Marinus Zuijdweg – De razzia van Rotterdam (deel 3)

Het laatste deel van de herinnering van Marinus Zuijdweg gaat over zijn terugweg uit Duitsland naar Nederland en hoe hij de bevrijding heeft mee gemaakt. Met name in het slot word goed duidelijk wat een oorlog met iemand doet. Iets wat wij in Nederland gelukkig niet meer hebben meegemaakt.

De bevrijding

”Hoewel totaal verstoken van iedere vertrouwelijke informatie was aan alles te merken dat het front steeds dichterbij kwam. Bij geruchten was wel gehoord dat de Geallieerden de Rijn waren overgestoken, maar hadden geen idee hoe snel de veldtocht in onze richting vorderde. Dat werd pas duidelijk toen op een dag in begin april niet alleen het kanongebulder dichterbij kwam maar ook veel vluchtelingen langs kwamen. Toen op een ochtend de lagerleiding zonder bericht de benen had genomen, voelden wij ons ineens vrij… vrij om te doen wat we wilden. Heel onrealistisch omdat we eigenlijk nog niet bevrijd waren. Ik heb zonder te vragen wat anderen gingen doen meteen mijn spaarzame spullen gepakt, de benen genomen en naar het huis van de familie Brockman gegaan. Daar werd ik volgens afspraak gastvrij ontvangen en kreeg een kamertje toegewezen. Toch was de toestand voor deze goedwillende mensen hoogst onzeker. Het gevaar om verraden te worden omdat er een auslander zat onder gedoken, was nog steeds aanwezig. Omdat we nog niet bevrijd waren gaf die gedeelde spanning en de euforische stemming een aparte sfeer. Wat stond ons te gebeuren? Maar een ding stond vast, de bevrijding zat er aan te komen.

In het Front

Het werd pas echt spannend toen in de loop van die eerste vrije dag het front, d.w.z. het kanongebulder snel naderbij kwam. Ondanks het gegrom en het geschiet rondom het huis, klonk de dreigende situatie als muziek in mijn oren. Het brandende verlangen om echt bevrijd te worden en alle ellende achter me te laten werd snel al te letterlijk beloond. Het werd al gauw duidelijk dat op de begane grond van het woonhuis blijven te gevaarlijk was, en gingen om aan de directe gevechten te ontkomen de kelder in.

Duitse soldaten hadden zich op de eerste verdieping van het alleen staande woonhuis verschanst en begonnen de Geallieerde tanks te beschieten. Het geluid van de naderende tanks klonk mij als muziek in de oren. Ik kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en wilde proberen of ik de bevrijdende tanks door een half boven de grond bevindend kelderraampje kon zien aankomen. Het ongeduld werd bestraft toen ik na een hevige knal van een vlakbij ontploffende granaat achteruit werd geslagen. Opeens was het huis, mijn schuilplaats doelwit van de oprukkende tanks geworden. De geboden tegenstand werd bestookt met granaten. Ontzettend veel lawaai, glasgerinkel, geratel van mitrailleurs was het gevolg. Het boven huis, waar uit werd geschoten lag onder vuur. Zelfs in de kelder zaten we dus niet veilig meer. Het werd pas ernstig toen de tegenstand voor de tanks denk ik te lang ging duren. Met een paar enorme knallen werd het huis boven ons met fosforgranaten in brand geschoten. Zo had ik het brandend verlangen niet bedoeld. Aan de snelle voetstappen boven ons maakten we op dat de soldaten het huis verlieten en zich elders gingen verschansen.

Twee keer vluchten voor brand

Hoe erg de situatie was, bleek toen opa Brockman voorzichtig boven een kijkje ging nemen. Het geschiet boven ons was opgehouden en de koeien in de stal stonden angstig te loeien. Met een kreet dat het hele huis in brand stond zijn we allemaal (5 personen, waaronder kleine Heino) uit het huis richting tanks gevlucht.

heino-wohlke
Heino Wohlke

Door de staldeur zijn we over het land door een spervuur van ( lichtspoor ) kogels en ontploffende granaten naar een 100 meter verder gelegen boerderij gevlucht. Onvoorstelbaar dat niemand tijdens de vlucht door kogels is geraakt.

