Tonny Swinkels - Slaats

Vandaag, 12 mei 2023, halen we in Helmond herinneringen op bij de aldaar op 15.1.1939 ook geboren mevrouw Tonny Swinkels-Slaats, het vijfde van zes kinderen in het gezin.

 

De interesse in de oorlog heb ik van mijn moeder. Misschien niet los te zien van het feit dat mijn twee broers direct na de oorlog voor militaire dienst naar Indië zijn gegaan.

 

Ik heb er ook een grappige herinnering aan door het volgende familieverhaal, dat altijd weer opdook bij etentjes en dergelijke. Voor de oorlog had je van dat degelijke grove gemoltonneerde ondergoed van Jaeger (buitenkant katoen en binnenzijde ruw J.S.).

Bij het uitbreken van de oorlog zei mijn moeder : “Kijk, hier schieten ze niet doorheen”.

Toen mijn zus de Plechtige Communie zou doen, stonden ze in de schoenenwinkel aan de Veestraat op het moment dat daar vlakbij de brug over het Kanaal werd opgeblazen.

Waarop mijn zus vroeg: “Mam, heb je je goeie onderbroek aan?”

 

Op zolder hadden wij in de oorlog een teil, met, ik denk, rogge staan waar regelmatig muizen in zaten. Wij moesten om beurten boven tegen die teil gaan slaan, om de muizen er uit te krijgen. Dat meel bracht mijn moeder lopend met zo’n trekkarretje naar een bakker in Vlierden (toch gauw zo’n 12 kilometer en weer terug), waar ze het ruilde voor brood. Toen ze daar een keer was werd de kerk in Vlierden beschoten en lag ze daartegenover in een sloot, met ter bescherming een tas op haar hoofd.

 

Wat ik me ook herinner is dat we in de voorkamer een raam open lieten staan door er een garenklosje onder te zetten. Op een gegeven moment kwamen er Duitse soldaten samen met landwachters in hun zwarte uniformen (paramilitaire organisatie van Nederlandse vrijwilligers in het Duitse leger J.S.), die verordonneerden dat het raam dicht moest. Mijn broer deed zijn best om te gehoorzamen, maar toen bleek het klosje vast geschroefd te zijn. De Duitsers stonden er met het geweer in de aanslag bij. Mijn moeder was bij een tante, dus wij stonden in paniek om mijn broer heen. Hij schroefde het klosje los. In de hele straat moesten alle ramen en deuren dicht van de wegtrekkende Duitsers. Een vriendin van mijn oudste zus was ook bij ons en die wilde naar huis. Dus mijn moeder maakte voorzichtig de deur open in ons kleine portiekje en meteen kwam er een soldaat uit het portiekje naast ons. Die stuurde iedereen weer naar binnen.

 

Op een plein bij ons in de buurt was een schuilkelder, maar wij mochten ook in de kelder bij de buren.

 

Ik weet nog dat de kolenboer ’n keer de kinderen uit de straat in zijn kolenkar meenam naar speeltuin Molenheide. (de huidige camping Wolfsven J.S.). Of Helmond toen al bevrijd was, herinner ik me niet. Maar op een gegeven moment was er luchtalarm. Later bleek dat toen Eindhoven gebombardeerd werd. Enfin, wij moesten snel in een hutje met een rieten dak gaan zitten. Het was zo vol, dat we telkens als er weer vliegtuigen over kwamen, angstig met z’n allen in dezelfde richting, met elkaar mee, voorover bogen. Er zat een jonge vrouw tussen ons, die in paniek haar haren uit haar hoofd trok. Dat beeld zie ik nog altijd voor me. Achteraf vind ik het vreemd dat ze ons in de oorlogstijd daar naar toe  hebben gebracht. Ik weet niet eens of we er ook echt gespeeld hebben.  

 

Mijn jongste broer was gehandicapt door het syndroom van Down. Wij moesten ’n keer met hem naar oogarts Dr. Verrijp, een markant figuur, wiens wil wet was. Overigens een autoriteit op zijn gebied, want hij heeft ook prinses Marijke nog ooit behandeld. Bij mijn broer groeiden de oogwimpers naar binnen. Die trok Dr. Verrijp er stuk voor stuk uit. Daarvoor moesten we ook een keer tijdens de oorlog naar de ziekenhuispraktijk. Ik was daar bij. Mijn broertje lag in de wandelwagen, waar tekens een wiel van af liep. We werden onderweg tegengehouden, ook nu weer door gezamenlijk controlerende Duitsers en landwachters. Uiteindelijk mochten we verder, langs huizen met erkertjes ervoor. Daar stonden overal die soldaten tussen met hun geweren. Mijn moeder knikte ze telkens toe, afwisselend naar links en naar rechts. Tussendoor liep dat wieltje weer eens weg. Dan moesten we daar weer achteraan. En ze bleven ons maar in de gaten houden, want ze vertrouwden het niet. Bij het ziekenhuis aangekomen, bleek de dokter er niet te zijn in verband met de naderende bevrijding en het daarbij horende gevaar. We gingen toen naar het woonhuis van de oogarts. Onberekenbaar in zijn praktijk, maar met mijn broer was hij altijd heel voorzichtig. Dus hij ging met ons terug naar het ziekenhuis, waar hij mijn broertje kon helpen. Toen we bij het ziekenhuis buitenkwamen verscheen daar net uit de richting van Deurne de eerste Engelse Jeep. Verkenners, die voor de troepen uitreden. Misschien maar honderdvijftig meter van de straat waar de Duitsers en de landwachters ons tegenhielden.    

 

Bij de bevrijding kreeg iedereen inkwartiering, maar wij niet omdat er bij ons wel twee broers van 16, 17 jaar in huis waren, maar geen man. Mijn vader was hartpatiënt en is in 1944 na een hersenbloeding gestorven. We kregen dus ook niet wat anderen wel ontvingen van de ingekwartierde soldaten. Van de buren hebben we ooit een zak met broodkorstjes en een potje jam gekregen. Dan hadden wij ook feest. Mijn moeder, met haar zes kinderen, had geen inkomsten.

Bij mijn opa en oma waren wel Engelse soldaten. Daar gingen wij dikwijls ’s avonds naar toe. Opa en oma kon natuurlijk geen Engels spreken. Maar wij vonden dat wel interessant.

 

Interview: J. (Sjef) Smeets