Harrie Raaijmakers, Mario Coolen, Henk van der Westerlo

Het bevrijdingsmonument bij de spoorwegovergang op de hoek Hoofdstraat/Houtse Parallelweg is een roestkleurige boerderijgevel van cortenstaal met daarin een dubbele deur. Op de rechterdeur een tekening van Francien Coolen, die tevergeefs het leven probeert te redden van de 2e Lt. John Bruce Millar. Op het middelste paneel vijf historische foto’s met toelichting.

Op 5 april 2023 stonden we bij dit Herdenkingsmonument in Mierlo-Hout (tegenwoordig gemeente Helmond), precies op de plek waar zich op vrijdag 22 september 1944 een hevige strijd afspeelde tussen de Duitse en Britse troepen. Drie bestuursleden van de “Stichting Herdenkingsmonument Mierlo-Hout”, voorzitter Mario Coolen en penningmeester Henk van der Westerlo, (in 2005 al mede-initiatiefnemers) zijn sinds “DAG ÉÉN” dus betrokken bij deze betekenisvolle plek. Samen met secretaris Harrie Raaijmakers vertellen zij ongelooflijk gedetailleerd wat daar op die bevrijdingsdag, meter voor meter en met elk getroffen huis, is gebeurd.

 

Henk beheert een uitgebreid archief. Maar kennelijk geldt voor alle drie dat zij met de zorg om deze lokale hot spot nagenoeg dagelijks bezig zijn: onderhoud van het “Memorial Park” rondom het monument, in binnen- en vooral buitenland speuren om de gegevens te completeren van wie hier destijds in het oorlogsgeweld het leven lieten onder de inwoners, maar ook bij de Britse en Duitse eenheden. En natuurlijk vraagt de organisatie van de jaarlijkse herdenking op 22 september hun intensieve inzet. Zo lukte het bijvoorbeeld om bij de herdenking in 2015 nog eens een echte Shermantank ter plekke te krijgen, van het type waarin commandant John Bruce Millar dodelijk gewond werd door Duits vuur.

v.l.n.r. Harrie Raaijmakers, Mario Coolen, Henk van der Westerlo

Het monument onderscheidt zich van veel andere door de indringende historische beelden, die ons het oorlogsgeweld laten herbeleven. Daarnaast staan er de namen op van de veertien burgers (links) en  drie Britse militairen (rechts), die bij de bevrijding van dit gebied omkwamen.

 

Iemand die zich daar die 22e september 1944 letterlijk onversaagd op het strijdtoneel begaf was de tante van Stichtingsvoorzitter Mario Coolen. De dappere jonge verpleegkundige, Francien Coolen, was sinds 1940 gediplomeerd EHBO-er en medewerkster van het Rode Kruis.

Francien Hermans-Coolen heeft haar ooggetuigenverslag van de oorlogshandelingen bij de spoorwegovergang en in de Hoofdstraat onder andere laten optekenen door Leo van Aerle (+16.05.2012), samen met Henk van der Westerlo en Mario Coolen, 18 jaar geleden, de initiatiefnemers om te komen tot de “Stichting Herdenkingsmonument Mierlo-Hout”.


Francien vertelde aldus gedetailleerd wat zij op die oorlogsdag had meegemaakt:

"Ik woonde in die tijd nog bij mijn ouders die op de hoek van de Parallelweg-Hoofdstraat een schoenwinkel hadden. (direct grenzend aan Memorial Park, met het monument J.S.)

De winkel was al door de Duitsers geplunderd en beschadigd. De bomengalerij ervoor aan de kant van de Hoofdstraat was door terugtrekkende Duitse pantservoertuigen omver gereden en alle winkelruiten waren vernield. Alles was met planken dichtgetimmerd. Op woensdag waren ook wij naar Lungendonk in het nabijgelegen Lierop gevlucht. Donderdags besloot ik weer naar huis te gaan om ons varken en de konijnen te gaan verzorgen. Later die dag kwam ook Hendrik Görtz, de vriend van mijn broer Toon, om van schuiladres te wisselen. Toen begon vanuit Mierlo de beschieting van Mierlo-Hout. We probeerden nog naar Lungendonk terug te gaan, maar we werden door de Duitsers tegengehouden. Bij onze tweede poging verboden ze zelfs ons huis te verlaten. Er waren toen veel Duitsers in de buurt die zeer gespannen waren. Ze drongen ook verlaten huizen binnen. Om als meisje zo weinig mogelijk op te vallen, had ik een overall aangetrokken en een pet opgezet. We verbleven in onze kelder. 's Nachts kwamen er ook Duitsers. Even waren wij bang dat ze op zoek waren naar Hendrik maar voor hem hadden ze geen belangstelling. Ze moesten eten. Daarvoor hadden ze gezorgd door vermoedelijk in de boerderij tegenover ons eieren en brood weg te halen. Ik hoefde alleen maar te bakken. Ze gedroegen zich verder correct. Een van hen, een wat oudere soldaat, moet angstige voorgevoelens gehad hebben. Hij gaf mij zijn portefeuille en vroeg mij die te bewaren. Zou er iets met hem gebeuren, wilde ik ze dan naar zijn familie in Pommern sturen? Helaas voor hem heb ik dit moeten doen. Hij werd een paar uur later tijdens de aanval door een granaat gedood.

