Zij worden begraven op het Burgemeester Hoffmanplein. Het plantsoen daar lijkt inmiddels wel een Duitse militaire begraafplaats. Op de graven het geweer met de helm van de overledene. Die laatste soms met kogelgaten. Een onwerkelijke situatie op dit nog tot voor kort vredige eiland. De eilanders zijn sinds vrijdag zichzelf niet meer. Elektriciteit, gas en water zijn afgesloten. Kaarsen geven wat verlichting, kooltjes en hout wat warmte. Water putten die mensen gewoon uit de Koningshaven, filteren het door theezeefjes en koken het tot drinkwater. Ze zijn verward en bijna niet in staat te eten. Wie bedreigt hen? Die juist voor hen zo beleefde en soms zelfs behulpzame Duitse militairen? Of zijn het de Nederlandse Mariniers? Wie is eigenlijk hun ‘vijand’? Die Rotterdammers waren door de handel juist erg Duitsgezind en nu moest ineens alles anders zijn. In ‘de Laan’ treurt de familie Poppeliers om de dood van haar Maria. Haar lichaam ligt al drie dagen in de Sleephellingstraat. De koude ogen staren de hete hectiek voorbij. Uiteindelijk durven een paar mannen het aan, halen het lichaam weg en begraven het provisorisch achter de schuilkelder op de Prins Hendriklaan. Het is dinsdag 14 mei Dankzij een van de Duitse loopgraven kunnen de mensen dwarsstraten kruisen om iets te kopen van wat er inmiddels nog rest in de winkels op het Burgemeester Hoffmanplein. Ze realiseren zich nu goed al vier dagen te wonen ‘in’ een oorlog, terwijl familieleden op zaterdag in de stad nog gewoon hun pinksterinkopen deden. Vandaag mogen van Oberstleutnant Dietrich von Choltitz gewonden en moeders met kinderen onder de 14 jaar van het eiland af. De mannen moeten blijven. Omdat mijn vader ziek is blijft ons gezin op het eiland. Voor de mensen op het eiland is een tocht naar de stad echter geen optie. Evacuatie wordt daar door het Nederlandse leger niet aangemoedigd omdat de wegen zouden kunnen verstoppen. Naar Zuid kan wel, maar is een levensgevaarlijke onderneming. Bij een zo’n evacuatiepoging wordt de 16-jarige Jan Lijk dodelijk getroffen. Ook een politieagent van bureau Nassaukade komt om het leven. Over de bruggen gaat geen verkeer meer en het heen-en-weer-bootje, de pont, heeft haar werk gestaakt. 13.000 eilanders hebben sinds vrijdagochtend-vroeg geen contact meer met de stad en met ‘Zuid’. Zij zijn verstoken van elke vorm van Neder-landse bescherming. Ook Lina Lauwrier-de Vos wil weg uit de Prins Alexanderstraat. Haar man Toon waarschuwt haar goed uit te kijken. Niet voor niets want op de Koninginnebrug loopt Lina precies door het schootsveld van de Mariniers bij het Maasstation. Jonge onervaren Nederlandse soldaten die, net zoals die Duitse soldaten, zijn opgeroepen voor hun dienstplicht. Zij moeten schieten op alles wat beweegt. Lina wordt dwars door haar mond geschoten en valt op het brugdek. Zij heeft geluk; een Duitse soldaat kruipt naar haar toe en brengt haar onder beschutting van de brugrelingplaten snel naar dokter Does in de Oranjeboomstraat. Na geholpen te zijn bereikt zij toch nog haar doel; de schoenenwinkel van broer Wim aan het andere eind van de straat. Zij kan het later navertellen, dankzij die Duitse soldaat. Op diezelfde Koninginnebrug worden zelfs Nederlandse ambulances met eigen en Duitse gewonden, op weg naar het splinternieuwe Zuider-ziekenhuis, door die Mariniers beschoten. Even verder westelijk in de Koningshaven ligt het Stoomschip Statendam al drie dagen te branden. Een groot deel van de bebouwing en delen van de kades op het Prinsenhoofd zijn weggeslagen. De moeder van het jongetje in de drukkerij krijgt gelijk: Het is nu heel dichtbij. De huizen en de Onze Lieve Vrouw van Lourdes-kerk aan ‘de Laan’ zijn veranderd in een smeulend puinbed. Wonderlijk; de Lourdeskapel met haar grot en Mariabeeld blijft gespaard. ’s Middags komt het weer dichtbij. Het grote bombardement waarbij Rotterdam een tweede Warschau werd. Een inferno, die nog decennialang herdacht zal worden en waarover later een stroom van boeken zou verschijnen met soms eenzijdige verhalen. General Student probeerde het met zijn rode vuurpijlen te voorkomen, maar helaas. Eén squadron maakt rechtsomkeer, maar 54 piloten