Anne Modderkolk-Tersteeg

We werden wakker van het angstaanjagende geluid van gierende bommen. Kort daarop was er het gedreun van gigantische explosies vlakbij ons huis. Mijn broers en ik probeerden snel uit de kelder te kruipen, maar we kwamen met geen mogelijkheid weg. Het huis bleek ontzet. We raakten in paniek en stonden doodsangsten uit…’

 

Hieronder een verhaal dat is vastgelegd door Henriëtte Van't Wout. Een interview met mevrouw Anne Modderkolk-Tersteeg.

Mijn vader werd in 1908 hier, in de Achterhoek, geboren. Hij was landbouwer en werkte als jonge jongen net over de grens in Duitsland. Na zijn dienstplicht ontmoette hij mijn moeder. Hij bouwde een huis voor hen aan de Kerkstraat in Gaanderen en toen ze getrouwd waren werd daar in 1936 hun eerste kind geboren. Vanwege de onrust in het land werd vader in augustus 1939 weer onder de wapenen geroepen. Mijn moeder was toen hoogzwanger van mij en een maand later werd ik, op 30 september, geboren. 

Toen de Duitsers in 1940 ons land binnenvielen, was moeder vreselijk ongerust. Ze hoorde maar niets van vader en had geen idee waar hij was of wanneer hij weer zou terugkeren. Iedere ochtend stond ze op de uitkijk om te zien of de postbode een teken van leven voor haar mee zou brengen. De postbezorger moest haar keer op keer weer teleurstellen. Hij was erg met haar begaan en liet haar vanuit de verte al weten of hij iets voor haar bij zich had. Elke keer schudde hij weer met zijn hoofd of stak moedeloos zijn lege handen in de lucht. Tot er op een dag eindelijk bericht kwam: vader lag in het ziekenhuis… 

Mama kreeg te horen dat vader had meegevochten op de Grebbeberg. Toen daar de strijd verloren was, werd hij rechtstreeks doorgestuurd naar Rotterdam om daar het station te verdedigen. Zo was hij getuige van de vreselijke bombardementen en zag met eigen ogen hoe de stad werd verwoest. 

Vader werd bewusteloos op straat gevonden en naar een hospitaal afgevoerd. Vijf dagen lang was hij buiten kennis, terwijl moeder van niets wist. Mijn vader bleek weinig verwondingen te hebben, maar was vooral erg verward. Het was onduidelijk of het kwam doordat zijn hoofd bij de bombardementen door iets is geraakt of dat het oorverdovende kabaal ervan de oorzaak was óf dat de vreselijke taferelen om hem heen teveel voor hem waren. Gelukkig herstelde hij goed en mocht hij algauw weer naar huis. Voor zover ik me kan herinneren heeft papa sindsdien bij de Dru in Ulft, in de gietijzerindustrie, gewerkt. Wij kinderen noemden dat ‘De Hut’, waarschijnlijk omdat het in de volksmond ook wel ‘De ijzerhut’ werd genoemd. 

Natuurlijk was ik nog veel te jong om me bewust te zijn van het begin van de bezetting. Daarvan kan ik me niets herinneren, maar mijn eerste confrontatie met de oorlog weet ik nog wel precies. Dat was toen ik als kleine peuter eens op een stoel bij het raam klom, om naar buiten te kijken. Het had flink gesneeuwd en het witte veld naast ons huis lag vol met soldaten, die plat op hun buik lagen. Ineens stonden ze allemaal tegelijk op, om zich vervolgens weer plat op hun buik te laten vallen. Het schouwspel bleef zich steeds herhalen en ik keek mijn ogen uit. Tot moeder me daar zag en me resoluut van de stoel tilde. Ze schoof de zetel terug op zijn plek en zei streng dat ik daar nooit meer mocht gaan staan. ‘Dat is het veel te gevaarlijk!’ Waarschijnlijk waren het Duitse soldaten die daar werden getraind. 

Ons huis, op nummer 217, was vrijstaand. Het huis staat er nog steeds. Nog niet zo lang geleden ben ik er nog eens binnen geweest. Er is veel van de oorspronkelijke staat bewaard gebleven, zoals de granieten vloer en de houten trap. Toen ik daar was zag ik mezelf weer zitten, als klein meisje op de traptreden en allerlei herinneringen kwamen boven. 

De Kerkstraat was destijds een lange weg door Gaanderen, omgeven door groene vlakten. Her en der stonden er huizen aan weerszijden van de straat. Tegenover ons woonden de families Arentsen, Adriaansen en Meulenbeek. De families Hulshof, van Groningen, Van Lent en Reinders woonden links naast ons. Ons huis was omgeven door landerijen en achter ons huis was een natuurgebied, ‘De Bult’, een zandafgraving met van dat roodgele zand. We hebben er veel gespeeld, maar in de oorlogsjaren was het absoluut verboden terrein. Toen stonden daar Duitse tanks of afweergeschut opgesteld. Mijn oudere broer kon het niet laten om er toch eens een kijkje te gaan nemen en is daar toen bruut door de Duitse soldaten weggejaagd. 

