Herman Tabak – De herinneringen aan Amsterdam 1944 en de bevrijding

Omdat de Hongerwinter, voedsel droppings en de bevrijding destijds als jong kind op mij een grote indruk hebben gemaakt, weet ik mij daarvan heel veel te herinneren. Ik ben geboren in 1939 boven de groente en fruitwinkel in de Zeilstraat 59 in Amsterdam. Mijn ouders hadden zeven kinderen waarvan ik de oudste was. Ondanks de moeilijke jaren tijdens de oorlog hadden we het redelijk goed thuis. Mijn vader was een normale man die naast zijn werk in de groentewinkel actief was bij de burgerwacht.

Energie
”Wij hadden boven de winkel een driekamer woning met een kolenkachel in de voorkamer en een kolenkachel in de achterkamer. De kolen werden in een kolenkast op de veranda opgeslagen. Er werd op gas gekookt en het warme water kwam uit een grote elektrische boiler die van het gemeente energiebedrijf gehuurd werd. Je had toen z.g. muntmeters in huis. Bij het energie bedrijf kon je munten kopen. Om stroom en gas te krijgen moest je dan af en toe munten in de meter doen.

Muntjesmeter voor gastoevoer. Bron: ww.100jaarnetwerkbedrijf.nl

Donker
Ook moesten mijn ouders toen op last van de Duitsers alles van koper en ook radio’s inleveren. Mijn ouders hebben dat toen niet gedaan en deze spullen in een kleine ruimte naast het toilet in de winkel verborgen. Ook alle ramen moesten toen met zwart papier geheel verduisterd worden zodat de Engelse bommenwerpers geen verlichting konden zien. Ook op straat was het aardedonker. Je hoorde toen in de nacht vaak een zwaar brommend geluid wanneer er vliegtuigen overvlogen. Ook weet ik nog dat toen onze buren “s avonds laat dan in de winkel kwamen om naar radio Oranje te luisteren. De achterburen kwamen dan door een deur in de schutting naar de winkel omdat je “s avonds niet meer over straat mocht.

Luisteren naar een verstopte radio.

Hygiëne en eten
De winter van 1944-45 was heel koud en omdat de Duitsers alle aanvoer geblokkeerd hadden ook wij op het laatst geen kolen en gas meer en de elektriciteit viel heel vaak uit of was er helemaal niets. Het was toen zo koud dat we met onze kleren aan gingen slapen. De meeste huizen en ook ons huis had toen geen douche en je waste je dan met koud water bij de wastafel. Omdat ook wassen een probleem was kreeg 1 x per week schoon ondergoed. Ook het voedsel en de kolen raakten toen op. Wat er nog was ging naar de Duitsers. Eerst hadden we nog wat blikken groenten uit de winkel maar die raakten ook op. Soms had mijn vader een lading suikerbieten gekregen om te verkopen. Ik zie nog een grote mensenrij voor onze winkel staan om 1 suikerbiet te kopen. Mijn vader kende zijn klanten en wie een groot gezin had kreeg er toen twee.

Gaarkeuken

Verwarming
We hadden toen een heel klein noodkacheltje boven op onze normale kachel in de achterkamer staan. Er gingen hele kleine stukjes hout in en er paste een kleine pan op. Mijn moeder kookte daar geraspte suikerbieten in. Hoe kwam je toen aan hout? Ik heb gezien dat de bomen in onze straat omgezaagd werden. In de zeilstraat waar we woonden liep enkele tramrails en de straat was bestraat met kinderhoofdjes. Tussen de tramrails lagen kleine blokjes geteerd hout. Ik heb er zelf nog blokjes uit gehaald en mijn vader maakte er toen hele klein stukjes van. Vlak bij ons in de Karperstraat had de gemeente in een loods van het Haarlemmermeer station een gaarkeuken ingericht waar je met een pan in de hand wat soep of eten kon krijgen. Onze buurman aan de overkant heeft toen zoveel honger gehad dat hij zijn eigen kat heeft opgegeten.

