Annie Stoop-Yedema
Opgetekend door Naomi Stern
Mijn oorlogsjaren
Geboren 21 september 1928
woonde aan de Loudelsweg 51 in Bergen NH
1938 en 1939
In 1938 werd er in de Bergermeer een militair vliegveld aangelegd. Ik herinner me nog dat het vliegveld door prins Bernhard geopend werd. Als schoolkinderen stonden wij toen met vlaggetjes te zwaaien.
De spanning in Europa stijgt. In verband met de vakantieverhuur zaten de laatste week van augustus 1939 er in ons huis bekenden van mijn vader uit Witmarsum; zelf zaten we in het zomerhuis.
Mijn vader had in de jaren ’20 voor hen een huis in Witmarsum gebouwd. Mijn moeder kreeg van hun een trommeltje biscuitjes, waarmee ik later over een drempel struikelde waardoor de biscuitjes eruit vielen. Het trommeltje heb ik nog [foto].
Diezelfde week, eind augustus 1939, werd de mobilisatie afgekondigd. Alle dienstplichtige mannen tot 35 jaar moesten opkomen. Op 1 september zouden de scholen weer beginnen, maar dat ging niet door. De militairen werden in de scholen ingekwartierd. En met het vliegveld was Bergen al een echte legerplaats geworden.
Als kind voelde je spanning. Een neef van mijn vader, Ate Yedema, die een smederij had in Wolvega, lag ook hier op het vliegveld. Samen met een plaatsgenoot brachten zij hun vrije tijd veel bij ons door.
Mei 1940
Trijnie Nederveen, mijn buurmeisje was 8 mei jarig. Die verjaardag in 1940 zal ik nooit vergeten. Met een heel stel vriendinnetjes gingen we spelen op het burgemeestersveldje aan de Hoflaan tegenover Kranenburg, waar de burgemeester toen woonde. Je voelde de spanning, die overal in de lucht hing. Met verstoppertje spelen durfde je niet ver het bos in te gaan. Overal waren soldaten.
En toen, van donderdag op vrijdagnacht 10 mei was het zover. Eind van de nacht, zo rond 4.30 uur, hoorde je met donderend geweld de bommen op het vliegveld terecht komen. De Duitse bommenwerpers vlogen af en aan. Ik hoor mijn vader nog zeggen: “Het is oorlog”.
Overdag keken we vanaf de achterkant van de huishoudschool aan de Loudelsweg [wat de nu Roland Holstschool is], recht tegenover ons, naar de vallende bommen.
Evacuees uit Amersfoort werden hier in Bergen bij de mensen ondergebracht. Ook bij ons in huis. De bombardementen gingen door. Ik weet nog wel goed dat de Duitsers de Afsluitdijk niet konden veroveren.
Die zondag 12 mei was 1ste Pinksterdag, stralend weer. Hoe zou het verder gaan? Na het bombardement, dinsdags op Rotterdam, heeft de regering zich overgegeven. Het begin van vijf jaar ellende.
Ik weet ook nog goed de allereerste Duitser die ik zag, op een fiets in de Kerkstraat. Ik was op dat moment 11 jaar. Ik voelde wel de spanning, maar de echte angst begreep ik nog niet, daar was ik denk ik te jong voor.
1940-1942
Zo goed en kwaad als mogelijk ging het gewone leven zijn gang. Overal Duitse soldaten, in huizen waar grote muren van zandzakken voor zaten. De huishoudschool tegenover ons aan de Loudelsweg zat ook vol, en het retraitehuis verderop aan de Loudelsweg zat vol SS-ers. Boven op de vierkante toren wapperde tot ergernis van iedereen hun grote SS-vlag. Een paar keer is die, met een harde storm, aan flarden gewaaid.
Naar ik later begreep waren aan de kust bij toerbeurt Duitse soldaten gelegerd die bij moesten komen van het vechten aan het oostfront in Rusland.
De Duitse officieren woonden in mooie huizen, bijvoorbeeld in De Middenblink aan de Eeuwigelaan. Ik herinner me dat voor de oorlog als we daar langs wandelden, ik in de tuin het speelhuis zag liggen van de kleinkinderen van de fam. Regout, de rijke eigenaren van een aardewerkfabriek in Maastricht.
Het laatste jaar van de lagere school (1940) en de eerste tijd van de MULO werden de lessen gegeven in het klooster van de zusters Ursulinen, schuin tegenover ons aan de Loudelsweg. Later werden er barakken in de tuin van de zusters geplaatst waarin we les kregen.
Samen met een aantal andere meisjes, waaronder een vriendin Mies Haakman, kregen we bijles zodat we direct in het tweede jaar van de MULO kwamen. Daardoor kon ik in plaats van vier jaar de opleiding in drie jaar afronden.