In paniek vergaten we om de vastgebonden loeiende koeien (met het uitrekken van een pen) uit de vlammen en rook te bevrijden.

Als ik mijn ogen dicht doe hoor ik nog het geruk aan de kettingen en het jammerlijke geloei van die arme beesten. Later zijn zij, omdat zij geen normale levenskans meer hadden, bij een noodslachting allemaal ingeblikt. De half verbrande onbenaderbare poes en een jong geitje die door de brand enorm geleden hadden, heb ik op verzoek, later uit hun lijden verlost.

In de andere boerderij aangekomen werden we door de bewoners hartelijk ontvangen en in de kelder geloodst. Nog maar nauwelijks bekomen van de vlucht door die kogelregen en inslaande granaten brak ook in dat huis de paniek uit. Hoewel we in de richting van de tanks naar die boerderij waren gevlucht, heeft wellicht de tankbemanning ons voor vijanden aangezien en schoten ook dat huis in brand. We hebben ons toen in door de Duitse soldaten gegraven schuttersputjes in de nabijheid van het huis verschanst. Tot groot verdriet van deze mensen waaronder een baby, keken zij hulpeloos toe hoe hun huis, hun hele hebben en houden, praktisch binnen hand bereik, in vlammen opging. De fosforgranaten deden hun werk enorm goed.

Zo had ik de bevrijding niet voorgesteld. De oorlog was nu compleet, de in mijn ogen ontzettend grote Engelse tanks kwamen daverend dichterbij. Schotenwisselingen over en weer hielden aan, in de buurt de een na de andere granaatinslag, niemand had het lef om zijn hoofd boven de putrand uit te steken. Het was een hel, we zaten midden in het dood en verderf zaaiende front. In dat inferno, met ratelende mitrailleurs en ontploffende granaten, tanks die de lucht in vlogen en rondom brandende huizen, voel je je machteloos, heel klein en hulpeloos. Als er een hel bestaat dan waande ik mij erin. De ellende was groot, ik had het gevoel dat ik hier nooit meer gezond uit zou komen. Dat het leven ophield te bestaan. In die situatie kan je niet goed nadenken en is het helemaal geen schande om bang te zijn. Het zijn ook momenten dat angst over gaat naar een soort fatalisme. Wat er ook gebeurt, je leeft in een roes, het kan je allemaal niks meer schelen.

Gelukkig was de overmacht van de Geallieerde stoottroepen en tanks te groot voor de veel lichter bewapende Duitse eenheden. Maar wat kan een dag in de frontlinie dan lang duren. Tegen de avond keerde de rust een beetje terug en opeens stond er een paar meter van ons vandaan een van die levensgrote tanks op de weg. Alleen een slootje bevond zich nog tussen ons en de tank. De eerste kennismaking met de bevrijders was werkelijkheid geworden. Er ging een deksel open en een vriendelijke stem van een gehelmde soldaat vroeg vrij indringend: “ Sind hier soldats.? “

Overrompeld door de vraag en misschien ook beduusd door de vriendelijke stem van de soldaat zei de met zijn handen in de lucht geheven Duitse boer, “ nein, nein hier sind keine soldaten, hinten sind soldaten “ en wees snel naar een plaats ver van ons vandaan. Het was wel de richting waar de Duitse soldaten uit de brandende huizen naar toe waren gevlucht. Als op commando draaiden de aanwezige tanks zich een kwartslag naar links en schoten vanaf onze plek een hele rij standaard boerderijen waar de soldaten in verbleven, in brand. De grote tank die voor ons op de weg stond gooide tot onze schrik een complete granaat die blijkbaar niet was afgegaan vlak voor ons in de sloot. De adem stokte in je keel, maar er gebeurde gelukkig niks mee.       

