Marlies Visser-van der Heijden

Opgetekend door J. (Sjef) Smeets

Vandaag, 22 mei 2024, noteren we in Helmond de oorlogsherinneringen van, de aldaar ook op 9.3.1934 geboren, mevrouw Marlies Visser – van der Heijden:

Ik was het eerste kind van mijn ouders, het vierde en laatste werd geboren in 1940.

Wij waren net op 9 mei 1940 verhuisd van de Julianalaan naar de Emmastraat. En die eerste nacht in ons nieuwe huis werd ik wakker van een hoop lawaai. Toen bleek de draaibrug, waar de tram overheen ging, opgeblazen te zijn. (De brug werd op 10 mei 1940 door de Nederlanders opgeblazen om de Duitse inval tegen te houden. J.S.). De ramen van het huis waren gelukkig al afgeplakt om eventuele scherven na een bombardement bij elkaar te houden.

 

Er was een grote kelder in het huis. Daar kwamen de overburen ook in schuilen. Ik herinner me nog heel goed dat mijn moeder een grote pan erwtensoep gemaakt had. Een oudere dame, die aan de overkant woonde, schopte per ongeluk de hele pan soep van de keldertrap af. Daaronder lagen onze bedden op de grond.

We woonden naast de schooljuffrouw, waar ik bij in de eerste klas zat op de Mariaschool. Ze zei: “Vandaag hoef je niet naar school”, weet ik nog. De scholen waren trouwens ingenomen door de Duitsers, dus wij zaten wisselend op allerlei plaatsen in de stad, in de fabriek van Raymakers, in het oude nonnenklooster. Daar zaten we een keer toen ik er op een grote hoop kleren mijn jas zag liggen, die op een of andere manier zoek was geraakt. Die was door een vriendin van mijn moeder gemaakt uit een blauwe jurk van mijn moeder, gevoerd met een roze stof en met grote glazen knopen. “Dat is mijn jas”, zei ik. “Dat kan niet”, zeiden de nonnen. Maar zoveel blauwe jassen, met roze voering en glazen knopen zijn er niet. Dat moest mijn jas zijn. Het was oorlog en er was schaarste aan alle soorten kleding. Na mij zou ook mijn jongere zusje die jas nog kunnen gebruiken. Ik heb op klompen gelopen, omdat er geen schoenen voor mijn maat voeten te koop waren. Enfin, mijn vader is de jas terug gaan halen.

 

Tot aan het bombardement van 6.1.1942 was er de winkel/kantoorboekhandel, annex boekbinderij “Wed. J. van der Heijden” aan de Demer in Eindhoven. In het pand  woonden destijds een paar tantes van me die de zaak, na het overlijden van mijn opa in 1937, hadden voortgezet.

Na dat zogenaamde Sinterklaasbombardement door de Engelsen, waarbij die winkelstraat werd weggevaagd, is mijn vader er, tegen de zin van mijn moeder op de fiets naar toe gegaan. Hij wilde zien hoe het er daar bij lag. (Omdat het bombardement op een zondag plaatsvond, waren de 15.000 werknemers van de nabij gelegen Philipsfabrieken, waar het bombardement voor bedoeld was, niet aanwezig. Hierdoor bleef het aantal burgerslachtoffers “beperkt” tot ruim 150. Er kwamen ook  zeven Duitse soldaten om. J.S.) Er is toen niemand van de familie van der Heijden omgekomen.

Ook op de hoek van onze straat stond een afweergeschut. Als je daar overstak, dan werd er op je geschoten.

 

Bij de school in de buurt was ook een soort van gaarkeuken waar de kinderen konden gaan eten, maar dat mocht ik niet van mijn ouders. Toch heb ik dat ’n keer stiekem gedaan, want ik wou wel eens zien hoe het daar was. Ik was een keer bij opa en oma in Blerick samen met een schoolvriendinnetje. Haar grootouders woonden “toevallig daar in dezelfde straat als mijn opa en oma. Ik had nog nooit een bombardement meegemaakt. We zaten er in de kelder met planken vol geweckte groenten. Die potten stonden zo hard te rammelen. Zij hadden dat vaker meegemaakt, maar ik vond het maar raar.

