Wim Thomassen

Door Wim Verbunt, verhalenverteller / 1 juni 2022 in Reusel

Wim is geboren in 1932, hij woonden tot 1948 in de Brede Haven op nummer 29 in ’s Hertogenbosch.

Zijn vrienden waren Jan en Wim Stolzenbach en Driek Venrooy, Iet (het enige meisje) en John van Laarhoven (John zat ondergedoken) Wim is de oudste van het gezin bestaande uit vader, moeder, vijf jongens en een meisje na de oorlog werd het gezin nog met vier kinderen uitgebreid.

Zijn vader werkte vóór de oorlog op de scheepvaart als stoker, later werd hij stoker in de gebouwen van de Sicherheitsdienst en Ortscommandant in ’s Hertogenbosch. Wim kan zich nog heel veel zaken goed herinneren. Zij waren met de oorlog en leger helemaal niet bekend, voor hen was het een vreemd gezicht dat het leger met huifkarren met elk twee paarden ervoor door de Orthensestraat reden met een kanon erachter.

Wim ging met zijn vrienden op eten en kolen uit. Zo gingen ze op woensdag naar de Veemarkt met een kinderwagen met hun zusjes erin. Daar was een Jodenbakker waar de Duitsers hun brood haalden. De huifkarren stonden daar om brood in te laden. Terwijl de soldaten aan de Schnaps zaten hielpen hij samen met zijn vrienden bij het inladen van de huifkar met zuurbrood (kuch): vier broden van voren erin en twee langs achteren in de kinderwagen, een deken eroverheen en daar hun zusjes bovenop. Voor hun hulp kregen ze van de Duitsers nog ieder vier of vijf broden.

Ze gingen te voet naar Sint Michielsgestel, Den Dungen en Cromvoirt om bij de boeren textielbonnen te ruilen tegen aardappelen, en vlees. In de krant stond meestal vermeld als er op zaterdag vrijbankvlees bij het slachthuis te halen was, je kreeg dan het dubbele gewicht op één vleesbon. Daarvoor moest Wim dan wel om 04.00 uur opstaan. Er werd ook afvalvlees gehaald om balkenbrij of zult van te maken. 

Zijn moeder en tante waren een keer met de bus naar Poppel gereden om boter te halen die smokkelden ze dan onder hun jurk terug naar ’s Hertogenbosch, maar het was zo warm dat de boter onder hun jurk vandaan smolt. 

Met kerstmis was er op de kantoren van de Sicherheitsdienst en Ortscommandant altijd feest. Wat er na afloop over was mocht zijn vader mee naar huis nemen. Daar verdeelden zij het over hun buren, dat was meestal een royale maaltijd met soep en koude schotel. 

In 1944 werd de Kin vermoord de bijnaam van een zeer fanatieke NSB’er hij heette in het echt Piet van Bussel, hij hoorde bij de jagers die op mannen jaagden die de Arbeitseinsatz ontweken. Er werd toen door Wim en zijn vrienden het lied gezongen: ''Heb je wel gehoord, dat de Kin is vermoord. Hij ligt in het KerkstraatjeDaar ligt die halve gek met zijn tong uit zijn bek Nou hebben de mensen praatjesDe kin, de kin die gaat het kistje in. Zijn daden benne groot 2xEn dat kostte hem zijn dood''.

Wim haalde in een schoendoos postduiven op in het café van Gerrit Schulten (bekende wielrenner) aan de Ridderstraat, deze moest hij dan stiekem afgeven aan iemand op de Parade. Deze duiven werden gebruikt voor de onderduikers om berichten door te sturen. Wim vertelde dat zij als kind makkelijk hun gang konden gaan, die werden niet gecontroleerd. 

Een keer, tijdens een luchtalarm, waren ze met het hele gezin de kelder ingevlucht en hoorden ze één inslag, toen Wim naar boven liep lag er op hun bed een niet ontplofte granaat. Hij had die opgepakt, zijn vader riep: “houdt hem goed vast!” Nam deze over en gooide de granaat in de gracht. 

Onderduikers hadden een plek gevonden in een lege rioolbuis in de muur van de buitenhaven aan de Dommel. Met ijzers om rails aan spoorbiels vast te maken werden traptreden gemaakt om bij de rioolbuis te komen. De vluchtroute liep door het keukenraam bij Wim aan huis over het platte dak, en met een sprong over de steeg konden ze via de Dommelmuur naar hun schuilplaats. 

De bedrijven Beekwellen en Sars vervoerden steenkolen. Wim en zijn vrienden namen emmers mee en stonden de vrachtwagens op te wachten op de hoek Visstraat en Hoge Steenweg. Als het verkeerslicht op rood stond, trokken ze de klep achter los. Bij het wegrijden viel er een hoop kolen uit de bak op de grond, daar vulden zij dan hun emmers mee. 

Ze haalden ook kolen bij de spoorwegen tegenover de Verkade fabriek, ’s morgens om 04.00 uur. De draaibrug de Dommelbrug was half opgeblazen en door een gat in de reling konden ze daar doorheen kruipen om bij de kolen te komen. 

In 1944, tijdens de koudste winter sinds jaren, had Wim met zijn vrienden op de zolder van houthandel Laferte al het hout eruit gesloopt.

Bij Hotel Royal hoek Lepelstraat – Visstraat jatten ze aardappels. 
Wim hielp de melkboer met het rondbrengen van de melk, hij vertelde dat de melk onderweg regelmatig verdund werd met water. 

In oorlogstijd werkte Wim bij André van Hilst en reed rond op een fiets met voorop een mand. Daar stond op met AVH.

Aan het einde van de oorlog stond in de Visstraat een Amerikaanse tank met een kapotte loop. Wim met zijn vrienden haalden die helemaal leeg, chocolade, sigaretten, porc (varkensvlees) en witbrood. 

Wim kan zich nog herinneren dat de gevangen Duitse soldaten in groepen langs kwamen met hun monden open van de honger. Hij gaf ze een zak met broodkruim. Op mijn vraag waarom, haalde hij zijn schouders op: “Ik denk uit medelijden, zij konden er ook niets aan doen, ze deden hun plicht.” 

Ze stalen brood, kolen en aardappels om te overleven. Maar vernielen deden ze niets. 

Na de oorlog is Wim een aantal jaar gaan werken bij circus Mikkenie en later ging hij werken bij de spoorwegen in de slaaptrein, bedden opmaken enz. Dat laatste heeft hij veertig jaar gedaan. 

Nog een liedje: ''Oh kleine Duitse herders jongen. Waar ben je aan begonnen. Met die zware mitrailleurs en kanonnen. Kun je lekker niet in Engeland kommen''

Wim hoopt dat door het openbaar maken van zijn verhaal nog contact kan krijgen met zijn vrienden of familie ervan, het gaar om: Jan en Wim Stolzenbach en Driek Venrooy en Iet en John van Laarhoven.

 

Dit verhaal hebben we ook op onze facebookpagina geplaatst. Zie hier de reacties op dit verhaal.