Johan Blom

Opgemaakt door J. Smeets

Vandaag, 30 januari 2024, haalden we in Eindhoven bij de, op 16 mei 1929 te Zevenbergen geboren, heer Johan Blom herinneringen aan W.O. II op:

 

We hadden de oorlog wel zien aankomen.

In 1939 kwam ik ’n keer de voorkamer binnen, toen mijn vader naar de radio zat te luisteren. Daar hoorde ik opeens: “Wir haben den Krieg nicht gewollt”. Dat was de stem van Hitler dus. In augustus ging ik op vakantie bij mijn oom Frits en tante Reina in Bergen op Zoom. Op de 28e van die maand heeft de Nederlandse regering de mobilisatie afgekondigd. Daardoor liep garnizoensstad Bergen op Zoom vol met Nederlandse militairen. Drie dagen later al, op 1 september, vielen de Duitsers Polen binnen.

 

Wat Johan zichzelf herinnert van hetgeen, zes dagen voor zijn 11e verjaardag, gebeurde:

Het was ’s morgens om ongeveer half zes, ik werd wakker van een vreemd motorengeronk en hoorde mijn vader roepen: “Kijk uit, kijk uit”.  We zagen luchtgevechten boven ons huis. Onder andere een Engels vliegtuig met twee Duitse toestellen er achter aan. We woonden dicht bij de Moerdijkbrug, waar veel luchtgevechten plaats vonden. De oorlog was begonnen.

 

Op een gegeven moment stroomde de markt van Zevenbergen vol Nederlandse soldaten, maar er waren ook Franse militairen, die een invasie door de Duitsers vanuit het noorden via Nederland en België moesten tegenhouden. Alle scholen werden ingenomen door al die militairen. Dat vonden wij als kinderen geweldig. De Fransen trokken met hun pantserwagens nog even richting Moerdijk, maar ze kwamen gauw weer terug. Omdat  zij bij ons vandaan op de Duitse vliegtuigen schoten, kregen wij al snel een bombardement over ons heen. Mijn vader was bevriend met  de directeur van het postkantoor naast ons en daarom  konden wij daar in de kelder. Ik maakte voor het eerst van mijn leven een bombardement mee. Er werd enorm veel verwoest. Praktisch heel Zevenbergen liep leeg. Wij gingen met ons gezin, toen met vier kinderen waarvan ik het oudste was, naar een boer buiten het dorp, op de Dikkendijk. Mijn vader vond dat daar te weinig dekens voor ons waren. Toen we daarvoor terug Zevenbergen weer in wilden, stonden daar drie Duitse pantserwagens. Bij de voorste, met de kap open, stonden heel veel meisjes te flirten met de Duitsers. Bij de volgende stond niemand, maar de derde was helemaal gesloten. En toen we daar bij kwamen, draaide die de loop in onze richting, dus maakten wij snel rechtsomkeer.

 

Na een dag of vier, vijf gingen we terug naar ons huis, naast het schoolplein. Daar stond een kookwagen van de Duitsers. Wij waren net bij ons binnen, toen die ons raam ingooiden met twee pakken van wel een pond boter, zo hard dat ze aan de andere kant van de keuken tegen de wand aan zaten geplakt.

 

Een heel aardige Duitser kwam in contact met mijn vader en kwam ook bij ons thuis. Ik zat toen op de MULO en had net een gedichtje geleerd. Dat ging over een groep mensen, die op straat naar een bloempot stonden te kijken, die er op de grond lag. Ik zegde dat gedichtje spontaan voor de Duitser op:

           

Es ist ein Blumentopf aus dem Fenster gefallen

Das war schlimm genug

Es hätte einem auf den Kopf können fallen

Etc.

 

Dat vond hij prachtig natuurlijk. Een paar dagen later zag ik hem weer lopen en ik riep: “Heinrich”. Hij kwam naar me toe en gaf me heel hoffelijk een hand. Toen kwam mijn klasgenoot, Cors van der Put naar me toe en zei: “Dat is een vijand, daar moet je niet zo vriendelijk tegen doen”. Ik was me van geen kwaad bewust, dus nogal verbluft.

