Deel je herinnering met ons!

Middels onderstaande kaart, kunt u uw herinnering met ons delen, of herinneringen van anderen lezen.
Hoe dit werkt? Lees de onderstaande korte instructie.

Ga met uw muis op een locatie staan waar u een herinnering aan heeft en klik op de kaart. Vervolgens kunt u uw herinnering middels het formulier dat tevoorschijn komt met ons delen. Heeft u een herinnering met een foto? Mail deze dan naar ons. Deze kunnen wij voor u toevoegen.

Notification 2
Goeiemorgen, Ter nagedachtenis aan de laatste levensdagen van mijn opa heb ik een gedicht gemaakt. In 1942 werd hij gevangen genomen voor het slachten van een koe en naar Kamp Vught gebracht. Na zijn vrijlating, vier maanden later, stierf hij binnen twee dagen aan de gevolgen van dysenterie. Mijn interesse in de Tweede Wereldoorlog is altijd aanwezig geweest, voelbaar via mijn vader en de familiegeschiedenis. De laatste woorden van mijn opa waren: 'Ik ga van de hel naar de hemel'. Dit is dan ook de titel van mijn gedicht. Ik weet niet of het geplaatst wordt maar ik wil het graag met jullie delen. Alvast bedankt voor de moeite. Vriendelijke groet, Maureen Smit Van de Hel naar de Hemel Ik zal je niet verlaten, verliezen evenmin ik ga niet weg, ik blijf op je wachten totdat de dood ons bindt Met jouw hand op de mijne glijd ik langzaam weg uit ons bestaan op deze aarde, een laatste ogenblik Dichterbij komt het, een helder licht mijn naam roepend in alle rust totdat de duisternis zwicht Dood, bevrijd me van zwarte dagen maar wees vriendelijk en zacht ik ben al eens verslagen Voorbij de barakken van de hel de hemel tegemoet de schemer treedt in, vaarwel Ik zal je niet verlaten, verliezen evenmin ik ga niet weg, ik blijf op je wachten totdat de dood ons bindt Ter nagedachtenis aan mijn opa Michiel Smit. Opgepakt 21 oktober 1942, naar Kamp Vught gebracht. Gestorven 15 februari 1943 aan de gevolgen van dysenterie (informatie tevens te vinden op www.nmkampvught.nl)
Mijn jeugd in Ermelo Mijn naam is Gerrie van Dam van Buuren. Geb: Gerritje, dochter van Aart en Saartje van Buuren wonende aan de Oude Telgterweg 125 op de 27-08-1937. Ik was het zevende kind, een broertje van 5 weken is overleden in 1927. Na mij kwam nog een broertje. Wij woonden iets buiten het dorp bij de hei naar Putten. Mijn jongste jaren dus in de oorlog doorgebracht. Mijn eerste ontmoeting met een Duitser: hij kwam aan huis voor mijn vader die was ziek en werd gecontroleerd. Mijn vader was timmerman op ’s Heerenloo. Ik had een vies neusje en hij zei tegen mij terwijl zij naar zijn neus wees: “Auf” eng hoor, mijn eerste Duitse woord. Heel veel vliegtuigen kwamen over ons huis want we woonden dicht bij de spoorlijn. Ze beschoten de treinen. We moesten dan allemaal vlug de kelder in. Mijn schooljaren waren aardig rustig. We liepen met een heel stel, ook met de buurkinderen, naar de Putterweg, naar de Hervormde school. Soms stond de sneeuw tot onze knietjes. Eens werd in iedere klas een doos met schoenen gebracht die werden verloot en mijn broer en ik wonnen allebei een paar. Wat een feest, nieuwe schoenen! Toen in Putten die razzia kwam moesten de vrouwen en kinderen en de heel ouden Putten uit en kwamen langs ons huis in een lange rij. Ik stond aan mijn moeders hand, een heel oude man keek naar ons en zei ‘Wacht maar, jullie komen ook nog aan de beurt.’ O, wat schrok ik. Ik zag de anderen niet meer, alleen hem, zo eenzaam, en helemaal gelopen. We hebben wel honger gehad, maar nooit echt zonder eten. We hadden een groentetuin, dus als er zaad gekocht kon worden hadden we wel wat te eten. De twee oudste broers moesten onderduiken. Eerst onder bergen hout achter in de tuin en later onder de huiskamervloer. Ik was een nerveus bang meisje en slaapwandelde vaak. Op een nacht kwam ik de huiskamer binnen en kwamen mijn broers onder de vloer vandaan. Afschuwelijk, wat een schrik. Wij mochten dat als jonge kinderen natuurlijk helemaal niet weten maar ik zal zeker mijn mond dicht gehouden hebben. Mijn broer Georg zat eens te spelen met een lus aan een touw over de weg heen in het donker. Hij is drie jaar ouder. Twee Duitsers kwamen voorbij en degene met een pistool boog over de heg om mijn broer neer te knallen, maar gelukkig was er een oudere soldaat bij en die zei: “Het is een kind stop!” Gelukkig maar. Wij woonden tegenover het afgegraven gat van de heer Knevel, in dit gat stond vaak water. We hadden daar veel speelgelegenheid met elkaars salamanders in dat watertje. ’s Winters was er ijs om door heen te zakken. De jongens durfden wel. Als het rustig in de lucht was, liepen we met elkaar (ook de kinderen van Bertus van Buuren, zelfde huis) naar de spoorlijn. De jongens legden een cent op de spoorrails en als de trein er over ging werd het zo groot als toen een kwartje, 3 cm. Alleen een andere kleur, denk ik. Ook naast spoorlijn 2 hele grote gaten van ontplofte bommen? Als kind dacht ik van wel (3 meter diep en meter 8 breed?) Een buurmeisje verder naar het dorp toe verwachtte een baby van een Duitser dat was wat, haar oude moeder zei: Dat zal voort wat wezen, dan kunnen wullie dat kind niet eens verstoan’ ‘Lief he? We zijn met dat meisje heerlijk opgegroeid. We vonden alleen dat ze oude ouders had.(opa, opoe) want moeder was er vandoor gegaan. Ook kwam er verdriet op school: uit mijn klas is een Joods meisje weggehaald: Lenie... Wat was dat erg toen we begrepen waarom. Het was een knap lief meisje. Ook hadden we drie jongens uit Indië op school: Eddie en Rudy Breil en Dolf Schotman. In de derde klas kregen we schoolzwemmen, maar ik kreeg geen badpak. Mijn vader zei: ‘zo’n schrooie hond komt niet in het woater’. Maar ik had een oplossing om toch mee te zwemmen: ik trok mijn hemdje naar beneden en zette dit met een veiligheidsspeld vast. Zo kon ik toch in het water. We zwommen met een plank in de handen en een soort bus op de rug. Na twee keer zwemmen brak de veiligheidsspeld open en toen was het over met zwemmen. Ik heb dat erg jammer gevonden. In de oorlog was er niets te doen, we verveelden ons vaak. Als kind heb ik dus met links in spiegelschrift leren schrijven. Hoe? Ik weet het eigenlijk niet. Maar het lukt me nog steeds, onbegrijpelijk toch? Nu ik wat ouder wordt is het wel wat slordiger, maar ook mijn rechtse hand schrijft slordiger nu. In de eerste klas van de basisschool ging ik ermee door. Juffrouw Smelling maakte er geen probleem van. Maar in de tweede klas kreeg ik juffrouw Baarda en van haar mocht dit absoluut niet. Ik kreeg steeds een tik op mijn vingers, maar ik kon toch echt niet anders dan links schrijven. Het heeft jaren geduurd voor ik goed en netjes leesbaar kon schrijven. Ik was een jaar of zes, ik liep alleen bij het Kanomeer en daar zag ik een goudkleurig appelstroopblikje liggen op de bodem van het