Eindelijk bevrijd

Eindelijk trokken de tanks verder en het werd in onze omgeving aangenaam rustiger. Een heel vreemd gevoel maakte zich van mij meester. Geen Duitse maar Engelse soldaten in de buurt, eindelijk bevrijd ????. Een onwerkelijk gevoel dat na die frontervaring maar langzaam tot me doordrong. Maar als vreugde en blijheid begrensd zijn, ben ik toen dicht tegen die grens aangeweest. Ook de mensen waar ik met de familie Brockman naar toe was gevlucht, waren opgelucht dat ook voor hen die verschrikkelijke gevechten nu eindelijk voorbij waren. Een paar dagen later las ik in een Duitse krant uit die dagen dat de bewoners van Leeste als leeuwen tegen de Engelsen hadden gevochten. Zelf heb ik alleen maar bange mensen en witte lakens gezien.

Het liep tegen de schemering, het werd een beetje mistig en hier en daar waren nog lichte schoten wisselingen. Dat was het sein om gezamenlijk de branden te blussen en nog wat zien te redden. Heel veel was natuurlijk verloren gegaan, en wat nog niet was verbrand had grote (rook) schade opgelopen. Bij die bezigheden kwam ik tot mijn schrik in de mist op geringe afstand van elkaar een Engelse en een Duitse patrouille tegen. Gelukkig hebben zij elkaar niet ontmoet. Omdat de tegenstand in Bremen heftig was, kwam de opmars van de Engelsen in onze omgeving tijdelijk tot stilstand, maar de oorlogshandelingen bleven nog dagen boven ons hoofd hangen. Luchtaanvallen, bombardementen, beschietingen richting Bremen waren aan de orde van de dag. Hoewel ik mij bevrijd voelde zaten we toch midden in het front in een soort niemandsland.

De eerste geallieerde soldaat die ik op de Bevrijdingsdag sprak was een in Engelse dienst zijnde Hollandse stoottroeper uit Oss. Hij sprak mij aan omdat hij een rood- wit- blauw vlaggetje ontdekte, dat oma Brockman op de mouw van mijn groene uniformjasje had genaaid.

Hij bewaakte Duitse krijgsgevangenen in een schuur. Op het moment dat hij tot de ontdekking kwam dat wij landgenoten waren, heb ik op zijn verzoek in het kort mijn achtergrond verteld. Toen hij mijn armzalige plunje zag, wilde hij de kleding en schoeisel van een van de gevangen Duitse soldaten met mijn maat uit te laten trekken om aan mij te geven. De soldaten kistjes stonden mij wel aan, maar het dragen van een Duits uniform helemaal niet. Dus heb ik bedankt. Dan nog liever dat versleten jasje wat ik aan had.                

Iedereen was blij dat we de gevaren hadden overleefd. Maar doordat het huis van de Brockmans, ook mijn povere spullen, vrijwel geheel was uitgebrand kwam er van het plan om mij in huis te nemen niets terecht. Door bemoeienis van de Brockmans heb ik onderdak gekregen bij kennissen in de buurt. Het huis van de zogeheten familie Kastens was ondanks de oorlogshandelingen vrijwel onbeschadigd gebleven.

 Onderdak bij de familie Kastens

Ook die familie Kastens was door de oorlog gebroken. De eerlijkheid gebied mij te zeggen dat ik niet exact weet hoe de verhoudingen precies lagen. Twee vrouwen, waarvan een de moeder was van Heinz een zoon die 2 jaar jonger was dan ik en waar ik later goed mee over weg kon, bewoonden het huis. De andere wat oudere vrouw was haar zuster. De laatste heb ik in 1994 nog uitgebreid bezocht. Zij herkende mij na 40 jaar meteen. In dat huis kreeg ik een apart slaapkamertje op de begane grond met een heerlijk bed.

woonhuis-kastens
Woning familie Kastens

Tot aan het tijdstip dat ik weer naar Holland ging heb ik daar tot ongeveer half mei vertoefd. De eerste dagen door het geregelde goede eten heb ik weer doodziek op bed gelegen. Tussen de beschietingen door verzorgden zij mij liefdevol.