Vrijdagmorgen begon de aanval rond half zeven en hoorde ik overal schieten. Voorzichtig besloot ik te gaan kijken vanuit de werkplaats op de hoek van ons huis aan de Parallelweg. Door een kier van het dicht geplankte raam kon ik op de overweg en de spoorbaan richting Eindhoven kijken. Het zal ongeveer half negen geweest zijn toen de beschieting erger werd. Ik hoorde dat iemand aan de achterzijde van de werkplaats de deur intrapte. Ik schrok hevig en dacht natuurlijk weer aan Duitsers. Maar tot mijn grote verrassing stond daar een soldaat in een uniform dat ik niet kende. Een Engelsman? Ik geneerde me, want ik sprak toen nog geen woord Engels. Dat bleek ook niet nodig, want de man was een Nederlands soldaat van de Irene-brigade die voor de Engelsen een verkenning uitvoerde. Hij gaf mij een paar sigaretten en vroeg of ik wist waar de Duitsers waren. Daarna verdween hij weer. Het schieten werd heviger en de spoorwegwachterswoning aan de overweg werd getroffen. Nu zag ik Duitsers over de spoorbaan rennen. Sommigen gingen met mitrailleurs tussen de rails liggen. Anderen renden met Panzerfäuste (een Duits antitankwapen J.S.) door de spoorsloot in de richting van Eindhoven. Daar zag ik aan de grote witte ster op tanks dat het Engelsen waren die mijn richting uit kwamen. Naast en achter de tanks zag ik ook Engelse soldaten lopen.

Het was afschuwelijk om te zien dat zowel Engelsen als Duitsers geraakt werden en bleven liggen. Sommige Duitsers bleven vuren tot de tanks misschien twintig meter van ze af waren. Dan gooiden ze hun mitrailleur weg en staken hun handen omhoog. Op vrijwel datzelfde moment reed een Engelse tank over de Hoofdstraat en stopte vlak voor de overweg, pal voor ons huis, vurend met zijn mitrailleurs. Daarna volgde een doffe harde knal en zag ik dat de bemanning van de tank er heel snel uitsprong. Een van hen was gewond en kroop langzaam de openstaande poort van de boerderij tegenover ons binnen. Die poort was opengevlogen door de luchtdruk, door projectielen veroorzaakt. (Daarom de open deur op het monument J.S.). Er kwamen meer tanks over de Hoofdstraat. Zij reden de overweg over. Ook de tank die geraakt was werd weer bemand en bleek toch nog te kunnen rijden.

Ik realiseerde me dat ik moest helpen. Ik ben eerst rennend gaan kijken of er nog mensen waren in de spoorwegwachterswoning. Maar daar was niemand meer. Daarna ben ik naar de Engelse soldaat in de boerderij gerend, in de hoop voor hem iets te kunnen doen. Het was eigenlijk nog een jongen, een paar jaar jonger dan ik. Later bleek dat niets hem meer had kunnen helpen. Ik heb hem nog een tijd in mijn armen gehouden totdat andere Engelse soldaten kwamen en hem overnamen. Hij was toen al overleden. Zoiets vergeet je natuurlijk nooit.

Het gevecht verplaatste zich naar de Mierloseweg. Ik had mijn vuurdoop gehad en ben gaan helpen gewonde Houtse mensen te verzorgen. Ook bij het bergen van een aantal doden heb ik meegewerkt. De lichtgewonden werden onder andere naar het zusterklooster gebracht en de zwaargewonden met Engelse ambulances naar het ziekenhuis in Geldrop"

Tot zover het verslag dat Francien heel eerlijk en zonder opsmuk van haar belevenissen gaf.

 

Pas bijna 49 jaar later kwam Francien – inmiddels al lang mevrouw Hermans – er achter wat de identiteit was van de jonge soldaat, die ze dood in haar armen had gehouden.

Het was de twintigjarige John Bruce Millar uit Norfolk. In de rang van 2e luitenant voerde hij het bevel over een afdeling tanks van het 3rd Royal Tank Regiment. Enige tijd na de gevechten werd hij samen met twee andere gesneuvelde Engelsen (infanteristen van het Monmouthshires Regiment) tijdelijk ter aarde besteld in de Slegersstraat, op enkele honderden meters van de plaats des onheils.

Informatiebord bij de noodbegraafplek in de Slegersstraat

De Regiments-aalmoezenier, kapelaan Charles Spenser Edgington, hield voor de drie militairen een eenvoudige dienst. Over deze aalmoezenier hieronder meer.

 

Francien was er ook getuige van hoe die beide andere jonge Britse infanteristen die dag om het leven kwamen. Sergeant Philip Davies (*28.7.1925) zag dat soldaat James Ion (*9.11.1922) geraakt was. Philip kroop naar zijn vriend toe om hem te helpen. Maar werd toen zelf ook dodelijk getroffen. Hij heeft nooit geweten, dat zijn gevaarlijke inspanning geen nut meer had kunnen hebben, omdat James al was overleden. Philip had dus niets meer voor James kunnen doen.  Daarbij was Francien dus van heel dichtbij opnieuw getuige van afgrijselijke taferelen. Maar zij bleef helpen. Toen ze voor de militairen niets meer kon doen, ging ze verder met het verzorgen van gewonde burgers op straat.

 

Terug naar aalmoezenier Edgington. Die schreef 14 dagen na de noodbegrafenis een troostbrief aan de moeder van Philip, waarin hij haar zoon een held noemde:

De zoon van aalmoezenier Edgington, Patrick, is intussen tweemaal in Mierlo-Hout bij het monument geweest.

Tekening van Francien met John Bruce Millar op het monument
gemaakt door Corné van Hout

Uiterst links op de foto: Francien bij een ontmoeting met Koningin Wilhelmina in Venlo

Boven/onder: Een tweetal fotopanelen, bevestigd op het monument in Mierlo-Hout

Interview:
*J. (Sjef) Smeets
Foto bronnen:
*M. Coolen Sr. (2e W.O. en bevrijding Mierlo-Hout)
*Collectie Stichting Herdenkingsmonument Mierlo-Hout
* Gedenkboek De Gouden Kroon 1898-1948