‘Ik heb goede dingen geleerd in en van de oorlog. Het heeft mij sterker gemaakt en ik ben er een dankbaar mens door geworden. Het goede in het leven is niet vanzelfsprekend.’

Deze keer publiceren wij de herinneringen van Janny Dercksen (1930). Janny heeft de oorlogsjaren in Gouda meegemaakt en deelt haar ervaringen graag met jullie. Haar herinneringen zijn opgetekend door Coby Sybrandi. Heel erg bedankt!

Mobilisatie.

‘Ik was 10 jaar oud toen de spanningen in Nederland opliepen en de dreiging van een oorlog groter werd. Inmiddels werd het Nederlandse leger gemobiliseerd. Vanuit onze kerk kwam vrij snel het verzoek aan alle kerkleden om op zondag de soldaten thuis gastvrij te onthalen. De soldaten mochten in de weekenden niet naar huis vanwege de oorlogsdreiging en zouden dan ook op de kazerne moeten blijven, tenzij er mensen in de stad hun huis openstelden voor een aantal uren gezelligheid.

Zo zaten er bij ons thuis geregeld wel 10 jonge kerels aan tafel. Leuke herinneringen heb ik daaraan. Heel gezellig en natuurlijk werd ik straalverliefd. Tijdens de mobilisatie werden de soldaten aan het werk gezet en zo werd een begin gemaakt met de aanleg van de begraafplaats in de buurt. Ik zie mijzelf nog mee marcheren met een groep die, met spaden gewapend, weer verder aan het werk ging.

Oorlog.

Op 5 mei brak de oorlog uit, ik was inmiddels elf jaar. We stonden met een groepje kinderen op de hoek van de Joubertstraat/Bothastraat opgewonden omhoog te kijken. Ik zag allemaal witte stipjes in de lucht en er was een enorm gebrom. Ik had nog nooit een vliegtuig gezien. Moeder zei dat ik niet naar school hoefde. “Hoi, hoi!” dacht ik. Wist ik veel. Kort daarna was het bombardement op Rotterdam, op 14 mei om half twee ’s middags.

 

Alle Duitse vliegtuigen kwamen over Gouda, het was één groot gedonder. De lucht zag rood, het regende papiersnippers. Ik stond verbijsterd te kijken. We waren bezorgd om tante Jantje die in Rotterdam woonde. Zij heeft het overleefd. Een dag later kwam het “staakt het vuur” voor onze jongens en de capitulatie. Het was verschrikkelijk. Aan de IJssel hadden zeven soldaten in een mitrailleursnest gezeten. Huilend kwamen ze eruit en in wanhoop smeten ze hun geweren weg, alles was voor niets geweest.

Ik zag hoe een vrouw uit de buurt een arm om één van die jongens sloeg toen hij op het punt stond om van ellende zijn geweer op straat leeg te schieten. Ik zie nog het verbeten gezicht van mijn broer Wim voor me. Al gauw marcheerden de Duitsers al zingend door de straat. “Und wir fahren, und wir fahren, gegen England…” Ze leken zo kwaad nog niet, het leek allemaal wel mee te vallen. Totdat er hoe langer hoe meer ingeleverd moest worden: fietsen, radio’s, etc. Stelletje roofdieren waren het!

 

Aan het eind van de Krugerlaan stond de RijksHBS die gevorderd was door de Grüne Polizei. Verdwaalde bommen, waarschijnlijk bestemd voor deze plek, belandden op het St.Jozef Ziekenhuis en op het huis van oom Henk aan de Krugerlaan, naast het “Dercksenhuis”. Vaak vonden de bombardementen ’s nachts plaats. Als er weer een V1 kwam aanzetten hoorde je gefluit voordat de inslag kwam, een heel angstaanjagend geluid. Koeien zetten het massaal op een loeien, wat het allemaal nog angstaanjagender maakte. Je lag het maar gelaten af te wachten. Ik beschouwde ons huis als een veilige vesting, daar zouden geen bommen op vallen.