In de daarop volgende periode, nadat er geen oorlogshandelingen meer waren, heb ik mij waar mogelijk verdienstelijk gemaakt, als dank voor de gastvrijheid en de goede zorgen. Geholpen met (veel) puin ruimen en noodreparatie s aan beschadigde spullen.

Het werk bestond uit behulpzaam zijn bij de noodslachting van de blazende koeien, afbreken, transporteren en opbouwen van een houten keet als voorlopig onderdak in de voortuin van de Brockmans. Kortom ik heb voor de liefdevolle wijze waarop zij zich in slechte tijden over mij hadden ontfermd, als tegenprestatie medewerking verleend om te helpen bij de wederopbouw. Mijn haveloze kleding leed daar erg van en vernieuwen was dus hard nodig.

Op rooftocht

Op zeker moment ben ik met Koos een wat oudere Rotterdamse lagergast, die achtergebleven was bij twee weduwvrouwen, in door nazi s verlaten woningen op zoek gegaan naar iets bruikbaars. Bij een van die rooftochten hebben wij in kelders uit weckflessen vlees en fruit gegeten. In een ander huis hebben we niet alleen kleding, maar zowaar ook twee fietsen georganiseerd. (gestolen).

Ik voelde mij de koning te rijk toen ik in een van de huizen ondergoed ontdekte. Weliswaar een paar maten te groot maar ik voelde mij de koning te rijk. Ik had weer ondergoed aan en een fatsoenlijke broek en overhemd. Een hele belevenis na zoveel ellende. Dit tot verdriet van de familie Brockman, die niet erg vrolijk keken toen ik met de buit terugkwam.

Het was in hun ogen ook gewoon stelen wat ik had gedaan. Dat hadden ze blijkbaar niet van mij verwacht. In hun visie, zij moesten de benadeelden later wellicht in het dorp weer onder ogen zien, hadden zij wel gelijk. Zij hebben mij daar echter nooit verder meer over lastig gevallen. Maar gezien de omstandigheden was het voor ons gewoon een behoefte, om wat het nazirijk van ons had afgenomen, weer een klein beetje aan te zuiveren. Eindelijk konden we, nu we een beetje aangesterkt en fatsoenlijk gekleed waren en ieder een fiets hadden, denken om naar huis te gaan.

De terugreis

Nadat Bremen na de heftige belegering door de Engelsen was ingenomen was er nog steeds geen contact geweest met de autoriteiten. Wisten niet eens dat er een dergelijke instantie bestond. We wisten dus ook niet welke mogelijkheden er waren voor terugkeer naar Holland. Dus maakten we plannen om op eigen kracht de reis aan te vangen.

De berichten uit het vaderland, kwamen ondanks dat het leven een klein beetje normaliseerde, onregelmatig en onbetrouwbaar door. Ik heb in die periode naar huis geschreven dat alles goed met me was, maar de brieven zijn nooit aangekomen. Ik kreeg dus ook geen antwoord. Omdat wij, Koos en ik, weg wilden, spraken we af om op een bepaalde dag per fiets richting huis te gaan.

Het afscheid bij de familie Brockman was emotioneel, we hadden gezamenlijk toch een heftige periode mee gemaakt. Het waren lieve mensen en hebben mij in zeer slechte tijden belangeloos er weer bovenop geholpen. In 1974 heb ik met vrouw en jongste dochter nog een bezoek bij de familie Brockman gebracht. Het huis was alweer opgebouwd, maar de ouwetjes waren overleden. Gezamenlijk hebben we met Anni, toen grote Heino, zijn vrouw en kinderen een bezoek gebracht aan het wederopgebouwde Bremen.

