”Ik ben geboren op 18 augustus 1926 in Utrecht. Dit was op de Aalbesstraat 12 in de wijk Ondiep.

Ik wist al gauw dat ik bakker wilde worden en een eigen bakkerij wilde beginnen. Helaas kreeg ik TBC. Doordat ik TBC had kon ik helaas geen hypotheek krijgen en dus ook geen eigen bakkerij beginnen. Dit was in 1944.

In die tijd was het zo, dat zodra je 18 jaar werd, je verplicht was je aan te melden bij de Nederlandse arbeidsdienst. Velen wilden dit absoluut niet en doken onder. Ik ook en vond een plek op een boerderij in Utrecht. De zoon van de boer, Sjaak Kolen, kende ik goed en zo vond ik een veilige schuilplaats”

”Op een zondag zaten wij met zijn allen te eten in de boerderij. Een paar ‘’moffen’’ kwamen ongevraagd het terrein op. Achteraf bleek dat ze helemaal niet voor mij en Sjaak kwamen, maar dat ze een paard kwamen vorderen. Sjaak vloog zo snel hij kon de hooizolder op om zich te verstoppen en ik rende de achterdeur uit om zo ongezien weg te komen. Ik rende het erf over en de straat op, maar rende bijna in de armen van een soldaat van de ‘’feldgendarmerie’’.

Ik wilde wegrennen maar was tegelijkertijd bang dat hij me zou neerschieten als ik een poging deed en bleef op zijn bevel staan. Dit was op 14 januari 1945”

‘Ik werd gedwongen om naar Tivoli te lopen, waar voorheen een concertzaal gevestigd was. Hier werden alle mannen die opgepakt waren verzameld. Wat opviel was dat er werkelijk honderden mannen zaten. Veelal jonge mannen waarvan het thuisfront waarschijnlijk in grote onzekerheid verkeerde.

Maandagavond laat zijn wij met een grote groep naar het station gelopen vanwaar wij richting Amersfoort vertrokken per trein. In Amersfoort stapte een volgende groep in die uit concentratiekamp Amersfoort afkomstig waren. De trein vertrok met voor ons onbekende bestemming. We zaten dagen in de trein en zagen met regelmaat tientallen, misschien wel honderden Amerikaanse vliegtuigen overvliegen op weg om Duitsland te bombarderen. Een indrukwekkend gezicht.

We kwamen uiteindelijk aan in Wenen en reden door naar Maria Elland aan de Donau, dit was op zaterdagavond. We werden opgewacht door een mevrouw genaamd ‘’Strasser’’ en daar konden wij blijven slapen. Wij werden gedwongen daar te werken aan het spoor, de zogenaamde ‘’Eisenbahn’’. Het werk was eentonig en zwaar. We moesten simpelweg het spoor schoonhouden en gezien de lengte kwam daar geen eind aan. We waren niet gekleed om buiten te werken en het vroor op sommige momenten 22 graden. Het enige dat we wel kregen waren speciale schoenen die onze voeten warm moesten houden en zorgen dat deze niet bevroren.

Op 6 april kwamen de Russen aan op onze locatie. We werden hiervoor gewaarschuwd door een Duister die een tijd in Nederland had gewoond en vloeiend Nederlands sprak. Hij gaf ons aan dat de Russen ons slechter zouden behandelen als de Duitsers hadden gedaan.

We konden weinig anders doen dan afwachten op wat zou gaan komen. Het was een vreemde gewaarwording. Uit het dorp was zo goed als iedereen weggevlucht voor de Russen en het was er doodstil. Die 6e april kwamen de Russen midden in de nacht aan. Wij sliepen in de kelder van het gebouw samen met een handjevol achtergebleven lokale bewoners. De Russen stormden binnen en iedereen was bang. Alle mannen moesten als de sodemieter wegwezen, de vrouwen daarentegen  moesten blijven…. er valt een stilte…. ‘’Nou dan weet je het wel hè’’

Buiten werden we opgewacht door nog een groep Russen. We moesten alles wat we nog hadden afgeven, niks was veilig. We werden met zijn allen tegen een muur gezet en moesten blijven staan. Ze wilden zeker weten dat we geen Duisters waren. Wij hadden het geluk dat één van de Russische soldaten voor de oorlog had gevaren en Rotterdam en Amsterdam kende. Uiteraard bij ons méér dan bekend en ze namen hier genoegen mee en we mochten weg.

We werden te voet naar Boedapest gestuurd. Eigenlijk gezien de kou, afstand en ons fysieke gesteldheid een onmogelijke opgave. Bij een boerderij vonden wij een oude kar en in de wei stond nog een paard. Dit paard was gewond en had op een zeker moment een kogel door zijn nek gekregen. Gelukkig was hij fit genoeg en konden we deze voor onze kar spannen.

Op een zeker moment liepen wij een bezopen rus tegen het lijf. Hij wilde het paard en onze kar en pakte gelijk zijn bajonet om ons eraf te jagen. Freek Nieman, één van onze jongens, was blijkbaar niet snel genoeg en werd zonder pardon met de bajonet op zijn been geslagen. Het resultaat was een grote snee waardoor lopen moeilijk was. Het was een tocht vol gevaren en je voelde je nergens echt veilig. Onderweg lag er langs de kant een dooie SS-er. Ik pakte zijn shirt en broek af en liep er zo weer iets beter bij.

Uiteindelijk zijn we met een kolentrein in Boedapest terecht gekomen. Er was maar één spoor dus de reis duurde lang. Ook omdat andere treinen, die van en naar het front reden, voorrang hadden. Ik weet nog goed dat één van de mannen die met ons mee reed in de trein, waarvan in vermoed dat dit een Pool was uit een concentratiekamp, zich letterlijk dood at. Hij was zwaar ondervoed en had ineens weer te eten. Hij at teveel en overleed daaraan. We hebben hem naast het spoor begraven en een houten kruis voor hem gemaakt.

Uiteindelijk zijn wij in Odessa (Rusland) terechtgekomen waar wij werden ontluisd en politiek getest. Er was daar een vrouw die Nederlands sprak en vroeg; ‘’hou je van de koningin?’’ waarop ik luidkeels riep ‘’Oranje boven!’’

Op deze locatie zaten veel Engelse soldaten en de dochter van de Britse premier Churchill kwam op bezoek. Voor dit bezoek werden ook wij netjes gekleed en zo liep ik ineens in een Brits uniform. Ik was ziek en voelde me ontzettend slap. We werden voor de zoveelste keer op pad gestuurd en onderweg viel ik flauw. Hoe weet ik niet meer, maar ik ben wakker geworden op het schip de ‘’Moonway’’ welke naar Marseille voer.

Op het schip zaten honderden mannen die zowel Nederlands, Frans en Engels waren. Onderweg ging regelmatig het alarm af. Het was nog gevaarlijk op zee en zo werden we gewaarschuwd als er wat dreigde te gebeuren. Gelukkig zijn we veilig aangekomen en bij aankomst in Marseille werd zowel het Franse, Engelse en Nederlandse volkslied gespeeld. Ik voelde me op dat moment weer echt vrij man.

Aldaar werden we weer ontluisd en ook weer politiek getest. Tevens kregen we ieder twee briefkaarten die we naar huis mochten versturen. Twee dagen later wisten mijn ouders pas dat ik nog leefde. Wat moet het ook voor hen een hel zijn geweest. Ik was uiteindelijk 5 maanden weg van huis…

Uiteindelijk ben ik vanuit Marseille naar Tilburg gereisd en toen naar huis waar een emotionele ontmoeting volgde.