“Ik ben geboren in 1931 en was acht jaar toen we overvallen werden door de Duitse overmacht. De ogen en oren zijn van een jongen van acht jaar. Ik wil toch, wat ik toen heb gezien en gehoord aan het papier toevertrouwen. Het verhaal wat op waarheid is gebaseerd, draag ik al 77 jaar met me mee.

Ons gezin, dat bestond uit vader, moeder en acht kinderen woonden in het Jaffa 27a, op 1e etage. Het huis boven ons stond leeg, want wie wil er nou boven een gezin van 10 mensen wonen? Het was 1940, een huis huren was toen niet zo moeilijk. Als je een huis huurde dan werd er door de eigenaar behangen en geschilderd en de eerste week hoefde je dan geen huur te betalen. De dreiging van de Duitsers werd steeds groter. Mijn vader zei tegen ons: als er bommen worden gegooid, moeten jullie tegen de muur van de poort aan gaan staan. Wij grensden aan het Jaffahof, dus dat leek ons geen goed idee. De volgende dag had hij een ander idee: als er bommen zouden worden gegooid, moesten we in het trappenhuis bij de W.C gaan staan. Dat leek ons een beter idee.

14 mei 1940 brak aan. We zaten in grote angst. Het bombardement was begonnen. Gelukkig werd er gebeld door een buurman die riep: “de Natte kom met vrouw en kinderen naar beneden, we vluchten naar het Kralingse Bos”. Onze moeder pakte vlug wat kleding bij elkaar en wat beddengoed en knoopte het in een laken. Het was zo bij elkaar gepakt, want we hadden niet veel. Snel de trap af. Daar werden de kinderen in de Korf opgevangen in een pakhuis. De volwassenen stonden een verlengde handwagen te laden met allerlei spullen. De handwagen was van een waterstoker uit de Jerichostraat die er normaliter zijn ambulante handel mee deed. De jongste kinderen mochten op de handwagen zitten en de hele stoet vertrok.

Vanuit de Korf heb ik het zien gebeuren. Als je naar rechts keek door het raam, zag je bommen vallen richting Schoutenstraat. Zoals ik het zag waren het stukjes potlood vanaf die afstand, maar ze hadden een vernietigende uitwerking. Voordat we bij het bos waren vroeg ik aan mijn broer Jaap: “Hoe komen we nu aan eten”? Hij zei: “Dat vragen we wel aan boeren”. We hebben toch een stukje door het bos gelopen, maar de mannen zochten een diepe greppel uit om daarin te schuilen en te overnachten. De greppel was snel gevonden en iedereen werd aan het werk gezet, want zeiden de mannen: “We gaan de greppel afschermen, zodat we van bovenaf niet te zien zijn”. Dat was nog een hele klus, want het was pas net mei en takken met bladeren waren er niet veel.

Mijn broers en mijn zussen kregen het even benauwd toen er vanuit de groep geroepen werd: “Maak die hond dood, want die is wit! Dat zien ze vanuit de lucht”! Gelukkig waren er wat kleinere kinderen die een jasje over Max deden. Max liet zich gewillig aankleden en het probleem was opgelost. Je begrijpt dat Max onze hond was!

De greppel was afgedekt en we gingen oefenen om de nacht door te brengen. We moesten om en om gaan zitten en dat liep heel goed tot ik als enige niet in de greppel zat. Toen zei Mevrouw Sjaan Ameling – van Kleef: “Kom maar hier zitten, ik heb nog wel een plekje over.” Wij wisten toen nog niet dat ik, 15 jaar later, met haar dochter Diny zou trouwen. De vliegtuigen bleven maar overvliegen. Op een gegeven moment gooide een vliegtuig pamfletten boven het bos uit. Daarin stond dat Nederland zich had overgegeven en wij naar onze woonhuizen moesten terugkeren. Wij waren bezet door de Duitsers, maar wij zouden er niets van merken. De hele stoet werd weer verzameld en kon terug naar huis. Voordat we teruggingen, kwamen Hollandse soldaten aan ons vragen om burgerkleding. Wat we konden missen hebben we gegeven. Zij wilden niet als Hollandse soldaten in handen vallen van de vijand. Door de dreiging van de Duitsers om steden als Amsterdam, Den Haag, Utrecht en Haarlem hetzelfde lot te laten ondergaan als Rotterdam, werd door de bevelhebbers besloten om zich over te geven. Op 15 mei 1940 werd de capitulatie in Ridderkerk getekend. We waren bezet door de Duitsers.