In 1994 ben ik met mijn toenmalige vriendin, mijn vrouw is op jonge leeftijd overleden, nog onverwachts in Leeste geweest. De familie Brockman was met vakantie, maar hebben wel een leuk contact gehad met de familie Kastens.

De fietstocht richting huis.

Half mei 1945 zijn we op een dag op de fiets richting Osnabrück vertrokken. Het was mooi weer en de reis verliep met de nodige panne aan de fietsen niet vlekkeloos.(Gestolen goed gedijt niet ). Langs en door de vele verwoestingen en wegomleidingen hebben we onze weg gezocht en de meer dan 100 kilometer in een dag naar Osnabrück afgelegd. Daar aangekomen werden we na melding bij de autoriteiten met een groot aantal andere repatrianten uit allerlei Europese landen geregistreerd en in een grote kazerne onder gebracht. Eerst werd iedereen die zich aanmeldde met een hogedruk spuit met D.D.T, ontsmet. Daarna een korte screening voorzien van de nodige gestempelde repatrieringspapieren om later door de instantie s vervoerd te kunnen worden richting Holland.

dp-index-card

We kregen op het grote complex met honderden Hollandse en Belgische repatrianten gelijk een woonblok toegewezen. In de kazerne lagen ook slachtoffers uit allerlei Europese landen. Ook concentratiekamp gevangenen. Sterk vermagerde mannen, nog steeds in de gestreepte pakken, lagen en werden verzorgd in een apart blok. Nog zie ik die menselijke wrakken met niets ziende ogen, lekker in de voorjaarszon zitten. De ligging en het eten in die verzamelplaats verzorgd door geallieerde soldaten, was voor die tijd, redelijk te noemen. De Russische krijgsgevangenen, veel brutaler dan de anderen, vulden de menu s aan met bij boeren gestolen varkens en kippen.                  

Op transport

Een paar dagen later werden we met vele anderen in open militaire auto s op transport gesteld en kwamen aan in een kamp in Rheine. Het kamp en de voeding daar waren goed. De eerste bekende die ik daar tegenkwam was mijn toenmalige vriend G.v.d.S. die ik na de razzia niet meer had gezien. Dan sta je toch even te kijken. Ook hij was daar in afwachting van transport naar huis.                                      

Wel kregen wij daar de eerste teleurstelling te verwerken,

Er werd bekend gemaakt dat we het westen van Nederland niet in mochten. Het gebied was in quarantaine, er was door de geleden honger en ellende, besmettelijke ziektes. Iedereen die naar huis wilde en dat wilden we allemaal, moest een adres opgeven buiten het quarantaine gebied.          

Dat zorgde bij een aantal mensen die geen familie of adressen buiten het westen hadden, toch voor problemen. Hoe zij dat verder geregeld hebben weet ik niet. Door de doorgestane ellende was iedereen teveel met zichzelf bezig. Maar ik heb, niet wetend hoe de familie daar door de oorlog was gekomen een adres opgegeven van familie in Putte ( Nbr ). Het was tevens het einde van de gezamenlijke reis met Koos. Waar die toen naar toe is vertrokken is, herinner ik mij niet meer.

Zodoende werd ik bij een van de eerste transporten ingedeeld dat richting huis ging. Met open militaire vrachtwagens werden we vervoerd naar de Duitse grensplaats Gronau.

img_20160621_0004

Het hele transport werd nu ondergebracht in een oud klooster. In een grote met stro bedekte zaal, die deels al was bezet door honderden gevluchte vrouwen en kinderen, moest de nacht worden doorgebracht. Het vaderland lonkte, velen gooiden hun laatste verfoeide Duitse munten weg. Op een gegeven moment lag de straat in de omgeving van dat klooster bezaaid met het toen waardeloze geld.