meertje. Ik vond het zo mooi en bukte me om het te pakken. Natuurlijk viel ik, ik weet niet hoe, maar ik lag op mijn rug. Ik wilde moeder roepen maar kreeg water in mijn mond. Ik bleef rustig drijven. Mijn moeder mistte me en riep mijn naam. Een buurman van de overkant haalde me eruit en alles was goed. Ik weet het nog goed. Met drie broers en nog een zusje gingen we op één fiets aren zoeken bij de Telgterweg. Een broer op het stuur, een op de stang en de meisjes achterop en grote broer ging fietsen. Onze beloning was een week naar opa en opoe in Heiloo. Vader ging dan met ons lopen, samen met een gehandicapte oom lopen naar Egmond aan Zee. Dit deden we elk jaar, was dit heerlijk. Er kwam een jaar dat mijn vader met ons alleen naar Heiloo wilde fietsen, moeder ging met de trein. Wat een regen onderweg, vreselijk! We hebben het volgehouden tot Laren naar een tante. Zij zorgde voor ons, de rest van de reis hebben we met de trein afgelegd. We hadden thuis altijd honden, steeds verschillende. Er was eens een kleine pup zwart met wit, die noemden we “Koetje” dat was echt leuk. Op een zondagmiddag gingen we de hei op met zijn vijven. De jongens zagen een stuk treinrail of iets wat daarop lijkt en gingen daarmee gooien. Na een gooi belandde deze op Koetje… deze was gelijk dood. Vreselijk! En wat moesten we thuis zeggen? We hebben een smoes verzonnen, iets met een rijtuig van het Scherrenbeek kasteeltje. Dit weet ik niet meer heel precies. Vader was een streng man, maar ik denk dat hij ons wel geloofde. In die tijd moesten we een keer naar Putten, we zijn met iemand meegereden denk ik. Op de terugweg reden we weer mee, maar ik zat nog maar alleen achterop de auto, toen reed hij al weg. Ik was erg bang, maar er zaten nog twee mannen op en zij brachten me thuis gelukkig. Er kwamen vaak vliegtuigen laag over om de treinen te beschieten en wanneer we dan buiten waren spelen met de buurkinderen renden we naar binnen. Dan kropen we met elkaar onder de tafel. Als de groten thuis waren, dan moesten we naar de kelder. Ik mocht vaak met vader mee naar vrienden bij de boerderijen, daar zag ik dat de stammen van de fruitbomen wit waren. Dat vond ik zo mooi dat ik dat thuis ook graag wilde. Wat zou vader daar ook blij mee zijn! Ik nam een scherp mes en schilde een gladde pruimenboom mooi af. Dit is de enige keer dat ik klappen kreeg en behoorlijke ook kan ik je vertellen. Hij heeft nooit gevraagd waarom ik dit had gedaan. Mijn zusje en ik mochten een s een keer naar vrienden, de familie Mulder. Dat was ver lopen over de spoorlijn heen. Na een lange tijd lopen kwamen we daar aan. We kregen dikke boterhammen die de boerin sneed van een brood die ze tegen haar borst hield tijdens het snijden. We mochten daar vaak komen en dat was heerlijk, alleen de weg ernaar toe bleef gevaarlijk met de vliegtuigen die regelmatig over de spoorlijn heen vlogen… Er gebeurden ook leuke dingen gelukkig. Aan de overkant bij ons waren er afgravingen wat ’s winters glad werd. Dan gleden we er met matjes en oude lappen van af. ‘s Zomers stond er juist water in de afgraving. Mijn broertje en ik gingen een keer in een wasteiltje varen door het water, dikke pret. Natuurlijk sloegen we op een gegeven moment om, ik zag alleen nog het alpinopetje drijven in het water. Ik moest lachen, maar heb mijn broertje natuurlijk geholpen. 