Jantje Bouwman - Bulthuis

Mw Jantje Bouwman-Bulthuis uit Loppersum, inmiddels 90 jaar oud, groeide op in Stedum ten tijde van de oorlog.

Interview door Riemke Oosterbeek

“Ik was 7 jaar oud toen de oorlog uitbrak. Op mijn 13e kende ik het Wilhelmus nog niet eens"

We waren met z’n achten. Ik was de vierde in de rij.  Vader, moeder, drie jongens en drie meisjes. Verder op in het dorp woonde Grootmoe, op het Vlaspad.

Vader was landarbeider. We hadden een grote groentetuin achter het huis. Honger hebben we nooit gehad. Aardappels telen deden we bij de boer, net als vele anderen uit het dorp. De jongens hielpen hierbij. Daarnaast hadden we een stuk of wat kippen en een varken. Of eigenlijk twee, eentje was voor de Wehrmacht.

Toen de oorlog uitbrak zaten we te ontbijten, vader was al aan het werk. Deze dag was net als alle anderen. Moeder zat op haar plek aan tafel en kon zo naar buiten kijken. Op dat moment kwamen er Duitsers op motoren langs. “Kiek, doar goan ze hin” zei moeder, die ze wel in sloot wilde schopp’n. Nederland zou neutraal blijven en dit gebeurde niet, dit maakte haar boos.

Moeder, voor het ouderlijk huis van mevrouw Bouwman.

De tuin was haar trots.

Het was oorlog. En toch ging het leven door in Stedum. Zo ook op school. Hier werd nooit over de oorlog gepraat. Ook werden er geen Hollandse liedjes gezongen. Wel werd er zoveel mogelijk gewoon les gegeven, ondanks dat het niet altijd mogelijk was naar school te gaan. Dan gingen we bij de meester langs met een schriftje om huiswerk te krijgen. Moeder probeerde dan een en ander uit te leggen. Dit was niet makkelijk.

 

 

De, toen nog Hervormde, school stond op de locatie waar nu het huidige Hervormd Centrum staat. Stedum was toen een stuk kleiner.

Op een dag was er een flinke knal, alles schudde. Meester deed de deur open een maande iedereen naar buiten te gaan. Wat bleek, de Duitsers hadden gepoogd de spoorlijn te bombarderen maar dit was mislukt. Maar de impact was zeker groot. De angst was zeker voelbaar.

 Uiteindelijk werd het station nog met regelmaat gebruikt, zeker ook door de Jeugdstorm. Dit waren de kinderen van NSB’ers. Dit vonden we prachtig om te zien. Kinderen, al roepend “HOUZEE”. En we mochten met ze mee lopen. Toen we dit later aan moeder vertelden zei ze kalm dat ze liever niet had dat we dat weer deden. Wij hoorden daar niet bij.

Naar mate de oorlog verder verliep werd dit ook in Stedum steeds meer zichtbaar. Je moest uitkijken tegen wie je wat zij. Er werd een NSB burgemeester aangesteld. Zelfs in de kerk zaten verraders. Dominee moest uitkijken wat er in de dienst gezegd werd.

Hervormde Bartholomeus kerk Stedum

Op een gegeven moment werd er bij ons thuis een inval gedaan. De Duitsers waren op zoek naar een radio. Wij kregen echter pas na de oorlog onze eerste radio.. Maar de Duitsers dreigden vader dood te schieten als er een radio werd gevonden. Het hele huis werd overhoop gehaald. Ze trapten zelfs tegen ons speelgoed aan. Wat werd ik boos!

Nu bleek de neef van vader wel een radio te hebben, maar vader zei niks. De Duitsers zaten bij de verkeerde Bulthuis. Iemand had ze verraden maar blijkbaar wisten de ze niet welke Bulthuis ze moesten hebben.

Het werd steeds strenger en de ramen moesten worden verduisterd met zwarte rolgordijnen. Ook was er een avondklok en moesten we zorgen dat we om acht uur binnen waren. Toch gingen we ‘savonds nog regelmatig naar Grootmoe toe. Zij stuurde ons dan op tijd naar huis.

 

Tegen het eind van de oorlog, het zal eind maart zijn geweest, stonden we buiten met de buren te praten. Grootmoe was er ook, het was mooi weer. Wij renden wat om vader en moeder heen. Vader keek op dat moment richting Loppersum en zag daar ineens Duitsers sluipend door het gebied trekken. Vader vertrouwde het niet en stuurde ons naar binnen. We mochten niet voor de ramen gaan staan en werden naar de achterkamer gestuurd. Ineens was er een dikke knal en er vloog vuur over de weg heen. We zijn toen gevlucht naar de kelder onder de bedstee, samen met Grootmoe. Toen het rustig werd kwamen we uit de kelder en vielen in slaap.