De andere dag zijn we overgebracht naar Enschede. Het gevoel eindelijk weer op Hollandse bodem te staan, laat zich moeilijk beschrijven. Blij, opgelucht dat we op dat moment de boze droom en hel achter ons hadden gelaten. We hadden het overleefd. De repatrieringspapieren (nog in mijn bezit) werden weer gecontroleerd. Want tussen de grote stroom repatrianten gingen ook minder onschuldigen schuil. Meestal waren dat eenlingen. Bij twijfel werden zij door de instanties er gelijk tussenuit gepakt.

img_20160621_0001

Iedereen werd in een wasserijgebouw weer ontluisd, onder de douche gewassen en je spullen apart behandeld. Zo n warme wasbeurt met echte zeep was na zoveel ontberingen in een woord – heerlijk !!!

Na die schoonmaak werden degene die een adres in Brabant hadden opgegeven, opgeroepen. Wij werden weer op een open vrachtauto geladen, op weg richting het zuiden. Achtereenvolgens passeerden we Arnhem en Nijmegen en andere plaatsen. Met een gevoel van afschuw aanschouwden we onderweg alle trieste vernielingen. In ‘s-Hertogenbosch aangekomen moesten we overstappen op een trein. Doordat het Zuiden eind 1944 al was bevrijd, was het herstel van de vernielde spoorwegen al zo ver gevorderd dat bepaalde lijnen beperkt bruikbaar waren. Comfortabeler dan de reis richting Duitsland ging het nu richting Bergen op Zoom, dat tevens toen het eindpunt van de trein voor mij was.

Aangekomen in Bergen op Zoom zie ik buiten het station nog de grote massa mensen staan. Omdat er nog geen brief – en /of telefoonverkeer mogelijk was, gingen vele bewoners bij elke aankomst van een trein, die toen twee keer per dag aankwam, kijken of de langverwachte man, zoon of familielid erbij was. Heftige taferelen speelden zich bij herkenning van een geliefde of kennis af. Ondanks dat ik de laatste maanden wel wat gewend was kon ik dat weerzien niet met droge ogen aanzien.

Het onverwachte bezoek

De autoriteiten in Bergen op Zoom hadden voor vervoer gezorgd. Zo werd ik in een soort legervoertuig met chauffeur naar het door mij opgegeven adres in de grensplaats Putte gebracht. Groot was de verwondering bij de familie toen ik onverwachts voor hun deur stond. Nog geheel onwetend, kregen zij een haveloze neef op bezoek. Omdat zij in het najaar van 1944 al waren bevrijd en wisten niet dat ik slachtoffer van de Arbeidseinsatz naar Duitsland gedeporteerd was geweest. En wisten ook niet, net zomin als ik, hoe de familie het er in de hongerwinter in Rotterdam had afgebracht.

Maar de ontvangst van tante Janna, een zuster van mijn vader en de kinderen was allerhartelijkst. Maar oom Willem had moeite met mijn komst. Hij had grote bezwaren mij te huisvesten in het door oorlogsgeweld grotendeels verwoeste huis. Ik zag de ruïne aan en begreep dat mijn komst voor hen problematisch was en had wel enig begrip voor de bezwaren. Maar in tijden van nood ligt de solidariteitslat op een hoger niveau. Juist op het moment dat ik op punt stond om bij de autoriteiten voor een ander onderkomen te gaan pleiten, greep tante J. in. Zij kon het niet over haar hart krijgen dat ik als zoon van een van haar oudere broers in deze situatie van de deur werd gejaagd. Dus mocht ik met de nodige aanpassingen, blijven.

Mijn familie runde in dat half vernielde huis in de Grensstraat ook nog eens een viswinkeltje. Maar toch zag zij kans om met passen en meten, mij het idee te geven dat ik toch welkom was. Met de bedoeling dat ik totdat de quarantaine in het Westen was opgeheven daar zou blijven en tot rust zou komen. Ik kon met de drie kinderen die jonger waren dan ik goed opschieten. Tijdens de weken dat ik er was had ik over de verzorging niets te klagen. Lichamelijk en geestelijk enigszins bijgekomen werd na de opheffing van de quarantaine, in overleg met de plaatselijke autoriteiten de terugreis naar Rotterdam aangevangen. Oom W. heeft mij na afscheid van de familie s morgens vroeg met de auto een oud legervoertuig weer naar Bergen op Zoom gebracht.

