Op een meidag in 1940 hoorde ik mijn vader in de badkamer van ons huis in Bussum roepen: “Het is inderdaad mis hoor”. En jawel, mijn ouders, mijn oudste broer en ik zagen in de lucht talloze stipjes die uitgroeiden tot ‘paraplu’s’, terwijl wij via de radio de nieuwslezer zenuwachtig hoorden roepen “Parachutisten dalen, parachutisten dalen”. Zo begon voor mij als zesjarig jongetje de Wereldoorlog en voor mijn ouders daadwerkelijk de Tweede.

”De eerste paar jaren van WOII verliepen in ons dorp redelijk rustig, hoewel het er wemelde van de bezetters en het deuntje “Halleehaloohaaha” van voorbij marcherende soldaten mij nog in de oren klinkt. Doch in 1943/44 werd de situatie bar en boos. De bezetters begonnen fietsen (ook jongens- en meisjesfietsen) te confisceren, het naambordje van onze straat “Jozef Israëlslaan” werd vervangen door “A.M. Gorterlaan”, mannen dienden zich ’s morgensvroeg te melden bij de Arbeitseinsatz. Na 4 aanmaningen heeft mijn vader zich toen – op aandringen van mijn moeder – een keer gemeld, maar was reeds na een half uurtje weer terug. Hij wenste niet voor die “Moffen” te werken”

”Heel benard werd de toestand in de loop van 1944. Er was geen eten, ja de gaarkeuken verderop in de straat, waar men 1x per dag een pannetje waterige soep of een andere smurrie welke voor stamppot moest doorgaan kon halen. Je kon ook naar de bakker gaan, die z.g. “staafjes” in de verkoop had, welke m.i. van een soort veevoeder waren gemaakt. Toch vonden wij – kinderen – ze destijds een lekkernij. Ik herinner mij ook dat mijn vader een keer de koning te rijk was dat hij voor 60 gulden een brood had kunnen kopen, hetwelk de bakker ’s avonds heimelijk bij ons thuis bezorgde. Zo lukte het mijn pa ook eens een zak aardappelen op de kop te tikken voor 75 gulden. Zoals zovelen ging ook mijn pa meerdere malen op hongertocht, maar kwam telkens met niets terug”

”Ook mijn broer van 14 en ik (ik was toen 10 jaar) zijn een keer op hongertocht geweest. Op fietsen zonder banden en helemaal naar de omgeving van Veenendaal. Een lege, grote koffer achter op de fiets gesjord en trappen maar. Pa had ons voldoende geld meegegeven, doch bij de vele boerderijen waar wij aanbelden konden wij geen voedsel kopen. Wel kregen wij bij enkelen een bordje voer, dat wij, als rasechte bedelaars – buiten op de stoep – mochten verorberen. Uiteindelijk kwamen we uitgeput thuis, met in die grote koffer welgeteld 2 eieren. Dat was onze oogst”