 

De “stadsbrug” bij de Veestraat was ook vernield. Er lagen allemaal bootjes in het water waar je van het ene op het andere bootje moest stappen om over te steken.
Op het laatst stonden er allemaal auto’s van de Duitsers onder de bomen in de Wesselmanlaan. Die hielden een razzia. Bij de buren hadden ze iemand meegenomen. Ik liep naar boven om te kijken waar mijn vader was. Die stond in een hoekje op zolder. Hij zei: “Ga maar naar beneden, meiske. Zeg maar niet dat ik hier ben. Ik kom dadelijk. Ik zie nu nog de angst in zijn ogen.

 

We waren ook een keer met ons hele gezin bij mijn opa en oma in Blerick, toen daar gebombardeerd werd. Het was heel spannend en rumoerig en we konden slechts met heel veel moeite toch nog met de laatste trein naar Helmond terug.
Ik was bang van het V1-geluid. Als ik die hoorde, gilde ik alles bij elkaar.

Toen ik in de vierde of vijfde klas zat, had mijn vader een maagzweer. Via zijn bedrijf was er voor gezorgd dat wij dagelijks een liter melk voor hem konden halen. Hij kreeg ’s morgens, ’s middags en ’s  avonds pap. Daarvoor moesten mijn oudste broer, Teun, en ik om beurten naar een boerderij aan het Kanaal. Op de dijk waar wij over liepen stond een Duits afweergeschut. Daar moest ik dus telkens langs. Ik vond dat als kind van zeven, misschien acht jaar, doodeng. Dus als ik er vlakbij kwam stak ik de weg over en als ik er voorbij was, dan ging ik weer terug naar de andere kant van de weg. Op een dag liep ik daar toen er vliegtuigen in de lucht verschenen. Een man vloog uit de Engelse colonne, die daar ook net passeerde, naar mij toe, greep me vast en dook met me onder hun auto. Mijn vader had zich aangekleed en kwam me zoeken. Achter op zijn fiets nam hij me toen mee naar huis.

Wij zaten weer eens in de kelder, Het deel van de stad, waar wij woonden, werd op dat moment bevrijd. (Heel Helmond was op 25 september 1944 bevrijd. Helmond-West al op 22 september. Dat deel van de stad was tot 25 september gescheiden van de rest van Helmond doordat de bruggen en sluizen over het kanaal waren opgeblazen of onklaar gemaakt en de bevrijders daardoor werden opgehouden. J.S.). De moffen wilden weg. Een jongen uit de buurt kwam ’s middags om ongeveer twee uur op straat bij het rooster, waar ons kelderraampje zat. Hij zei: “Maak het raam eens open, we zijn bevrijd”.  

 

Op het pleintje in de Julianalaan is een tijdje het Engelse hoofdkwartier van generaal/ veldmaarschalk Bernard Montgomery met een tentenkamp geweest. Toen dat gebombardeerd werd door de Duitsers, kwam er ook bij ons in de buurt een en ander terecht. Het was op zaterdag en wij moesten om beurten in de woonkeuken in de teil voor het wekelijkse bad. Dus snel allemaal de kelder in. Mijn broer snel de teil uit, handdoek om en naar beneden. Naast ons huis lag grint, waar iets in terecht kwam, waardoor er een steen door ons keukenraam sprong.

 

Een Schotse officier (van het 3rd Tank Battalion SCOTS GUARDS J.S.) , afkomstig

uit Glasgow, mister Mc……., plus een sergeant, Peter, en een officiershulpje, werden met z’n drieën bij ons ingekwartierd. Die sergeant was helemaal een echte Schot, met vuurrood haar en hij speelde, in kilt,  doedelzak. Zo marcheerde hij ’n keer door ons huis heen in vol ornaat. Wij hadden op zolder twee kleine kamertjes, een voor de officier en een voor de twee anderen. Ze zijn best lang bij ons geweest.  Vader heeft nog wel met ze gecorrespondeerd, maar daar is niets van bewaard gebleven.

Rechts in de deuropening Opa J. van der Heijden