In de stad hadden de Duitsers op veel plekken V-tekens geplakt. Strijdlustig als ik was krabde ik ze op eigen initiatief met een aardappelschilmesje weg. Op een keer werd ik betrapt door een Duitser die mij staande hield. Een paar vrouwen kwamen erbij. Ze zeiden: “kun je wel, kinderen pesten…!”, en tegen mij: “maak dat je wegkomt…!!”. Zo hard als ik kon rende ik naar huis. Moeder wist er niets van dat ik dit deed en ik vertelde er ook maar niets van. De “rotmoffen”, zoals wij ze noemden, waren ook mensen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Er liep er eens één wacht in een sociale achterstandswijk. Er liep een meisje van een jaar of vier in haar nachtpon over straat. Een verwaarloosd en aan zichzelf overgelaten kind. De soldaat heeft het kind meegenomen en naar een ander gezin gebracht waar ze vervolgens werd opgenomen. Een neef van mij werkte als fysiotherapeut in Rotterdam, en kreeg jaren later een vrouw onder behandeling, die haar levensverhaal vertelde. Zij was de vierjarige geweest. Vol dankbaarheid vertelde de vrouw dat het goed met haar was gekomen.’

Hongerwinter.

Oom Willem en mijn broer Wim zaten in het verzet. Ze regelden bonkaarten waar voedsel mee te krijgen was. Er was niet veel te eten. Tulpenbollen en suikerbieten, waar je keelpijn van kreeg. Op een keer was er in het brugwachtershuisje aan de Stolwijkersluis brood te krijgen. Dat moest geheim blijven. Ik werd erop uit gestuurd om het voor ons gezin te halen. Dat zou het minst verdacht zijn. Onder mijn cape hield ik het heerlijke witbrood verborgen. De verleiding was heel groot om er onderweg een stukje van af te breken en vast op te eten, ik had zo’n honger. Ik heb het niet gedaan. Thuis wachtten moeder, Mieke en mijn beide broers.

Wim ging wel op voedsel uit. Naar boeren in Haastrecht en Stolwijk. Mensen waren vrijgevig. Meerdere keren gebeurde het dat de Duitsers alles afpakten als Wim bijna thuis was. Rotmoffen!! Grootmoeder woonde in Nieuwerkerk aan de IJssel. Daar was wel voedsel. Af en toe werd ik een week naar grootmoeder gestuurd om bij te eten. Op een keer had ik het in mijn hoofd gehaald om nú naar huis te willen, een dag eerder dan afgesproken was. “Maar kind, dat gáát toch niet, er is geen vervoer!” “En tóch ga ik, dan ga ik wel lopen!!” Er was geen houden meer aan, ik moest en zou naar huis. Ik kon meerijden met een boer op zijn kar. In die nacht kwam er een brandbom door het dak van grootmoeders huis, precies op de plek waar ik geslapen zou hebben. Grootmoeder was zo dankbaar dat ik “zo’n onhandelbaar, koppig en eigenzinnig kind” was. Het heeft mij het leven gered. Ik heb het als een teken ervaren, ik had nog wat te doen.

Brandstof was er ook nauwelijks. Met een aantal buurtkinderen gingen we erop uit om kolen uit te graven aan de dijk en die te zeven, en om hout te sprokkelen. Oom Willem heeft de oorlog niet overleefd. Hij woonde in het “Dercksenhuis”, een markant huis met twee trappen links en rechts aan de Krugerlaan. Hij is opgepakt en omgekomen in Sachsenhausen. Mijn broers Jan en Wim, zaten overdag bij ons op de vliering ondergedoken. Ze hadden daar ook illegaal een radio. Later kwam daar nog Bert bij. Bert zat eerst ondergedoken bij zijn ouders op de Krugerlaan. Zijn ouders waren echter zò bang voor de Duitsers dat ze in staat waren om naar waarheid te antwoorden als hen gevraagd werd of ze een onderduiker hadden, dat mijn moeder zei dat Bert maar bij ons moest komen.

 

 

 

 

Het zusje van Bert, Diny, was een vriendinnetje van mij. Moeder had mij op het hart gedrukt: “Denk erom dat je er niet over praat!” Diny mocht vanaf die tijd niet meer bij ons binnenkomen. Ik heb leren zwijgen, ik heb niets gezegd. Oòk niet toen Diny me vertelde dat haar vader en moeder de hele dag zaten te huilen, want “onze Bert is weg en ze weten niet waar hij is!”