 

Johan hecht er aan, naast het bespreken van zijn eigen herinneringen, ook te citeren uit het verslag dat  de Engelse piloot A. M. McLeod  schreef over de noodlanding die hij met zijn Boulton Paul Defiant  (jachtvliegtuig van de Britse vliegtuigfabriek Boulton Paul) op 13 mei 1940 bij Zevenbergen maakte, samen met zijn boordschutter W.E. Cox:

 

“Ten noorden van Hoek van Holland werden wij, zonder dat wij vijandelijke vliegtuigen zagen, beschoten door afweergeschut. Ten westen van Rotterdam verspreidde onze formatie zich om vier Junkers Ju 87 toestellen (Sturzkampfflugzeug, oftewel Stuka, vertaling:  duikgevechtsvliegtuig) aan te vallen, die bezig waren ten zuiden van Rotterdam een spoorlijn te bombarderen. Ik  viel een van die toestellen aan. Na een aantal salvo’s van mijn boordschutter zag ik die Duitser brandend neerstorten. Direct daarop werd ik aangevallen door een Bf 109 (Messerschmitt (Duits jachtvliegtuig). Na een aantal confrontaties raakte ik in een tolvlucht. Toen ik mijn toestel weer enigszins onder controle had, bemerkte ik dat de beide brandstoftanks in brand stonden. Omdat, zoals de boordschutter meldde, ook nog onze mitrailleurs waren uitgevallen en we dus geen gevechtswaarde meer hadden, maakte ik bij Zevenbergen een noodlanding achter een boerderij aan de Hazeldonkse Zandweg. Helaas was deze streek al door de Duitsers bezet. We zijn heelhuids uit het toestel gekomen en opgevangen door mensen, die in de buurt woonden, de familie Jongmans. Zij verstopten ons in het kolenhok, achter de keldertrap. De Duitsers zochten wel twee uur lang in en rondom het huis en ondervroegen iedereen”.

 

Johan leest ook voor wat over dat voorval genoteerd werd door de toen 23-jarige zoon,

  1. Jongmans, die met zijn ouders dicht bij de boerderij van Bertus de Lint woonde waarachter het vliegtuig neerkwam. Vader Jongmans was meteen naar het toestel toegerend:

 

“De  vliegtuigbemanning was al bezig zoveel mogelijk papieren te verbranden. Een van hen trok mijn vaders’ jas aan. Ik pakte hun rugzakken en een parachute en legde alles in het kolenhok. Ik werd uiteindelijk door de rond speurende Duitsers meegenomen. Ze bleven van alles vragen en bedreigden me. Toen ik weer thuis kwam stuurde vader me weg om te voorkomen dat ze me weer mee zouden willen nemen. Het kolenhok in de kelder hebben de Duitsers gelukkig niet ontdekt. De Engelsen zijn snel vertrokken. Mijn vader kende elk polderweggetje en bospad tot aan de Belgische grens. Hij had ze dus een kaart gegeven en in de richting van Antwerpen gestuurd. Intussen moesten we nog de rugzakken en de parachute beter verbergen. Achter het huis hadden we een gierput, die niet meer gebruikt werd. Daar heb ik alles in gedaan en afgedekt met twee karren grond. Maar toen ik de eerste kar grond erop had gegooid, puilde de hele parachute boven de gierput uit. De lucht eronder drukte alles naar boven. Toen heb ik met de mestvork gaten in de parachute geprikt en de rest van de grond er op gedaan. Daarmee zakte de bewijslast terug naar de bodem van de put en kon ik die met het deksel afsluiten. Niemand heeft daar ooit van geweten. Toch kwam er in de winter van 1944/45 een auto, die de koninklijke standaard voerde, het erf oprijden. Er stapte een officier uit, die bij ons aanbelde en vroeg of er in de oorlog piloten in huis waren geweest. Toen hij binnen stond, zag ik dat het Prins Bernhard was. Ik vertelde hem hoe het gegaan was en dat klopte met wat de piloten hadden verteld. Van de Prins kreeg ik een doos pijptabak plus sigaretten. Een of twee jaar later kreeg mijn vader een oorkonde, ondertekend door de generaals Eisenhower en Montgomery.

 

Omdat wij niet ver van de Moerdijk woonden, waar ook Duitse kanonneerboten lagen, was het ’s nachts vaak raak. Daar kwamen, zeker in de laatste oorlogsjaren vliegtuigen over, richting Duitsland en die werden vanuit de omgeving Moerdijk beschoten. Dan werden wij ’s nachts wakker. Door de vele lichtkogels was het zo helder als op klaarlichte dag.

Een keer werd ik wakker door een vreselijk geronk van een viermotorige Engelse bommenwerper, die rakelings over Zevenbergen heen vloog. Hij gooide heel zijn bommenlast vlak achter een boerderij. We hoorden de inslag en ons huis bewoog heen en weer door de luchtdruk. Je raakte op een gegeven moment aan die toestanden gewend.