zien de pijlen niet en laten hun 1300 brisant-bommen vallen. Binnen 13 minuten ver-anderen de Nazi’s met hun bommentapijt de oude Rotterdamse binnenstad van 258 hectare in 5 miljoen kubieke meter puin. Binnen één kwartier raken bijna 80.000 Rotterdammers dakloos en waren 850 doden te begraven. Wonder boven wonder blijft die middag het Noordereiland gespaard! Het puin, ‘dé puin’ op z’n Rotterdams, zal jaren onze grote speelplaats zijn. Bomkraters bij de weggeslagen kades worden onze strandjes en visplaatsen. Zelfs na de oorlog, was er op de gebombardeerde plaatsen van het eiland nog geen grasspriet te bekennen. De puin was netjes geëgaliseerd. Dus een kiekje van mijn zus Cobi en mij werd in de puinvlakte gemaakt, met op de achtergrond een heistelling als teken van hoop, van wederopbouw. ________________________________________ Ik was geen 3,5 meer toen ik bij het verstoppertje spelen onder een stuk kerkzuil wegkroop. Het grijze graniet glansde nog. Samen met vriendjes gingen we de stad in. Overal waar je keek was het vlak, net als een stadskaart, maar dan helemaal grauw. Het zwarte skelet van de Laurenskerk als een baken in de ‘arcadia’, het paradijs, van onze jeugd; die grote puinvlakte als een waar speelparadijs, waar we soldaatje speelden met een houten geweertje of katapult. In m’n zak een paar lege kogelhulzen om thuis te bewaren. Soms vond je wel eens complete patroon. Gevaarlijk? Wisten wij veel! We liepen mee achter een Duitse patrouille. Het kon állemaal, als ik maar vóór 'Sperzeit' binnen was, want een ‘Strassen-erlaubnis’ kregen kinderen natuurlijk niet. Ik vond het normaal dat buiten de vaste tijden, zonder waarschuwing de brug openging. Het klonk mij niet vreemd dat die allochtonen – die vrijdag boven de Waalhaven uit de lucht kwamen vallen - Duits spraken. Frau Meijer van driehoog sprak het ook - en mijn vriendje Frits kwam ooit uit Duitsland. Logisch vond ik het dat veel houten wijzers in twee talen de weg wezen. Ook in, wat later onze Stieltjespleinkerk werd, kwamen Duitse militairen naar de zondagviering. Over de kerk gesproken; op 02 december 1942 had ik daarmee mijn eerste aanvaring. Op last van de Duitse machthebbers moesten de drie klokken uit de kerktoren worden gehaald. Als bijna 6-jarige liep ik op dat moment over het Stieltjesplein toen een vallende kerkelijke dakpan mij schampte en op straat te pletter sloeg. Ik was niet gewond maar voelde mij behoorlijk van God verlaten en ver van mijn thuis op het eiland. Toen al reden voor mij om in kerkelijke zaken op mijn hoede te zijn. Ja, soms kan je beter even weg wezen. 'Wegwezen' hoefde ik niet van die Duitse soldaten. Het was juist interessant zo'n 'Zug' te zien marcheren, zo'n peloton te zien oefenen op ‘De Punt’, het meest westelijke deel van het eiland. Sommige van hen zag ik zondags weer in de Stieltjespleinkerk! Ik keek er niet van op wanneer we in de Oranjeboomstraat, net na de schoolbel uit de Leonardusschool komend, gelijk de schuilkelder in moesten, omdat het luchtalarm jankte. Daar in die stinkende donkere ruimte moesten we wachten tot er werd afgeblazen. Die schuilkelders werden een gewoonte, maar het kwam altijd ongelegen en het ging wel allemaal van je speeltijd af. Die oorlogstijd. Zou het allemaal anders gelopen kunnen hebben? Majoor Bert Sas waarschuwde in mei 1939 al tevergeefs voor het naderende gevaar van een Duitse invasie. Maar zijn sombere berichten over een op handen zijnde schending van de Nederlandse neutraliteit werden door generaal Reijnders niet geloofd. Berts rapport werd belachelijk gemaakt: "Zulke troepen vangen we op met hooivorken”. Zelfs toen Sas op 31 augustus 1939, met het bericht kwam dat de oorlog nu heel dichtbij was, geloofde het hoofd inlichtingen, Jacob van de Plassche, hem niet. Koningin Wilhelmina twijfelde en drong - met succes - sterk aan op mobilisatie. Precies één dag later overleed in Polen Franciszek Honiok, het eerste slachtoffer van de 2e Wereldoorlog. Horend van ‚Fall Weserübung‘ van 9 april 1940 op Denemarken en Noorwegen, noemde de dwalende Nederlandse legerleiding en haar regering die Duitse Blitzkrieg, lachend een ‚Witzkrieg‘. Maar het was geen