Op het raam had moeder een papier met “difterie” geplakt. Jan had deze ziekte gehad. Het papier bleef hangen, ook al was Jan allang weer genezen. Lang is er bij ons geen huiszoeking geweest, de Duitsers vreesden het om besmet te worden. Omdat er geregeld ’s nachts razzia’s gehouden werden, gingen de jongens iedere avond als het donker was naar het van Itersonziekenhuis, waar ze een slaapplek hadden. Dat had dokter De Plancken, de directeur van het ziekenhuis, voor ze geregeld. Iedere avond weer was dat spannend en moeder wilde weten of ze goed aangekomen waren in het ziekenhuis. “Ik breng ze wel weg” zei ik, en moeder vond dat goed. Ik liep met de jongens mee, verschool me in de bosjes en keek toe hoe er in het ziekenhuis een deur op een kier openging om ze binnen te laten. Als ze veilig binnen waren rende ik weer naar huis, waar moeder achter de deur me stond op te wachten. Ze hàd het niet meer, totdat ook ik weer thuis was. “Goddank, dan kunnen we vannacht weer slapen.”

 

Iedere ochtend nog voor het licht werd kwamen de jongens weer terug bij ons. Wij moesten heel voorzichtig zijn, aan de overkant van de straat woonden twee gevreesde NSB-ers. Op een ochtend werd er vroeg aangebeld en stonden er drie Duitsers op de stoep. De kamer was leeg, maar de ontbijtboel stond er nog, en daaraan was te zien dat er meer mensen in huis waren dan alleen moeder, Mieke en ik. 

Ik werd naar school gestuurd. Helemaal overstuur zei ik huilend tegen de juffrouw: “Ze hebben de bordjes geteld!” Dat was alles, ik mocht tenslotte nergens over praten. Na school rende ik naar huis en was enorm opgelucht dat moeder er nog was. Ik was heel bang geweest dat ze haar zouden hebben meegenomen. Hoe moeder de Duitsers de deur uit heeft weten te werken heb ik nooit van haar gehoord, daar heeft ze nooit over willen praten, “dat gaat je niks aan”.

Mijn school, de Julianaschool, werd gevorderd door de Duitsers. Alle kinderen werden verspreid over de stad bij verschillende locaties ondergebracht, telkens weer ergens anders. We hadden nog maar halve dagen les. 
Tijdens een kinderverlammingsuitbraak was er geen school. We zochten elkaar toch op, ook al mochten kinderen niet in groepen bij elkaar komen om besmetting te voorkomen. We hadden er wat op gevonden: in een tent, met alleen ons hoofd daarbinnen en ons lijf erbuiten. Dát zou toch geen kwaad kunnen dachten we, en zó vertelden we elkaar verhalen. Als er een luchtalarm was dan moest iedereen zo snel mogelijk naar een schuilkelder. Ik deed dat nooit maar holde zo snel mogelijk naar huis. Thuis zou ik veilig zijn.

 

 

Bevrijding.

5 Mei 1945. Er werd op de ramen gebonsd. “We zijn vrij!!” De geallieerden reden Gouda binnen. Een goede vriend van Wim reed voorop. Hij was gevlucht naar Dordrecht en overgestoken naar Engeland. Iedereen was gek van vreugde. Ik was niet meer van de Markt weg te slaan, en naar mijn idee heb ik toen een week niet geslapen.

Na de oorlog.

Lang na de oorlog kwam ik in de Savelberg, een verpleeghuis, één van de NSB-ers tegen die tegenover ons had gewoond. Ik herkende hem meteen en zei hem gedag. Een oude man. Later vertelde ik Wim van deze ontmoeting. Wim kreeg tranen in zijn ogen: “hij heeft het geweten wat ik deed, en heeft mij niet verraden”.

Een andere bekende van ons was ook bij de NSB geweest. Om die reden was hij uitgekotst door de Gereformeerde Kerk waar hij lid van was. Het was een geestige man. Hij kwam vaak bij ons thuis na de oorlog als elektricien. Veel later zag ik hem vaak wandelen. Hij kwam niet meer in de kerk. Ik groette hem. “Dag meneer S.” “Dag meid”. “Hoe gaat het met u?” “Niet best. Kijk, weet je wat me nou dwars zit? Ik was fout in de oorlog. Was NSB-er.” “Waaróm was je NSB-er?” “Ja, goeie vraag, ik dacht dat ik het goed deed. Het zit me dwars, want als ik nou boven kom moet ik toch verantwoording afleggen.” Sindsdien heb ik steeds een praatje met hem gemaakt. Het was een worsteling voor hem, hij zocht vergeving. Ik ben er zeker van dat hij die gevonden heeft. Toen hij overleden was waren er bij zijn begrafenis maar een paar mensen. Er was geen dominee. Ik heb het Onze Vader gebeden.