 

Op 5 september 1944, (later “Dolle Dinsdag” genoemd omdat die dag Duitsers en collaborateurs massaal ons land uit vluchtten), was toen wij opstonden alles in het dorp al op de been. De radio had gemeld dat Breda was gevallen. Men verwachtte de Engelsen nog voor de middag bij ons. Iedereen trok naar de Markt om de eerste tanks te zien. Maar die kwamen niet.

 

Enkele dagen later was er een grote oploop richting het station.

Waar ze naar kwamen kijken werd al snel duidelijk. Op het station stond een personentrein op het punt van vertrekken. Vanaf de Markt, richting station, kwam een gezin aanlopen  (een NSB-gezin). Zij wilden ook met die trein mee. De laatste mogelijkheid voor de Brabantse NSB-gezinnen om nog achter de grote rivieren te vluchten vóór de bevrijding. Zij repten zich om de gereed staande trein te halen, die hen  naar Noord-Holland zou brengen. Op de achterste wagon stond geschut, waarmee over de toekijkende menigte heen werd geschoten. 

 

Een week of wat later hoorden we beschietingen bij Antwerpen. Het werd alsmaar dreigender. Ik kwam ’n keer op ’n vrijdag  van de Markt af en werd ingehaald door een meisje, dat ik goed kende, Clema Harmsen. We zaten altijd op onze vaste plaatsten naast elkaar in de kerk. We hebben even naast ons huis nog met elkaar staan praten. Een paar dagen later, dinsdag 31 oktober, is zij omgekomen bij een beschieting van Zevenbergen, toen een granaat bij hun in de keuken terecht kwam. Een scherf daarvan kwam in haar dijbeen en raakte daar een slagader, waardoor ze doodbloedde. Zij heeft nog aan haar moeder gevraagd: “Ga ik nou dood?” Zij zal dertien jaar geweest zijn.

 

Onze bevrijding is gekomen aan het eind van een verschrikkelijke week. Die begon op zondag 29 oktober. Op de Markt waren van vijf panden de kelders met elkaar verbonden. Belangrijk want het betrof naast  de hoedenwinkel van de dames Schmittmann, ook de kruidenierswinkel van Leentje de Lint, de Rotterdamsche Bank, melkhandel Cel Roelen en bakker Rinus van Sprundel. Eten genoeg dus voor wie eronder in de kelders zaten. Ook met ons gezin, vader, moeder en intussen acht kinderen, zochten we daar een schuilplaats. Vader had geregeld dat wij in de kelder bij de kruidenier mochten. Via een ijzeren luik aan de straatkant kwamen we in de voorraadkelder van de kruidenierswinkel. Vanwege dat luik was de kelder erg gehorig. We gingen daarom via een gemaakte doorgang naar de kelder van de Rotterdamsche Bank, waar de familie Moerman woonde. Mevrouw Moerman hield veel van mijn zusje Lenie. 

Op vrijdag 3 november hoorden we dat de torens van zowel de hervormde kerk als ook van de katholieke kerk opgeblazen werden. Op zaterdag 4 november was het ’s morgens aanvankelijk heel stil buiten. Leentje de Lint ging soep maken voor alle mensen. Opeens hoorden we vliegtuigen komen. Er volgde een bombardement en na een uur weer. Ik had de kleine Ad op mijn arm. Ik riep: “Waar is Lenie?” Mevrouw Moerman zei: “Die staat bij mij, Kom jij met je kleine broertje Ad – die ik droeg – ook maar hier staan”. Zij stond met haar man en zoon in de deuropening naar het achterste gedeelte van hun kelder. Waar in een aparte ruimte hun dochter Lina op een bed lag. Ik keek naar het plafond. “Maar dat is van hout!” “Oh, maar dat is sterk genoeg” was haar antwoord. Ik zei: “Nee”, draaide me om en deed twee stappen terug. En op het zelfde moment stond ik tot kniehoogte in het puin van de tussenmuur. Ik zag grote brokstukken via de trap op me af komen. “Ik word vermorzeld” was mijn gedachte. Maar op dat zelfde moment werd het stil, De brokstukken smoorden in het puin van de ingestorte kalkzandstenen  muur. Daarna trachtte iedereen door de verbindingsdoorgang naar de kelder van Leentje de Lint te komen, om ons opeens te realiseren dat Lenie er niet bij was. Zij is samen met de heer en mevrouw Moerman en hun zoon omgekomen. Alleen hun dochter, Lina heeft het – mede dankzij de beschermende dekens - overleefd.

 

Zevenbergen is een dag later, op zondag 5 november, door de Canadezen bevrijd.

Het wrak van de uitgebrande Boulton Paul Defiant