Houtjes tussen de rails van de trambaan weghalen zoals in de herinnering van Herman beschreven. Bron: www.geschiedenisleraar.nl

Auto’s
Ik kan me nog goed herinneren dat achter op onze vrachtwagen, een Chevrolet uit 1928, een aantal cilinders stond waarin een soort gas zat waar de auto dan op kon rijden. Waarschijnlijk omdat er toen geen benzine meer was. Ook kan me goed de dreiging thuis herinneren omdat mijn vader de vrachtwagen moest inleveren. Dat wilde hij niet. Hij moest toen naar een bureau in de Euterpestraat om de auto te laten keuren. Hij heeft toen bij garage Sluis op de Sloterweg in Amsterdam de motor van de auto zo laten bewerken dat hij voor de Duitsers niet te gebruiken was. Ook had hij een toen een luxe auto, een Dodge uit naar ik meen uit 1938, die ook ingeleverd moest worden. Dat wilde hij ook niet. De auto is toen uit elkaar gehaald en op 3 verschillende plaatsen verborgen. Na de oorlog is hij toen weer in elkaar gezet.

Bevrijding
Wat ik me daarvan vooral herinner zijn het voedsel droppings en de Canadezen die door onze straat reden. Vanuit ons raam kon je de vliegtuigen zien die aan parachutes voedsel naar beneden gooiden. Wat me vooral bijgebleven is de smaak van witbrood en cornedbeef. Wij kregen toen in onze winkel blikken met hele dikke soep. Op die blikken was gedrukt: Scotch broth van het merk Crosse and Blackwell. Alle blikken waren zwaar gedeukt. Ook blikjes sardientjes waarop stond: Ministry of war London.

In deze blikken werd Sotch Broth (een dikke voedzame soep) gedropt vanuit vliegtuigen.       Bron: www.pinterest.nl

Pannenkoeken
Ik logeerde toen bij mijn oma in Sloten. Ik ben toen met een oom van mij “s avonds met een roeiboot de weilanden ingegaan om naar neergekomen voedsel te zoeken. Wanneer je wat vond moest je dat inleveren. Wij vonden toen een grote zak met eipoeder. Mijn oma had een groot gezin en die zak met eipoeder was een letterlijk een geschenk uit de hemel! Ze maakte van die eipoeder een soort pannenkoeken en bakte die op een groot fornuis dat met turf werd gestookt. Die turf werd uit de sloten gebaggerd en op de kant dan gedroogd. Wanneer ik nu een omelet ruik denk ik nog altijd aan die heerlijke pannenkoek bij de bevrijding!

Meisjes en vrouwen
Wat ik als kind toen heel vervelend vond was de behandeling van meisjes en vrouwen die met de Duitsers hadden samengewerkt of vriendin met een Duitse soldaat waren geweest. Die werden bij ons aan de overkant van de straat op een platte wagen gezet, dan kaal geknipt en vervolgens met oranje verg ingesmeerd. En dat ging niet zo zachtzinnig. Na de oorlog leverde mijn vader voedsel aan een interneringskamp in Halfweg waar vooral allerlei Nederlanders zaten die fout waren geweest in de oorlog. Sommigen liepen daar in streepjes boeven pakken. Ik mocht af en toe mee. Ik hoorde toen dat de kampcommandant mijn vader vertelde dat er die nacht weer een aantal mensen zelfmoord hadden gepleegd.

Na de Duitse capitulatie werden vrouwen die met Duitsers hadden gehad kaalgeschoren en op platte wagens door de dorpen en steden gereden. Bron: www.tweedewereldoorlog.nl

Bonnen
Benzine was toen slecht te krijgen en omdat mijn vader naar Halfweg moest kon hij een beperkt aantal liters krijgen. Na de oorlog was alles op de bon. Er waren toen bonnen waarmee je bijvoorbeeld 1 kilo aardappels of 500 gram peulvruchten kon krijgen. IK heb toen als kind heel veel bonnetjes moeten plakken op vellen. Die leverde mijn vader dan op de Centrale markt in. Omdat er na de oorlog nog niet zo veel te krijgen was heeft de distributie nog vrij lang bestaan. Ik weet dat pas in 1948 als laatst de koffie van de bon was”

Als ik terugdenk aan de oorlogsjaren is het eerste wat er in mij naar boven komt de dreiging. Altijd die dreiging! Bij alles wat je doet de dreiging van een inval of een andere maatregel. Zoals eerder aangegeven was mijn vader niet betrokken bij illegale activiteiten maar alleen het bezit van de radio zorgde bij mij al voor dit nare gevoel. Ik hoop dat niemand dat ooit hoeft mee te maken.’

Heeft u zelf herinneringen aan de oorlogstijd in de buurt van Amsterdam? Of kent u iemand die dat heeft? Heeft u een toevoeging aan deze herinnering? Laat het ons weten! Samen houden we de herinnering levend!

Stichting Behoud Oorlogsherinneringen