18 april 1945 Op achtjarige leeftijd, 18 april 1945, kwam dan de bevrijding! Deze is natuurlijk onvergetelijk. Een tank vol met Canadezen kwam de oude Telgterweg in richting onze kant.. Ze hadden sigaretten, chocolade en biskwie bij zich om uit te delen. Mijn moeder had een oranje lap bewaard, daar hebben we repen vanaf gescheurd en in ons haar gedaan. Rennend gingen we naar de soldaten. Het was een geweldige ervaring. Dit beeld staat op mijn netvlies en zal ik nooit vergeten. Mijn vader leende op het werk een grote vlag en stak deze uit het slaapkamerraam. Dit is de enige keer dat er vlag heeft gewapperd aan ons huis. De twee oudste broers trouwden beiden in december 1946. Dat betekende twee keer feest! Ze werkten allebei buiten Ermelo en we hadden weinig contact met ze. We woonden zo klein, dat ik niet eens weet waar ze vroeger geslapen moeten hebben. Ik vermoed met vijf jongens op zolder. Vader was streng, zeker op kerkelijk gebied, dus twee keer naar de kerk op zondag. Zin of geen zin. Mijn broer Gerrit werd ouder en had geen zin in de kerk dus hij heeft veel straf en verdriet gehad. Gerrit kreeg verkering met een lieve meid, Greetje uit Waddingsveen. Maar zij was van de Ger. Kerk dus Gerrit moest het met haar uitmaken, dat heeft hij gedaan. Maar toen was de maat vol, hij heeft inentingen gehaald en ging naar de wilde vaart. Hij kwam in de eerste reis in Australië aan en is daar van de boot de bushbush ingevlucht. Dit was strafbaar. Hij heeft een andere naam aangenomen en vond werk. Ik hield contact met hem en na zeven jaar werden mijn ouders echt oud, vooral moeder was vaak verdrietig. Ik schreef een brief naar Gerrit en zei dat hij naar huis moest komen. Dat lukte, hij kwam voor een jaar naar huis voor moeder. Hij leerde in Nijkerk een leuk meisje kennen, maar hij hield het niet uit in Nederland. Hij reisde weer af naar Australië. Het meisje ging hem een paar jaar later achterna. Ze zijn later getrouwd en bleven in Australië. Na de oorlog kwam er langzaamaan steeds meer in de winkels te kop. Mijn zusje en ik gingen dan om 07.00 uur voor de winkel staan. Moeder kwam later erbij als de winkel openging. Bij Kiffen kochten we een jurkje voor ons en bij van der Aar stonden we ook vooraan in de rij. Daar kochten we prachtige korenblauwe wol. We droegen namelijk altijd bruine kleding. Moeder kreeg oude kleren van anderen en tornde dit los. Dit werd gekeerd en dan hadden we weer bruine of donkergroene kleding. Bah! Maar die dag hadden we dus mooie blauwe wol, we waren hier net mee onder weg toen er een akelig mens op ons af kwam. Ze vroeg: mevrouw, mag ik die mooie wol van u voor mijn dochtertje? Mijn dochter wil geen bruine kleding aan. Moeder durfde geen nee te zeggen, die goeierd of bangerd, dat kan ook. Maar wat een verdriet voor ons: weer bruin... Dit was ongeveer mijn jeugd, tot na de oorlog. Ik werkte vanaf mijn dertiende jaar bij heel veel mensen in de huishouding. Eerst naar de naaischool in Putten, geen succes, breien ging beter, erg goed zelfs. Ik ben in 1956 verloofd en getrouwd met Henk van Dam uit Harderwijk. Eerst tien jaar in Ermelo gewoond, daarna naar Harderwijk verhuisd in 1966. In 2016 dus 60 jaar getrouwd en vijf kinderen en zeven kleinkinderen gekregen. Allemaal gezond, wat een zegen. Tot 1 november 2017 erg gelukkig gewest met Henk.

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Post comment

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.