De ingang voor de lessen was aan de zijkant van het klooster, tussen de hoofdingang en de (toenmalige) Ursula-school. We stonden eens een keer met een aantal meiden op de trappen toen er twee wat oudere meisjes [namen weet ik maar noem ik niet] kwamen aan lopen, van wie bekend was dat ze met de Duitse soldaten aan het aanpappen waren. We begon richting hun ‘Sieg Heil’ te roepen. De zusters waren woest.
Het huiswerk werd vaak na de lessen op school gedaan. Daarom was het vaak donker als we naar huis gingen. Het was zo donker dat je de sterren kon zien. Zuster Redemptrice wist veel van astronomie en kon goed vertellen over wat we aan de hemel zagen.
Begin 1941 werden in Bergen de Nederlandse schaatskampioenschappen gehouden op de ijsbaan aan de Kerkedijk. Ik ben er gaan kijken.
Alles werd minder, eten op de bon. De ingang van het distributiekantoor was aan de zijkant van De Pilaren in de Kerkstraat. [Ik heb overigens ergens nog wat bonnen liggen uit de oorlog].
Kleding en alle textiel en schoenen werd moeilijk te krijgen. De winters waren extreem koud en kolen voor de kachel waren ook op de bon. C.V. had bijna niemand en dubbel glas bestond nog niet. Het was alleen een kachel in de kamer, ’s morgens aan en ‘s avonds uit. Er mocht ook geen licht naar buiten schijnen. Mijn vader had zwart verduisteringspapier met latjes erom voor houvast en dat ging dan voor het raam.
Het werk werd ook steeds minder. Materiaal was haast niet meer te krijgen. Mijn vader was nog een huis aan het bouwen aan de Oosterweg 9. Dit is het laatste huis dat gebouwd is in Bergen gedurende de oorlog. Voor de Duitsers wilde mijn vader niet werken, in tegenstelling tot verschillende andere ondernemers in Bergen.
Zo zagen we geregeld aan de overkant bij ons dat een Duitsgezinde bakker [naam is bekend maar noem ik niet] een bakfiets vol gebak kwam afleveren. Dit terwijl het voor de gewone mensen lastig was om aan brood te komen, laat staan gebak.
De Jodenvervolging kwam op gang. Ik herinner me nog dat de oude dokter Poot bij ons thuis in gesprek met mijn moeder (die uit Amsterdam kwam) verontwaardigd vertelde dat in Amsterdam alle Joden werden afgevoerd.
Van dokter Poot ging ook het verhaal de ronde dat hij zich niet door Seyss-Inquart liet intimideren tijdens een bezoek aan Bergen. Seyss-Inquart zei “Ich bin doktor Seyss-Inquart” waarop Poot zei “und ich bin doktor Poot”.
Als mensen omkwamen in Duitsland, werd dat in de krant vanwege de censuur neutraal geformuleerd in de trant van ‘overleden in Duitsland’. Op een gegeven moment werd bekend dat de bekende pater Titus Brandsma was overleden. Ik weet nog dat mijn vader direct zei: ”ze hebben hem vermoord”.
‘s Nachts werd je wakker van het geronk van de vliegtuigen, die naar Duitsland gingen om te bombarderen en na een paar uur weer leeg terugkwamen. Ik sliep in de kleine slaapkamer en zag door het dakraam in de zoeklichten soms de vliegtuigen, waarvan er verschillende werden neergeschoten.
In de St Antoniusstraat, tussen de Loudelsweg en Kruisweg was een schuilkelder.
Voedsel werd schaarser, de avondklok werd ingesteld. Tussen 10 uur ‘s avonds en 6 uur ‘s morgens mocht je niet meer buiten. Later werd het vanaf 8 uur ‘s avonds.
1943-1944
Bergen aan Zee werd ontruimd en grotendeels afgebroken. Alles voor de Atlantikwall. De stenen van de huizen werden gebruikt om wegen in de duinen aan te leggen.
De scholen moesten ook weg. Van de MULO, waar ik op zat, gingen begin 1943 de eerste en derde klas naar Oudorp en de tweede en vierde klas naar Warmenhuizen. Dus ik iedere dag op de fiets naar Oudorp. Eigenlijk reed je dan vlak langs het vliegveld, wat dikwijls ‘s nachts nog gebombardeerd was.
Een keer stonden we buiten in de pauze in Oudorp en zagen de bommen hier op het vliegveld vallen. Dan was je blij als bij thuiskomst alles nog in orde was.
Begin 1943 kreeg iedereen bericht dat ze moesten evacueren. Eind februari de niet-economisch gebondenen en een maand later de overigen. In die maand ging het praatje, wie er nog is kan blijven.
