Jan Bontje

Hierbij delen wij de herinneringen van Jan Bontje (1941) aan de Tweede Wereldoorlog en de mobilisatietijd. Het is het eerste verslag van Petra Bontje, onze nieuwe vrijwilliger.

Op 21 januari 2023 heb ik mijn oom Jan geïnterviewd in zijn huis in het Noordhollandse Tuitjenhorn. Terwijl mijn tante zich over de zaterdagkranten buigt, gaan oom Jan en ik aan de eettafel zitten. Ik zet de opnameapp op mijn mobiel aan. Hoe oud was hij eigenlijk tijdens de Tweede Wereldoorlog?

Ik ben op 20 februari 1941 geboren, dus ik was ruim vier jaar oud toen de Tweede Wereldoorlog eindigde. We woonden met ons gezin* op de Walingsdijk in Ursem. Een van mijn herinneringen uit die tijd is dat we een huiszoeking kregen. Mijn zus Joke en ik zagen het angstige gezicht van mijn moeder, kropen onder tafel en hielden elkaars handen stevig vast. Ik zie nog die grote Duitse soldatenlaarzen voorbij stampen. We hadden een Heilig Hartbeeld in de woonkamer hangen met een plek voor een waxinelichtje. Na de oorlog vertelde mijn moeder dat in die waxinelichtjeshouder munitie werd bewaard. De ondergrondse van Ursem vond dat een veilige bewaarplek. 

Ondergrondse Ursem
Mijn vader zat tijdens de oorlog bij de ondergrondse. Hij gaf berichten door aan onderduikers en bemande in tourbeurten de luisterposten. Op een dag hadden de Duitsers een oproep in de krant geplaatst om leden van de ondergrondse aan te geven. Per lid werd de aangever een geldbedrag beloofd. Een man uit het dorp** postte een brief met een lijst van 10 tot 12 namen er op. Mijn vader stond op plaats twee, pastoor van Haaster op nummer een. De brief (met de gewraakte lijst) bracht die dorpsgenoot naar het postkantoor van Leen Nicolai. Die zat ook bij de ondergrondse, maar dat wist bijna niemand. Gelukkig controleerde Nicolai alles voordat het op de post ging, dus die lijst met namen is nooit naar Alkmaar verstuurd. 

De ondergrondse hield daarna beraad wat ze met die dorpsgenoot moesten doen. Sommigen waren zo kwaad dat ze hem wilde liquideren, maar de pastoor greep in. Ze hebben hem uiteindelijk niet gedood, maar lieten hem wel weten dat hij alleen op zijn land of in huis mocht zijn, anders zou het niet goed met hem aflopen. Een keer moest hij met zijn boot langs mijn vaders land. Die wilde toen bijna dwars door de sloot achter die man aan gaan, zo kwaad was hij. 

Na de slag bij Rustenburg (10 - 11 oktober 1944) eisten de Duitsers dat de bevolking namen zou noemen, anders zou Ursem of Rustenburg platgebrand worden. Met een boot zijn wij toen met het hele gezin naar mijn opa en oma in de Goorn gevaren. Die hadden daar een café en een kruidenierszaak. Onze kostbare spullen lagen op het bleekveld achter ons huis met een zeil eromheen, zodat ze bij brand gespaard zouden worden. We zijn een paar dagen in de Goorn gebleven tot bij de Duitsers bekend werd dat de verzetshaard op boerderij Houtlust in de Schermer lag. Die boerderij hebben ze platgebrand, een aantal mensen zijn neergeschoten. Ursem is niet platgebrand. 