Witz, geen mop. Hoeveel van de 13.000 eilandbewoners zullen toen vermoed hebben dat de Nederlandse legerleiding onder Generaal Winkelman bij de Duitse invasie ons hele eiland dreigde plat te schieten? De Duitse Generaal Kurt Student, onze kapelaan Commandeur en mijnheer van der Mast wisten het wél. Zij probeerden op verzoek van Von Choltitz met levensgevaar de Nederlandse Kolonel Pieter Scharroo in de stad op andere gedachten te brengen - om zichzelf, ons en het eiland te sparen. Zij wezen op het zinloze van onmachtig verzet tegen een véél grotere Wehrmacht die, net zoals de Nederlanders, misleid werd door een wréde Kriegsführung. De uiterst conservatieve en autoritaire Pieter Scharroo vond in die meidagen dat het belang van die eilanders moest wijken voor dat van de stad. Voor die 13.000 had hij even geen oplossing. En - er speelde nog iets anders mee; de eer! Na de landelijke capitulatie op 15 mei in Rijsoord meldde Generaal Henri Winkelman in onder meer De Standaard: "Aan de soldateneer is ten volle voldaan". Generaal Von Küchler zal bij die overgave echter gedacht hebben: ‘Méine Ehre heist Treue’, het motto van de Schutz-Staffel, de SS. Later, véél later, realiseerde ik mij dat op het Noordereiland – mijn eiland - de brand, doden, de weggeslagen huizen, de kapotte kades, de puin - en de neergebeukte hijskranen, veroorzaakt waren door zogenaamd ‘friendly fire’, door ‘eigen vuur’. Het nazi-bombardement van 14 mei 1940 was de veel vermelde officiële aanval op Rotterdam. Het was de eerste, maar niet de laatste. Het zou nog veel erger worden. Alleen al om de z.g. ‘gunstige ligging’ werd de stad tussen 15 mei 1940 en 04 mei 1945 315 maal aangevallen door de Britten en Amerikanen. Totaal vielen daarbij 42000 brandbommen en 7300 brisantbommen. Dat is 15 maal zoveel als tijdens dat bombardement van 14 mei 1940. Rotterdam bleek een mooi trainingsdoelwit voor jonge onervaren piloten, de ‘freshmans’. ‘Friedly fire’ een terugkerende zenuwslopende marteling voor de Rotterdammers. Na de bevrijding waren het helaas onze eigen mensen die de ‘foute medemensen’ wel eens een lesje zouden leren. Lafaards, zwarthandelaren, zogenaamde verzetsstrijders en gewone mensen, net als wij, kwamen als ratten uit de Rotterdamse riolen om hun haat op hen bot te vieren. Ik zag NSB-ers die de stoep voor de protestantse Lagere School op het eiland moesten schoonmaken met een tandenborstel. Met medeweten van de overheid werden de ‘moffenmeiden’ mensonterend mishandeld omdat ze een relatie hadden met een Duitse militair. Zij werden beroofd van hun haren, beroofd van hun identiteit, met pek besmeerd - en soms ook nog verkracht. Zelfs door leden van de Binnenlandse Strijdkrachten, die toch de Nederlandse Staat vertegen-woordigden. Kwaad om kwaad. Pas in 2018 is de regering gevraagd om excuses; misschien komt er nog ooit iets van erkenning. In de jaren na de oorlog is voor mij duidelijk geworden dat ''friendly fire' allerminst vriendelijk is en dat begrippen ‘Goed en Kwaad, Kaf en Koren’, zo helder zijn als matglas. Wat ging er in de hoofden van de nationaalsocialisten om? Wat ging er in de hoofden van de geallieerden om? Wat wringt er nu in ons hoofd als we kijken naar onze wereld waarin, zoals Huub Oosterhuis dicht, “de oorlog is geboden en vrede niet mag zijn”? Wanneer zit je fout? Welke kant moet je kiezen? Dat is moeilijk, want het kaf is soms het koren; het koren soms het kaf. Ik moet denken aan dat lied van Frank Boeijen: “Denk goed na aan welke kant je staat, Denk niet wit, denk niet zwart. Denk niet zwart-wit, maar in de kleur van je hart.”  Bronnen: Mijn ouders, grootouders en familie; ‘Oorlog in Nederland - De benauwende dagen op het Noordereiland van R'dam van 10-14 Mei 1940’ van kapelaan N.A.. Commandeur; ‘Nach Holland’ van Gerard Groeneveld. Van 1936 tot 1954 woonde ik in de Sleephellingstraat 36 op het Noordereiland Paul Seesink *1936 Lariksstraat 22 - 3329 AK Dordrecht www.seesinkweb.nl paul@seesinkweb.nl t. +31 78 616 02 83 - m. +31 6 22 73 21 67 © Publicatie alleen met toestemming.

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Post comment

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.