Mijn vader heeft in de oorlogsjaren veel mensen aan onderdak geholpen. Dit deed hij in samenwerking met de veldwachter. Waarschijnlijk zaten zij in het verzet, maar dat ging allemaal buiten ons om. Verder bleef het vrij rustig en merkten we in Gaanderen niet veel van de oorlog. In ’41 en ‘43 kreeg ik er ook nog een broertje en een zusje bij. 

Op 26 maart 1943 klonk ’s avonds ineens het luchtalarm. Samen met mijn grote en kleinere broer sliep ik in de kelder. Mijn vader had het daar afgetimmerd en bovenop de voorraad aardappels drie strozakken gelegd, waar wij op lagen. Ons pasgeboren zusje lag die nacht in de voorkamer in haar wiegje te slapen, dat onder het Heilig Hart of Mariabeeld stond . We werden wakker van het ronken van onregelmatige vliegtuigmotoren die laag overvlogen. Daarna klonk het angstaanjagende geluid van gierende bommen. Kort daarop was er het gedreun van gigantische explosies vlakbij ons huis. 

Mijn broers en ik probeerden snel uit de kelder te kruipen, maar we kwamen met geen mogelijkheid weg. Het huis bleek ontzet. We raakten in paniek en stonden doodsangsten uit, tot er ineens grijpende armen van buitenaf het luik wisten te openen. De buren kregen het voor elkaar om ons één voor één aan de arm naar buiten te trekken. Eenmaal daar zag ik alleen maar zeeën van vuur om ons heen. Vader pakte me snel op en nam me stevig in zijn armen. ‘Niet kijken, niet kijken!’, riep hij aldoor, terwijl hij me in de chaos naar elders bracht. Zijn roepen vergeet ik nooit meer. Ik werd, samen met mijn broers, rechtstreeks door naar de beddekast (bedstee) van onze oude buurman Besselink, die ‘De Beer’ werd genoemd, gebracht. Hij woonde verderop, ter hoogte van de Akkerstraat. Daar moesten we de nacht doorbrengen. 

Later begreep ik dat er een complete hoek uit ons huis was geslagen en alle ramen waren gesprongen. Ons kleine zusje bleek tussen de glasscherven in haar bedje te liggen. Wonder boven wonder was ze ongedeerd. De huizen naast ons waren helemaal weggevaagd. Het huis van de fam. Bannink, was onbewoonbaar geworden. Aan de overkant van de straat waren alle huizen verwoest of in vlammen opgegaan. Tien naaste buren hebben de explosies niet overleefd. Nog altijd krimp ik in elkaar als ik keiharde vuurwerkknallen of onweer hoor. Die angst is me altijd bijgebleven. 

Na de nacht bij buurman Besselink werden wij, kinderen Tersteeg, overgebracht naar familie Benraad verderop in de straat, waar we ook een nacht doorbrachten. Uiteindelijk kwamen we terecht bij tante Dora, een weduwe in Silvolde, die zelf ook een aantal kinderen had. Daar sliepen we op stromatrassen in de keuken, wel zo’n 3 à 4 weken lang. 

Toen we weer naar huis konden, was daar de metselaar nog bezig, die de hoek in ons huis weer aan het opbouwen was. In de kozijnen was nieuw glas gezet. Dat was niet egaal en gaf een golvend beeld als je erdoorheen keek. De kinderen van familie Bannink sliepen ook bij ons in huis, omdat het dak uit hun huis was weggeslagen. Overdags speelden wij buiten op de puinhopen van het bombardement. Ik kan me herinneren dat de kelders van de ruïnes onder water stonden. Mijn broer vermaakte zich met het vangen van kikkers daaruit. Zelf moest ik eens naar de dokter, toen ik een baksteen op mijn hoofd had gekregen, bij het spelen in één van de kapotte huizen. Tegenwoordig zou men zulke panden afzetten met lint, met een waarschuwing: ‘Verboden te betreden’. 

Van de bevrijding kan ik me nog herinneren dat er een lange stoet jeeps door onze straat reed. Ik keek ernaar vanuit mijn slaapkamerraam boven. De Canadezen stopten bij ons in de buurt en creëerden in de overblijfselen van het huis van de familie Weijers, schuin tegenover ons, een soort gaarkeuken. Daar konden de bevrijders eten halen. Ik weet nog goed dat ik ook zo’n ijzeren eetbakje door één van hen in handen gedrukt kreeg. Ik sloot me ermee aan bij de rij soldaten en zo werd er ook een grote schep stamppot op mijn bordje gekwakt. 

De Canadezen overnachtten bij ons in huis. Ze sliepen door het hele huis, van de voorkamer tot achterop de deel en bleven nog enkele dagen bij ons in het dorp. Overdags zaten ze veel in het veld naast ons huis. Daar, waar ooit de Duitse bezetter nog lag te trainen in de sneeuw, waren het nu onze bevrijders die daar zegevierden.

De oorlog was voorbij.

Dit verhaal hebben we ook op onze facebookpagina geplaatst. Zie hier de reacties op dit verhaal.