Onderduikers
Verschillende keren hebben we onderduikers in huis gehad. Op momenten dat er snel onderdak gevonden moest worden, verbleven ze enkele dagen bij ons tot er een definitieve schuilplaats gevonden was. Een man die wij oom Bertus noemde, is een groot deel van de oorlog bij ons ondergedoken geweest om aan de Arbeitseinsatz te ontkomen. Oom Bertus richtte de etalages in van warenhuis Kofa Spruyt, in Alkmaar. Van de tabaksbladeren uit onze tuin maakte hij sigaren, die met boeren geruild werden tegen boter en kaas. Onze radio verstopten we ook tussen de tabaksbladeren. De vriendin van oom Bertus zat ondergedoken bij de melkboer, schuin tegenover ons. Ik was niet anders gewend dan dat oom Bertus bij ons was, hij hoorde bij het gezin. Na de oorlog hebben mijn ouders altijd contact met hem en tante Greetje gehouden, ze hadden verschillende kaartrondjes en die met hen was er een van. 

Ook oom Nico (Oud), die richting Avenhorn woonde, had een onderduiker in huis. Die werd bij huiszoekingen regelmatig door mijn vader met de boot opgepikt en in het weiland verborgen tot de Duitsers het dorp verlieten. Op een keer kwam oom Nico hijgend bij ons aanhollen. Het was koud en het vroor. Via een van de luisterposten had hij gehoord dat de Duitsers onderweg waren om huiszoekingen te doen. Ze waren al zo dichtbij dat mijn vader niet eens tijd had om een trui aan te trekken, zodat hij toen maar in zijn hemdsmouwen in de boot sprong, de onderduiker bij oom Nico oppikte, en in het land verborg tot het weer veilig was. 

Mobilisatie (1939-1940)
Na de oorlog heeft mijn vader veel met me over de mobilisatie gesproken. Op 28 augustus 1939 werd hij opgeroepen. Hij was gelegerd bij Den Haag. Vier maanden daarvoor was hij met moeder getrouwd en was net begonnen met zijn bedrijf (waar hij groenten en bloembollen teelde). De soldaten kregen geen verlof of vergoeding, maar vaders land moest natuurlijk wel bewerkt worden. Tijdens de mobilisatie ging hij daarom op vrijdag, na het appèl, clandestien naar huis. Bij een naburige boer had hij een fiets verstopt. Vrijdagavond, als het donker was geworden, fietste hij dan van Den Haag naar Ursem, werkte het hele weekend op het land, en was zondagavond, net op tijd voor de controle, weer terug.

Mijn vader heeft me vaak verteld dat zijn compagnie in mei 1940 door de Laan van Meerdervoort, een brede laan in Den Haag, moest marcheren, in colonne. Ze werden toen beschoten door Duitse vliegtuigen. Er waren slechts 17 overlevenden. Mijn vader was een van die overlevenden. Hij is waarschijnlijk weggerend, maar is even later toch gevangen genomen. Samen met een andere man is hij uit het kamp met krijgsgevangenen ontsnapt. Ze zijn over het hek geklommen en hebben met blote handen een Duitse soldaat omgelegd. Uiteindelijk kwam hij met de fiets weer thuis in Ursem. Dat verhaal heeft hij tientallen keren aan mij verteld. Mijn vader wist niet of die Duitse soldaat nog leefde. Hij is toen naar de pastoor gegaan en heeft opgebiecht dat hij daar erg mee zat. Toen zei de pastoor hem dat in oorlogstijd andere regels gelden. Voor mijn vader was dat een stukje verlossing. 

Voetnoten:*Het gezin Bontje bestond in de oorlogsjaren uit vader Jan (1912), moeder Dieuwertje (1910), oma Adriana Braas (1883), en de kinderen Joke (1940), Jan (1941), Aad (1943) en Sjaan (1944).

**Vanwege privacy is de naam van deze persoon weggelaten.


Toegevoegde foto’s:
• Jan Bontje (senior) tijdens de mobilisatie op de schaats.• Jan Bontje (senior) tijdens de mobilisatie op de foto met krijgsmakkers en sneeuwpop.• Portret van de geïnterviewde, Jan Bontje (junior), geschilderd door Jilt Meines. • Portret van het gezin Bontje rond 1942.

 

Dit verhaal hebben we ook op onze facebookpagina geplaatst. Zie hier de reacties op dit verhaal.