”De oorlog is inmiddels drie jaar aan de gang. Voor ons als bewoners van Rotterdam- Zuid zijn de jaren ook niet ongemerkt voorbij gegaan. Het bombardement van mei 1940 was een vreselijke ervaring. Daarna zijn er ook in onze buurt een aantal verkeerd gerichte bommen gevallen, waarbij huizen werden vernield en slachtoffers vielen.

Buiten de onderdrukking ging de oorlog ook op een andere manier zijn tol eisen. Alle dagelijkse levensbehoeften waren op de bon. De portie’s eten en drinken veel te klein. Zwarte handel in de schaarser wordende artikelen tierde welig. Voor vele zorgzame ouders die alleen op die schaarse rantsoenering waren aangewezen was het een ramp. Naarmate de tijd vorderde ging het gebrek aan voedsel, kleding en schoeisel zich op allerlei gebied gelden.

 

Gelukkig was mijn vader een verwoed volkstuinder. Ons gezin had tot op zekere hoogte nog geen gebrek gehad aan aardappelen en groente. Het was wel mondjesmaat, maar honger hadden we in ons gezin van zes meiden en vier jongens nog niet geleden. Kleding en schoeisel ( ook klompen ) ging in vele gevallen over van de een naar de ander. Tevens hadden we allemaal, ook de jongens, geleerd om met naald en draad om te gaan. Kleding werd tot in het oneindige gerepareerd en sokken gestopt.

Op zeker moment was er van een oom in Zeeland een bericht gekomen dat er etenswaar voor ons klaar stond. Dat was buiten de rantsoenering  een mooie kans om eens wat anders op tafel te zien. We wisten dat deze oom zich bezig hield met zaken die voor de bezetter niet openlijk bedreven mochten worden. Wat precies wisten we ook niet..

Na enig beraad tussen de ouders werd ik als oudste van de jongens aangewezen de kostbare levensmiddelen met Pinksteren te gaan halen. Ik was toen 15 jaar en met een jaar jongere broer moesten we met het enige beschikbare vervoermiddel, de Nederlandse Spoorwegen, naar Zeeland reizen. Maar reizen met de trein was tijdens de bezetting een gevaarlijk bezigheid. Treinen waren, vooral locomotieven, dag en nacht doelwit van de geallieerde vliegtuigen.

Bij gebrek aan een bruikbare koffer werd in korte tijd een op een koffer lijkende houten kist met een provisorische handgreep getimmerd. Wel een mooie kist, maar die eigenlijk niet geschikt was om bij volle last langdurig gedragen te worden. Maar ja, we gingen toch met de trein en vader zou ons met de fiets naar het station Rotterdam- Zuid brengen en weer ophalen.

Zo gingen we dus op Pinksterzaterdag 1943 op pad en namen plaats in een van de laatste wagons, zover mogelijk van de locomotief. Gedurende de reis naar Zeeland werd samen met andere passagiers herhaaldelijk de hemel afgetuurd naar eventueel dreigend gevaar van vliegtuigen. Gelukkig kwamen we zonder incidenten of controle van de Feldgendarmerie in Kruiningen- IJerseke aan.

Volgens afspraak stonden familieleden bij de uitgang  te wachten. Zij brachten ons, ook per fiets, naar de enkele kilometers verderop wonende familie. We zouden twee dagen blijven en op pinkstermaandag met de volle kist ( vlees, worst en granen ) op dezelfde wijze weer huiswaarts keren.

Tijdens het verblijf werden we door de familie verwend met kostelijk eten.

Het was op de vertrek dag ( Pinkstermaandag) mooi weer en zaten in afwachting voor de thuisreis s’morgens buiten in het zonnetje. Toen plotseling de sirene afging. Luchtalarm!! We hoefden niet lang te wachten of er kwam met veel lawaai een zwerm Geallieerde vliegtuigen laag overvliegen.

Het luchtdoelgeschut kwam met donderend geraas in volle hevigheid in actie. Opeens een enorm gedreun. Het was door onze ervaringen in Rotterdam duidelijk. Ergens dichtbij vond een kort maar hevig bombardement plaats. Maar waar, dat was nog een vraagteken. De ontploffingen hoorden we in oostelijke richting. Even later vernamen we dat ter hoogte van Woensdrecht de spoordijk het doelwit was geweest.

De enige spoorlijn die Zuid Beveland met de rest van Nederland verbond was gebombardeerd. Hoe groot de schade was, en of de terugreis door de aanval werd belemmerd was niet direct duidelijk. Want In oorlogstijd bestaat de berichtgeving vooral uit geruchten. Maar er was voor ons geen andere mogelijkheid om Zeeland te verlaten. Dus werden we in de namiddag gewoon met de volle kist naar het station gebracht.

Met de onzekerheid omtrent de omvang van het bombardement stapten we weer in het achterste deel van de trein richting Bergen op Zoom. De reis verliep vrij rustig en naarmate we het plaats delict naderde zocht iedere reiziger nieuwsgierig of er al gevolgen van die luchtaanval te zien waren. Maar de hoop dat we onbelemmerd door zouden kunnen reizen werd ter hoogte van Woensdrecht de bodem in geslagen. Want plotseling stopte de trein. Intussen was het donker geworden…

Iedere reiziger werd gecommandeerd met zijn bagage te trein te verlaten en langs de spoordijk naar een andere gereedstaande trein lopen. Een onder stoom staande trein die aan de andere kant van de totaal vernielde spoor voor de reizigers stond te wachten.

Nu werd het nadeel van de keuze om achter in de trein te gaan zitten duidelijk. Want we moesten met die haast niet te tillen kist eerst maar eens ongeschonden beneden aan die dijk zien te komen.

Toen dat was gelukt met haast bovenmenselijke inspanning de taak om ook nog eens met dat onhandelbare ding door de modder langs de trein bij die  die andere trein zien te komen. Soms omlopen langs grote bomkraters  Andere niet zo zwaar belaste passagiers hadden de achterste coupe’s van die klaar staande trein al bezet. Dus moesten we ook nog eens een eind met die last langs die volle trein lopen. Een praktisch onmogelijke opgave voor kinderen van onze leeftijd.

Hoe het ons met vallen en opstaan is gelukt, lijkt mij nu nog onwaarschijnlijk. Maar in oorlogstijd leert men al snel dat overleven noodzaak is. En voedsel is daarbij van levensbelang. De verantwoordelijkheid voor de kostbare inhoud was veel groter dan je normaal gesproken van kinderen mag verwachten.

Verder zijn we zonder incidenten heelhuids maar onder de modder en een flinke vertraging weer op station Rotterdam-Zuid aan gekomen. Vader stond gespannen op ons te wachten. Bij geruchten had hij wel van het bombardement gehoord en had in zijn rats gezeten over ons welzijn. Opgelucht dat we gezond en wel terug waren, vertrokken we nu met de koffer op de fiets huiswaarts. Thuis werd met nieuwsgierige en goedkeurende ogen het openen van de koffer bekeken. In het kort werd ons verhaal over de gebeurtenissen de voorgaande dagen aan gehoord, maar over de ontberingen werd praktisch niet meer te gesproken. In een oorlog leef je bij de dag. Maar ik draag het voorval al mijn hele leven bij me.’