”In die tijd (zomer 1944) werden er razzia’s gehouden. Mannen werden opgepakt en op transport gesteld. Bij een van die grote razzia’s, zo herinner ik mij, had mijn moeder de 3 oudste kinderen naar buiten gestuurd, terwijl mijn vader zich op de zolder had verstopt tussen wat oude rommel. De straat werd afgezet en daar kwamen de SSers, 2 per woning. Mijn moeder heeft ons later verteld hoe een en ander in zijn werk was gegaan. Er werd aangebeld “Ist Ihr Mann zu Hause?”. Mijn moeder in haar beste Duits “Nein, mein Mann is schon dieganze Woche in Amsterdam”. SSers: Ha, dann haben Sie Glück gehabt. Sonst war er auch mitgenommen”. Het hele huis werd doorzocht. Ook de zolder, alwaar mijn vader het geluk had dat de SSer in de donkerte gebruik maakte van zijn knijpkat waarvan het schijnsel net langs mijn vaders hoofd gleed. In het slaapkamertje van mijn broer en mij stond een sigarenkistje met wat snuisterijen. Nou, een van beide SSers – de fanatiekste van de twee – moest precies weten wat dat allemaal was, terwijl de andere SSer zich op de overloop bevond en de ouderslaapkamer wilde binnengaan. Nu deed mijn kleine zusje van 3, die wij het schelwoord “Rotmof” hadden aangeleerd, daar juist haar middagdutje en mijn moeder was als de dood dat mijn zusje, bij het zien van de SSer, dit scheldwoord zou uiten. Daarom zei mijn moeder tegen de SSer: “Seien Sie bitte ein biszchen ruhig. Das Kind schläft. Sie sind doch auch ein Kind gewesen”.  Kennelijk raakte mijn moeder een gevoelige snaar, want de SSer slaakte een diepe zucht en is die (grote) slaapkamer in het geheel niet binnengegaan. Er had zich dus gemakkelijk een groot aantal onderduikers daarbinnen kunnen verschuilen. Gelukkig vonden ze evenmin de radio, welke in een kast achter wat kleren was opgehangen. In de kelder bevond zich de safe van mijn ouders en natuurlijk wilden de SSers de sleutels ervan hebben. Toen mijn moeder zei dat mijn vader die had, was ze bang dat het slot zou worden kapot geschoten, waarop mijn vader natuurlijk van zolder naar beneden zou zijn gestormd denkende dat zijn vrouw werd neergeschoten. Doch… het zoveelste schietgebedje werd verhoord en de SSers dropen teleurgesteld af”

”In de vroege avond zag ik hele rijen opgepakte, waaronder mij bekende, mannen over de Huizerweg weggevoerd worden richting kamp Amersfoort. Ook kan ik mij nog goed 2 bombardementen herinneren. Een op Goede Vrijdag 1944, toen hotel Jan Tabak door de Tommies onder vuur werd genomen en een ’s morgens vroeg op hotel Bos van Bredius, alwaar zich een Duitse commandopost bevond. Enkele uren later zijn mijn broers daar gaan kijken. Er ontvouwde zich een macaber schouwspel. Smeulende resten van het hotel en omliggende villa’s, bomen vol met kledingstukken van omgekomen burgers en militairen, waardoor die bomen kleurrijk, ja, bijna feestelijk oogden. In de nabijheid van hotel Bredius woonde in een kapitale villa het zeer grote gezin Bouvy, eigenaar van de gelijknamige zoutfabriek, gevestigd te Muiden”

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

”Bij het naderende bombardement begaf het gezin zich spoorslags naar hun eigen schuilkelder in hun tuin m.u.v. mevrouw Bouvy en haar jongste kind, dat ze juist op het toilet hielp. De schuilkelder incasseerde een voltreffer en alleen mevrouw Bouvy en haar jongste overleefden”

”Voorts staan mij nog duidelijk voor de geest de witte lakens met opschrift “Besmettelijke ziekte”, welke diverse dorpsgenoten voor hun ramen en deuren hadden gespannen, teneinde aan huiszoekingen te ontkomen. Mijn ouders wensten evenwel ziekten niet als voorwendsel te gebruiken.”

”Ook weet ik nog goed dat mijn broer en ik in het dorp in de middag op zoek gingen naar nog niet opgehaalde gamellen van de gaarkeukens om dan met onze vingers de allerlaatste restjes eruit te vissen. Buiten gebrek aan voedsel ontstond er in het najaar van 1944 eveneens een groot brandstoftekort en was er van schoolbezoek nauwelijks sprake. Daarom trokken mijn broer en ik er in alle vroegte op uit naar het op ongeveer een half uur gaans achter het toenmalige blinden instituut gelegen bos om daar niet al te grote bomen om te zagen. Daartoe namen wij een autoped met daarop een aardappelkistje mee, zodat we de in stukken gezaagde stammetjes naar huis konden vervoeren. Grote voorzichtigheid was wel geboden, omdat zich in genoemde bos het hoofdkwartier van generaal Friedrich Christiansen  bevond”

Generaal Friedrich Christiansen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