Eindelijk naar huis.

Opgevangen door de autoriteiten in Bergen op Zoom ben ik per trein weer naar ‘s-Hertogenbosch gereisd.

Daar vond een verzameling plaats van dwangarbeiders die naar Rotterdam en omgeving moesten. Nu volgde de reis verder per boot. We werden ingescheept in een soort passagiersvaartuig en gingen op weg naar Rotterdam. Het was mooi weer en de stemming aan boord was uitstekend er werd gelachen en gezongen, eten en drinken was er voldoende eindelijk gingen we ……. naar huis. Na een lange reis meerden we s avonds af aan de Boompjes.

Bij de Rotterdamse bewoners was, door het ontbreken van communicatie natuurlijk niet bekend wie er op het schip waren. Toen we ter hoogte van de Feijenoordkade voeren, herkenden een aantal bewoners door seinen, roepen en schreeuwen en/of fluiten, bekenden op de boot.

Hartstochtelijk taferelen speelden zich af. Het onverwachts op afstand en niet te bereiken in leven weerzien van familie en geliefden was aandoenlijk. Sommigen wilde gelijk over boord in het ijskoude water springen om naar huis te zwemmen, zij moesten door anderen worden tegen gehouden.

Avonds bij de Boompjes naast de oude Willemsbrug moest na de ontscheping iedereen maar zien dat hij thuis kwam. Maar hoe, dat werd een raadsel. Onderweg hadden we al uitgemaakt dat de tram een oplossing zou zijn. Mis poes, de tram reed door de gebrekkige elektriciteitsvoorziening na zes uur s avonds niet meer. Dus zat er niets anders op dat een ieder te voet naar huis moest. Ongelooflijk was de chaos die ik op weg naar Bloemhof in Zuid onderweg tegenkwam. Asfaltwegen waren, op zoek naar kolen en sintels, opgebroken. Grote putten en bergen achterlatend. Soms moest je er gewoon omheen lopen. Afgebroken schuttingen, gerooide bomen e.d. waren allemaal het gevolg van zoeken naar iets brandbaars. De mensen zagen er na die hongerwinter mager, uitgeput en haveloos uit. Het lijden stond op de bleke gezichten getekend.

Willemsbrug Rotterdam
Willemsbrug Rotterdam Bron; https://couvreur.home.xs4all.nl

Eindelijk thuis

Het is vreemd, maar zoals in deze beschrijving ook blijkt kan ik mij de belevenissen gedurende het gedwongen verblijf in Duitsland nog heel veel herinneren. Maar de thuiskomst in het ouderlijk huis is voor mij een grote zwarte vlek. Ik kan mij er weinig, of beter gezegd niets meer van herinneren. Zelf was ik dolblij weer thuis te zijn neem ik aan, en dat zal bij mijn ouders ook wel zo zijn geweest. Ze zijn nu overleden dus kan ik ze voor een opheldering niets meer vragen. Navraag bij de thuisblijvers leverde ook niets op.

Wel weet ik nog dat bij thuiskomst ons grote gezin heel klein was. In de honger winter zijn drie jongere zusters naar kennissen in Drenthe gelopen. Mijn oudste zuster was opgenomen in een sanatorium in Hellendoorn.

Ik was terecht zeer verheugd, dat ondanks alle vreselijke verhalen die de ronde deden, alle familieleden betrekkelijk goed de hongerwinter waren doorgekomen. In de weken die volgden kwamen vele mannen uit alle windstreken (on)geschonden weer thuis. Anderen nooit meer en lieten bij de nabestaanden veel vragen achter. Ondanks dat we gedwongen waren voor de Duitse oorlogsindustrie te werken werd je door sommige landgenoten toch met de nek aangekeken.