Wij bleven met een paar buren. De lege huizen werden meteen door de Duitsers bezet. Het huis links naast ons zat vol met munitie en er stond een hele muur van zandzakken omheen en de loopgraven in de tuin.
Ik herinner me nog dat vanaf de huishoudschool tegenover ons, waar de Duitse soldaten gelegerd waren, zij in kolonnes aan het marcheren waren. Tijdens het marcheren zongen zij dan luidkeels liederen zoals “Vor der Kaserne vor dem grosen Tor stand eine Laterne …..Lili Marleen ..….”.
Maar als het luchtalarm afging, dan vlogen de Duitsers alle kanten op, op zoek naar een schuilplaats.
Ik weet ook nog dat een paar Duitsers een konijn hadden als huisdier. Toen op een dag liep een Duitser zijn konijn te zoeken, want die was weggelopen. Mijn vader had hem stiekum achtergehouden en die hebben we toen met Kerst opgegeten; want er was bijna geen vlees en dan was dit heel bijzonder.
Maar er werd ook vaak geruild. Ik weet nog dat mijn poppenwagen, waar ik al te oud voor was maar waar ik nog heel erg aan gehecht was, werd geruild voor een kist aardappels.
In die tijd werd de toestand veel chaotischer, huiszoekingen, gevangennemingen, fusilleringen enz. Die oorlogswinters waren ook erg koud, brandstof was op de bon en veel te weinig om een kamer te verwarmen. Tegenover ons werden er ladingen kolen gelost voor de Duitsers. Een keer zocht mijn moeder tussen het zand naar wat verloren kooltjes. Meteen kwam er zo’n mof op haar af en ik hoorde hem tegen mijn moeder schreeuwen: “holländische Schweinehund, sie stehlen unsere kohlen”. Moeder ging maar gauw naar binnen.
De voedselvoorziening werd al slechter, al minder bonnen om eten te kopen. In de oogsttijd ging mijn vader met een kennis naar tuinders richting Langedijk. Daar mochten ze dan aren lezen, dat wil zeggen, nadat de tarwe geoogst is, het restant opzoeken, meenemen en gingen wij vervolgens thuis de korrels eruit zeven, zodat je nog een broodje kon bakken.
Ook de klokken uit de torens werden gevorderd om omgesmolten te worden tot oorlogstuig. Zelfs koperwerk, vaasjes, sierpotjes enz. moest je inleveren. Dat werd natuurlijk niet altijd gedaan en op een veilige plaats verstopt.
In de beginjaren van de oorlog ging ik nog wel ‘s over en weer bij mijn neven en nichten in Friesland logeren (waar mijn vader vandaan kwam). Zijn broer mijn oom Gerben daar had geen werk. Die voelde zich als kostwinner gedwongen om min of meer vrijwillig als arbeider voor de Duitsers te werken, eerst in Duitsland en later in de Baltische Staten in de buurt van Leningrad. Zijn oudste zoon, mijn neef Wopke even oud als ik, was er fel op tegen. Ook mijn eigen vader was er boos over. Als er post van mijn oom kwam, dan zaten er grote stempels van de SS op. Mijn vader vond dat verschrikkelijk en schaamde zich ervoor.
jonge mannen moesten naar Duitsland om dwangarbeid te verrichten. Van onze overburen de kruidenier Nederveen [thans de snackbar], moesten in de oorlog alle drie zoons naar Duitsland. Eén daarvan, Leen, werkte in Bergen in het kassenbedrijf aan de Noord- of Zuidlaan. Daar tegenover woonde een Duitse officier in een villa. Die was eigenlijk een boer en wist te regelen dat Leen op zijn boerderij in Duitsland terecht kwam in plaats van in een stad in een fabriek.
Op die boerderij ontmoette Leen zijn toekomstige bruid, een Pools meisje. Zij werd in Polen als 15-jarige samen met andere meisjes en vrouwen na afloop van een kerkdienst door de Duitsers opgewacht. En vervolgens werden ze in een soort van razzia opgepakt, op een vrachtwagen gezet, en voor terwerkstelling naar Duitsland afgevoerd.
Ook een dierbare vriend van mijn vader, broeder Augustinus uit een klooster in Venlo, moest naar Duitsland om daar loopgraven te graven. Na de oorlog vernamen we dat hij het leven had gelaten, mijn vader was daarover zeer verdrietig.
Ook de fietsbanden werden slechter, de winters koud en we gingen dan met de bus naar Alkmaar voor school. Het eindpunt was toen bij de Bergerhout, waar nu de rotonde is. En dan moest je nog ruim een half uur lopen naar Oudorp naar school, door de stad en over de Friesche brug en de Munnikenweg. Openbaar vervoer werd ook al minder. Dikwijls moesten we lang voor de brug wachten. Een sleper trok soms wel 10 andere boten. Brandstof was schaars. We kwamen natuurlijk wel eens te laat, maar we hadden altijd –terecht of onterecht- het excuus, dat de brug openstond.