”Onze ontbossing werd echter wreed bestraft, vonden wij, want op zekere ochtend waren alle bomen in ons laantje, welke wij zelf niet hadden aangetast, opeens verdwenen. Op een gegeven moment werden onze excursies naar het bos te gevaarlijk en kon de kachel dus niet meer branden. Mijn ouders hebben toen een zogenaamd zomerkacheltje aangeschaft – een soort potkachel – maar dan slechts ongeveer 30 cm hoog en ca 15 cm in doorsnee – welke op het aanrecht geplaatst en met twijgjes gestookt, diende om tulpenbollen en suikerbietenpulp te verwarmen”

”Toen de hongerwinter zijn dieptepunt bereikte, stonden er op een ochtend onverwacht 4 mannen op de stoep. Mijn ouders hadden namelijk in de voorgaande jaren aan het parochiebestuur laten weten bereid te zijn in geval van nood een helpende hand toe te steken. Een van de 4 manspersonen – een heer op gevorderde leeftijd nam het woord en zei dat hij voor de deur stond met 3 evacués  – de gebroeders Toonen – uit Gennep (L.) en refererend aan de eerder uitgesproken bereidheid vroeg hij of mijn ouders een van de 3 broers in het gezin wilden opnemen. Hoewel ons gezin in kommervolle omstandigheden verkeerde, konden mijn ouders het niet over hun hart verkrijgen hun toezegging te herroepen. En zo werd ons gezin met Johan (de oudste van de drie ) uitgebreid. Wat ik mij nog goed kan herinneren van het verblijf van deze 23-jarige Johan bij ons is dat wij in ons verplicht verduisterende huis bij het schijnsel van slechts één kaarsje avond aan avond het spelletje ‘ik zie ik zie wat jij niet ziet’ speelden en daarbij nog pret hadden ook en verder dat die Johan angstig wegkroop wanneer de Duitsers weer eens dekens kwamen vorderen”

”Ik weet ook nog dat mijn vader in de Leopoldatlas (welke nimmer werd weggedaan) met een rood potlood nauwkeurig de klandestien van de BBC vernomen bewegingen van de geallieerden en de vijand bijhield”

”De avond van 4 mei 1945 vergeet ik niet. Het nieuws van de capitulatie was uitgelekt. Een meneer van het parochiebestuur, die kennelijk enig contact met de bezetter onderhield, hetgeen mijn ouders niet bekend was, kwam naar ons toe en bracht een Duitse kuch (ook wel munitiebrood genoemd) mee. Mijn ouders moesten wel wat overwinnen deze kuch aan te nemen. Slechts omdat zij al die ondervoede smoeltjes zagen, deden zij dat en hebben we daarmee de capitulatie gevierd”

”De Bevrijdingsdag staat mij nog helder voor ogen. In één nacht tijd hadden winkeliers hun (merendeels) lege etalages omgetoverd in oranje bolwerken. Een waarachtig feestelijke aanblik. Een ondergedoken buurjongen kwam uit zijn schuilplaats en wilde juist het naambordje van onze laan in de oorspronkelijke staat terugbrengen, toen 2 SSers, die zich duidelijk niet bij de capitulatie konden neerleggen, een ware kogelregen op hem afvuurde, waaraan hij ternauwernood kon ontsnappen”

”In mijn gehoor zit nog steeds het geronk van de motoren van de vliegende forten die Zweeds witbrood dropten. Die droppings hebben zulk een onuitwisbare indruk op mijn gemaakt dat, wanneer ik tegenwoordig een snee witbrood onder mijn neus houd, de geur mij ogenblikkelijk weer doet denken aan die droppings. Van de eerste dagen na de bevrijding zijn mij vooral bijgebleven de Canadese tanks die over de Amersfoortse Straatweg (tegenwoordig de A1) rolden en waarbij de Canadezen luid werden toegejuicht en zij op hun beurt kwistig sigaretten uitstrooiden. Wat was mij pa verguld met het exemplaar dat ik had weten te bemachtigen. “Cowboy” was het merk, als ik het mij goed herinner”

”In de daaropvolgende dagen/weken heb ik in de straten van ons dorp diverse malen vuilniswagens met opgedirkte en kaalgeschoren dames zien langstrekken en heb Churchill mogen aanschouwen tijdens zijn zegetocht over diezelfde Amersfoortse Straatweg”