Dwangarbeider zijn in een door oorlogshandelingen geteisterd vijandig land is verschrikkelijk, dat heb ik aan den lijve ondervonden. Maar zoals in de hongerwinter, dat men weerloos moest toezien dat vrouwen en kinderen in je directe omgeving van honger en uitputting dood gingen, is evenmin een pretje.

Iedereen probeerde na de ontberingen, bij gebrek aan alles, op eigen kracht vanuit een betrekkelijk nulpunt het leven weer op te pakken.  Slachtofferhulp bestond toen nog niet. Ieder had zijn eigen verschrikkelijke oorlogsverhaal en moest daar maar mee in het reine zien te geraken.

Ons gezin was weer compleet toen de andere meiden, gezond en wel uit Drenthe thuis kwamen. Het normale leven begon met horten en stoten weer een beetje op gang te komen.

Overal in de stad werd met beperkte middelen op straat de bevrijding gevierd. Muzikanten haalden hun instrumenten uit de kast en uit de ondergedoken radio s, in open ramen, klonken de nieuwste Amerikaanse en Engelse songs. Zelfs nu nog, ruim 60 jaar na de bevrijding krijg ik nog koude rillingen als ik muziek uit die tijd hoor. Vlaggen en versierselen werden uit de mottenballen gehaald. Podia werden provisorisch in straten in elkaar getimmerd. Er werd bijna dagelijks ergens in de buurt tot laat in de avond op straat uitbundig gefeest en gedanst.

Wat betekend vrij zijn

Ik heb me, na 8 maanden ellende, onheil, ontberingen, omzwervingen en oorlogsgeweld, zoals zo velen me gelukkig goed kunnen herstellen. Maar zoals dit schrijven bewijst, vergeten kan ik het nooit. Het is een onlosmakelijk deel van mijn leven geworden. Anderen tobben er tot aan het eind van hun leven nog mee.

Zij zijn voor hun verdere leven lichamelijk en geestelijk beschadigd en kregen op latere leeftijd met terugslagen te maken. Ik ben destijds als aanstormende puber noodgedwongen met grote stappen naar de volwassenheid gegroeid. Mijn jeugd was naar de knoppen.

Wat op 12 jarige leeftijd in mei 1940 als een spannend jongensboek begon, eindigde na 5 jaar als 17 jarige met diverse zwarte bladzijden als een vreselijke nachtmerrie. Van een hele reeks moeilijke woorden hoef ik de betekenis nooit meer in een woordenboek op te zoeken. Ik heb ze in die laatste stuiptrekkingen van het Nazidom (in) direct ervaren.

Meer dan een jaar na de invasie in Normandië was het na mijn thuiskomst dan zover, eindelijk waren we weer VRIJ, straatarm maar VRIJ !!. Bevrijd van die vreselijke Duitse bezetting. Mensen van mijn generatie die oorlog en bezetting hebben geproefd, weten hoe vrijheid smaakt. Vrij bewegen, zonder bedreiging of beperking zeggen wat je wil, gaan waar je wil. Geen angst meer voor overvliegende vliegtuigen.

Het was een hele omslag en gewenning. En ik hoop in al mijn vezels dat mijn nageslacht nooit met een oorlog of bezetting te maken zal krijgen. De herinnering aan dat verschrikkelijke verleden is blijkbaar nog onuitwisbaar in mijn wezen aanwezig. Het komt op gezette tijden (meestal rondom de kerst) uit het niets weer opborrelen.

Ik ben nu 80 jaar geworden en ga mijn relaas over de belevenissen tijdens en na de Razzia 1944 eindigen. De wens om mijn verhaal alsnog op papier te zetten zegt voldoende over de impact die het voor mij heeft gehad”

Stichting Behoud Oorlogsherinneringen