Terug in het Jaffa waren flink wat ruiten gesprongen door de druk van het bombardement. Waar ik me eigenlijk nog steeds over verbaas is dat mensen gingen plunderen. Bij Vink Conserven werden grote blikken zure bommen weggehaald. Iedereen liep bij de kaaswinkel naar binnen, ik erachteraan. In de etalage zag ik kaas liggen. Die neem ik mee, dacht ik. Thuis aangekomen vraagt mijn vader: “Wat heb jij daar? Geef maar aan mij.” Hij klopte er op en zei vervolgens: “Die is van hout”. Het bleek dus een nepkaas te zijn die in de etalage lag. Ondanks de bezetting ging mijn moeder altijd eten halen bij de Hollandse soldaten die toen nog in de H.B.S. gelegerd lagen. Daar werd eten uitgedeeld wat over was van het avondeten van de soldaten. Na verloop van tijd zijn de soldaten daar verdwenen en was onze etensvoorziening ook afgelopen.

Mijn vader, die van de steun trok, kreeg per week fl. 13,25. De huur was fl. 5,25. Er bleef dus 8 gulden over om met zijn tienen van te eten en iedereen van verdere zorg te voorzien. De ene keer had hij een baantje, de andere keer was hij weer werkeloos. Wel moest hij twee keer per dag komen stempelen om te laten zien dat hij niet werkte. Die fl.13,25 moest hij iedere vrijdag komen halen bij de steun. De kinderen kregen een kledingkaart en klompenkaart. Wij waren kinderen van een steuntrekker! Na 14 mei werd mijn vader aan het werk gezet om puin te gaan ruimen van het bombardement. Hij kwam in dienst bij de DiWeRo (Dienst wederopbouw Rotterdam). Een strook van de Kralingse Plas, vanaf de Jericholaan tot aan de Kortekade, is gedempt met puin van de gebombardeerde huizen. Het bombardement had honderden doden veroorzaakt. Meer dan 2000 mensen raakten gewond en heel veel mensen werden dakloos. Er waren vreselijk veel woningen vernietigd.


Brandend Rotterdam Bron: www.historiek.net

Tot 1943 heb ik op verschillende scholen gezeten, na dat jaar ben ik niet meer naar school gegaan. Wij hebben alle zeilen bij moeten zetten om met de familie deze oorlog te overleven. Iedereen moest een persoonsbewijs en een stamkaart hebben waarmee je bonnen kreeg voor voedsel en schoeisel.

Tijdens de razzia in 1943 heeft mijn moeder zeker een hoofdprijs verdiend voor haar toneelspel. Mijn broer Kees moest gezien zijn leeftijd naar buiten komen. Kees kwam niet, totdat er werd aangeklopt en een Duitse soldaat naar boven kwam om hem te halen. Mijn moeder had Kees een korte broek aan laten trekken. Hij was niet al te groot en zag er dus vrij lullig uit voor zijn leeftijd. Mijn moeder heeft de rol van haar leven gespeeld en met veel emotie de Duitser weten de bewegen om hem niet mee te nemen. De Duitser vertrok, maar als het er op aan zou komen moesten wij niet zeggen dat hij bij ons was geweest.

De poort van het Jaffahof werd gebruikt als vuilstort door de bewoners. De hongerwinter zijn we hoe dan ook doorgekomen, zelfs mijn opa de Jong mocht bij ons mee-eten. Hij had hongeroedeem. Als je een vinger in zijn kuit drukte bleef het kuiltje van je vinger er heel lang in staan.

Ondanks de invasie op 6 juni 1944 in Frankrijk begon heeft het nog tot 5 mei 1945 geduurd eer wij aan de beurt waren. De geallieerde soldaten verbleven in een tentenkamp in Park Rozenburg en hadden hun recreatie op de ijsclub en in de sportzaal. Voor ons jongens was dat heel leuk, zeker toen wij de bukshag ontdekten. Van de peuken die de soldaten weggooiden maakten wij shag. Als er een soldaat stond te roken bleef je zo dicht mogelijk in de buurt. Er waren erbij die nogal grote peuken weggooiden. Ik weet nog goed dat ik een keer stond te wachten bij een soldaat tot hij zijn peuk vlakbij zijn schoen liet vallen. Ik twijfelde of ik de peuk zou oppakken of dat ik even zou wachten. De verleiding was te groot en ik maakte de beweging om de peuk te pakken… Gelijk zette de soldaat zijn schoen op mijn hand! Ik heb een hele verhandeling moeten aanhoren hoe slecht het was om peuken te rapen. En ik rookte zelf niet eens! Je kon er allerlei ziekten van krijgen die een soldaat eventueel met zich meedroeg.

Aan de bevrijding ging nog dolle dinsdag vooraf. Iedereen naar de Oudedijk, men dacht dat we bevrijd waren tot er een Duitser plotseling begon te schieten. Mijn zus Cor was er ook met haar vriendin Annie Vermeer. Gelukkig maakte een mevrouw de deur open en konden zij zo naar binnen. Mijn zus was wel een schoen kwijt.

Wat ik tenslotte nog kwijt wil, is dat ik zeer dankbaar ben voor de velen die hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid.”