Max, een Joodse jongen uit Woldendorp

Pas acht jaar is Max, een jongen uit Woldendorp, als hij op 2 november 1942 samen met zijn moeder Johanna Oudgenoeg-Frenkel, en zusjes Henderika en Frouktje wordt vermoord in vernietigingskamp Auschwitz. Zijn vader is onderweg naar Auschwitz uit de trein gehaald en moet eerst nog werken voor de nazi’s. Hij bezwijkt in 1943 in een werkkamp.

Max en zijn familie woonden aan de Klapsterweg 2 in Woldendorp. Een gewone jongen, die samen met de andere kinderen naar school gaat. Max, die officieel Markus heet, is geboren op 2 april 1934 aan de Oude Schans in Delfzijl. Hij is genoemd naar zijn opa Markus Oudgenoeg, die in Weiwerd een grote bekende kledingzaak had.

Max (8), Frouktje (2) en Henderika (6)

In die tijd waren er in alle straten nog heel veel winkeltjes en andere zaakjes, behalve de winkel van Oudgenoeg waren er ook cafés, kruideniers en een slager. Waar nu Bouma’s Troef zit, daar had je bakker Buist en daarnaast zat kapper Bult. Zijn zoon Pieter zat ook bij Max op school. Max zijn opa had als een van de weinigen een auto in de wijde omtrek. Woldendorp had wel een tramstation. De tram stopte voor Café Old Inn, dat was vroeger de wachtruimte voor de tram.

Chevrolet van opa Oudgenoeg. Gekocht in 1938. De
auto is in 1942 door de Duitsers in beslag genomen.

Max heeft twee jongere zusjes: Henderika die twee jaar jonger is en Frouktje die zes jaar jonger is. Henderika is net als Max in Delfzijl geboren en Frouktje in Woldendorp. Ze zijn daar naar toe verhuisd, omdat Opa Oudgenoeg daar een winkel voor zijn zoon en schoondochter heeft laten bouwen. Het is een manufacturenwinkel waar je kleding kan kopen voor dames, heren en kinderen. Ook kunnen de mensen er terecht voor gordijnen en beddengoed.

Rechtsvoor de manufacturenwinkel van Max zijn ouders

Dina Haveman, die bijna twee jaar ouder was dan Max, herinnert zich hem en zijn zusjes nog goed. ”Het waren heel mooie kinderen en Henderika had prachtige krulletjes.”

Zelf woonde Dina in Baamsum en ze kwam met haar moeder en zus wel eens in de winkel van Max zijn ouders. ”Dan kreeg ik bijvoorbeeld een mooi jurkje”. Tijdens zo’n winkelbezoekje komen de moeders er toevallig erachter dat Max en Dina allebei naar het ziekenhuis in Groningen moeten om hun amandelen te laten knippen. Dat was vroeger een hele reis.

In de oorlog verandert het leven voor Max en zijn familie totaal. Trijntje Generaal, die bij Max op school zat, herinnert het zich als de dag van gisteren. ”Ineens waren er twee in zwarte uniformen gestoken mannen op het schoolplein, ze namen Max en zijn zusje mee. Het was afschuwelijk, dat zal ik nooit vergeten. Henderika moest heel hard huilen en wij stonden er bij en keken er naar, maar begrepen niet wat er aan de hand was. Wel herinner ik me nog goed dat de ene meester de kinderen op school wilde houden en dat de andere meester zei, dat ze weg moesten.’ Officieel moesten Joodse kinderen vanaf 1 september 1941 naar aparte scholen, maar die had je in Woldendorp niet. Waarschijnlijk zijn Markus en Henderika gewoon op school gebleven tot ze zo ruw van school zijn weggehaald”

De school waar Max en Trijntjo op zaten.

Dorpsgenoten herinneren, dat de familie Oudgenoeg steeds teruggetrokkener gaat leven. Max en Henderika mogen niet meer naar school en soms trekken hun ouders overdag de gordijnen dicht. In maart moeten opa en oma en andere familieleden die in Weiwerd en Delfzijl wonen verplicht op de trein naar Amsterdam om zich te melden. Niemand weet wat er gaat gebeuren, alleen dat Joodse mensen steeds minder mogen. Oom Jaap (Jakob), ziet het niet zitten om naar Amsterdam te gaan en komt bij Max en zijn familie wonen.

Oom Jaap (Jakob) rond 1940

Max’s moeder biedt aan om samen met de auto van opa en oma te gaan. Dina: ”Het was zo’n ouderwetse auto, waarbij je eerst op een treeplankje moest stappen. Gezamenlijk reden we naar het Academisch ziekenhuis. Max en ik lagen naast elkaar op operatiestoelen onze armen en benen met riempjes vastgegespt. We kregen een verdoving en daarna zijn onze amandelen geknipt.”

Oom Jaap duikt onder De familie Oudgenoeg wordt steeds banger. Max zijn ouders vertellen aan hun vrienden, de familie Van Delden die verderop aan de Klapsterweg wonen, dat ze een oproep hebben gekregen om zich te melden. Ze moeten naar een werkkamp in Polen. Oom Jaap besluit om onder te duiken en vindt een schuiladres bij de familie Lesman in Meedhuizen. Om de Duitsers op een dwaalspoor te brengen, doet hij net alsof hij naar zijn ouders in Amsterdam reist en vertelt hij helemaal niemand wat hij van plan is.

Max’s moeder brengt haar servies in veiligheid bij haar vriendin Hinne van Delden, die begraaft het in de tuin. Als de oorlog voorbij is en Hinne er achter komt dat haar vriendin en haar gezin de oorlog niet overleefd hebben, graaft ze het servies op. Helaas is alles aangetast behalve het tinnen suikerpotje. Jaren later zal Fokje, de dochter van Hinne dit suikerpotje aan oom Jaap geven. Hij is de enige die de oorlog veilig is doorgekomen.

Op 29 april 1942 voeren de Duitsers de Jodenster in en is ook Max verplicht om er eentje op zijn kleren te dragen. Op 12 juni 1942 moet hij zijn fiets inleveren en zo wordt het leven steeds moeilijker voor Max en zijn familie.

Op 29 april 1942 voeren de Duitsers de
Jodenster in en is ook Max verplicht om er
eentje op zijn kleren te dragen.

Een paar dagen nadat oom Jaap vertrokken is, is het zover. Zondagavond 25 oktober 1942, moeten Max, Henderika, Frouktje en hun vader en moeder op last van de Sicherheitspolizei met de tram naar Winschoten. De koffers die ze mogen meenemen liggen op een melkkar en daar zitten de zusjes bovenop. Zo lopen ze naar de tram.

Dorpsgenootje Maria Wezeman en haar ouders komen dan net langs. ‘Misschien zijn wij wel de laatste Woldendorpers, die hun de hand gedrukt hebben.’ De dag daarna is de familie Oudgenoeg naar kamp Westerbork gebracht. De volgende nacht worden ze op de trein naar Auschwitz gezet.

Daar wordt Max samen met zijn zusjes en moeder op 2 november 1942 vermoord.

In Wolderdorp is voor Max een struikelsteen geplaatst in de stoep voor het huis waar hij vroeger woonde. In totaal liggen er vijf. Eentje voor Max, voor Henderika, voor Frouktje, voor zijn vader en een voor zijn moeder.

Stichting Behoud Oorlogsherinneringen