De volgende ochtend kwamen de Duitsers in alle vroegte terug. Weer moesten we mee naar de kelder. Nog half slapend en huilend. Er werd tegen de deur getrapt. Vader opende de deur en we werden met veel geweld uit huis gehaald. We moesten allemaal tegen de muur gaan staan met onze handen hoog. “Och Heere”….. ik hoor het Grootmoe nog zeggen.

-Er waren Canadezen in de buurt, zij bleken de Duitsers te hebben beschoten. Tegen over het huis lag een dode Duitser. Hierop ondernamen de Duitsers actie.-

Vader kreeg een tik met de kolf van een geweer op zijn schouder en moest mee komen. Ook Jo, mijn broer van 17 moest mee. Diverse mannen uit de buurt waren opgepakt door de Duitsers. Zelfs de ondergedoken buurjongen die toevallig thuis was, werd opgepakt.

De mannen werden gedwongen rennend, voor de Duitsers aan, richting Loppersum te gaan. Van daar werden ze naar Zeerijp gestuurd. Op de viersprong werden ze in een kring gezet. Op dat moment dacht vader dat ze werden doodgeschoten. Tegen het eind van de oorlog waren de Duitsers harder dan anders en soms werden mensen om niks dood geschoten. Niks was minder waar en voor ze het wisten werden ze weer naar Loppersum gestuurd, naar het dorpshuis, waar de officieren zaten.

 

Zonder dat we het wisten was Koos Arkema, een “dikke NSB’er”, naar Loppersum gegaan. Er was paniek, niemand wist wat er met de mannen was gebeurt. Arkema wist van de Canadezen, ook dat zij de betreffende Duitser hadden doodgeschoten. Hij heeft toen bemiddeld voor de mannen en uitgelegd dat zij niet de verantwoordelijken waren voor de dode Duitser, maar de Canadezen.

Hierop hebben de Duitsers de meeste mannen laten gaan. Een enkeling werd als gijzelaar vastgehouden. Er was onrust in de omgeving en in de Vlasschuur in Stedum lag nog munitie. De vrijgelaten mannen moesten de munitie naar Loppersum brengen anders werden de gijzelaars doodgeschoten.

De oude vlasfabriek in Stedum

We waren vreselijk blij dat vader en Jo weer thuis kwamen. En na dat hij vertelde wat er moest gebeuren, hebben ze met de wagen de munitie naar Loppersum gebracht. De drie mannen die daar nog zaten werden daarop vrijgelaten.

Door dit alles zat de angst er goed in. En er werd besloten richting Bedum te gaan. Bedum was inmiddels bevrijd. Grootmoe werd opgehaald en werd meegenomen in een karretje. Dat hele stuk kon zij niet meer lopen. Onderweg troffen we een boer met paard en wagen. Ook die ging richting Bedum, en we mochten een stuk meerijden. Vlak voor Bedum moest hij de andere kant op en bleven we wachten tot vader en moeder er ook aankwamen.

Eenmaal in Bedum konden we terecht bij een nicht van vader. Zij woonde daar met haar echtgenoot, een boer. Omdat er niet voldoende plek was bleven moeder en Grootmoe daar en ging vader met de jongens in het hooi slapen. Trijn en ik konden terecht bij de ouders van de boer. Dit waren hele lieve mensen.

Bedum en Ten Boer waren bevrijd. Wij wilden het dorp in, het was feest! We keken onze ogen uit, al die Canadezen. Het was niet te bevatten. Samen met bekenden uit Stedum zijn we het dorp in gegaan. Maar Stedum was nog niet vrij. We hadden alles daar achter gelaten.

Na een dag of tien gingen we terug naar Stedum. De boer bracht ons thuis op de wagen. We gingen eerst naar het kleine huisje van Grootmoe. Ons huis was tenslotte kapot. Moeder verbleef eerst met de jongste bij Grootmoe, terwijl wij bij de buren in de gang sliepen. Vader, de broers, Trijn en ik.

Toen we wakker werden zagen we buiten een Canadees lopen, heel voorzichtig, op zijn hoede. Vader trok de deur open en riep “Hoera, hoera!” De man schrok eerst flink, maar toen hij eenmaal door had dat het veilig was heeft hij zich binnen even kunnen opknappen.

Er verschenen steeds meer Canadezen. Ze hadden chocola en sigaretten. Ook bakten ze hun eieren, iets wat moeder niet kende. Broer Jo vroeg ons, de meisjes, of we sigaretten wilden vragen aan de Canadezen. Als meisjes kreeg je dat makkelijker voor elkaar.

Moeder was maar wat blij dat we nog zo jong waren. Met regelmaat hingen de oudere meisjes rond bij de Canadezen.

Op 21 april werd Loppersum eindelijk bevrijd, kort daarvoor Stedum. De hele familie was nog veilig en samen. Kort daarna ging broer Jo naar Indië, voor zijn dienstplicht. Hij verbleef daar bijna 2 jaar en 9 maanden. Ook hij is weer veilig terug gekomen.

Er is nu vrijheid, geniet er zo veel mogelijk van...