En dan het Tommy’s tellen. Vooral op weg naar school vlogen er denk ik wel honderden vliegtuigen na in Duitsland gebombardeerd te hebben, terug naar Engeland, ze vlogen in een V-vorm. En dan bij school aangekomen, vergelijken hoeveel anderen geteld hadden.
Het is ook wel eens gebeurd dat we via Koedijk naar school fietsten. Toen fietsten we langs Duitse barakken en zagen we overal zilver-achtige papiertjes liggen die de geallieerden hadden gedropt, met teksten als ‘steun het verzet en de binnenlandse strijdkracht.’ Op school gekomen moesten we van de zusters die papiertjes snel weg doen.
1944 eindexamen: Eerst schriftelijk. Ook papier was schaars en later het mondelinge examen. Ik weet er niet veel meer van, alleen dat ik met mooie cijfers geslaagd ben.
Begin juni 1944 kwam Gre Brakenhoff, ons buurmeisje die met haar familie geëvacueerd was naar Hoorn en nog twee dagen in de week werkte bij garage Smit, vertellen: “buurvrouw jullie moeten weg gaan, want als er wat gebeurt, laten ze hier alles in de lucht vliegen, en dat met een huis vol munitie naast je”…….
Naast ons aan de Stroomerlaan woonden sinds enige tijd buurvrouw en buurman Smit (geen familie van garage Smit), een jong stel, toen pas getrouwd, die de melkzaak van Brakenhoff en later Bakker (die kort daarna jong was overleden) hadden overgenomen. Die namen ons mee naar haar ouders in Krabbendam. Vader en ik ook op de fiets, mijn moeder (die niet kon fietsen) voor op de transportfiets van buurman Smit, en zo naar Krabbendam met wat kleding en een paar dekens als bagage en maar hopen, dat de Duitsers de brug bij Schoorldam niet open hadden gezet. Zo zijn we een week bij Opa en Opoe Dekker in huis geweest. De eerste dag zagen we grote rookwolken en hoorden we de ontploffingen. Het vliegveld werd opgeblazen.
Het was de week van D-Day. Dat wist je toen natuurlijk niet. Wat er nog aan krant verscheen was sterk gecensureerd. Na een week zijn we weer naar huis gegaan met de hoop, dat alles er nog stond.
Al gauw kwam het bericht, dat iedereen weg moest. Maar ja. Waarheen? Alkmaar en alle omliggende plaatsen zaten al vol met mensen uit Den Helder en andere kustplaatsen. Zo belandden wij bij tante Jans, zus van mijn moeder, en oom Willem Twint. Op een open vrachtwagen, met onze spullen, kwamen we in Nieuwendam (Amsterdam Noord) aan. Enkele huizen verderop aan de Nieuwendammerdijk stond een kelderwoning leeg, daar hebben we gewoond tot we terug naar Bergen konden.
Hongerwinter 1944-1945
Onze kamer keek uit op het Vliegenbos. Het werd een koude winter. Praktisch geen kolen, dus er zijn heel wat bomen omgezaagd voor warmte en te kunnen koken.
Vader verdiende de kost met hout zagen……
Oom Jan Bonink, getrouwd met tante Marie, een zus van mijn moeder, had een broer met een bakkerszaak aan de rand van de Jordaan. Vader had hem ooit hout geleverd voor een eventuele verbouwing, nu in ruil voor brood. Eens in de week mocht ik 5 broden halen. Gist was er niet meer. Dus een broodje was niet hoger dan 5 centimeter!!!! Dan liep ik vanaf huis in Nieuwendam naar de pont aan het IJ, nabij het Tolhuis. De ponten vaarden niet meer heen en weer, daar was geen brandstof voor. Ze waren als een brug aan elkaar vast gemaakt. Er lagen een stuk of vijf achter elkaar, met tussen de 4e en 5e pont een serie kleine bootjes, welke gedeelte kon uitzwenken. Als je pech had moest je wel een uur wachten wanneer er een schip door moest. Dan liep ik verder, door de Haarlemmerstraat en naar de bakkerij.
Ik vond het eng om met die broden terug te lopen. Iedereen langs de weg had honger, en als ze zouden merken dat ik brood had, zou de tas uit mijn handen gegrisd worden. Gelukkig is dat niet gebeurd.
Eén brood ging er altijd naar tante Jans en oom Willem. Zij hadden een melkzaak en stopten ons ook wel eens wat toe.
En dan de z.g. hongertochten: Met handkarren, fietsen, kinderwagens of iets anders wat rijden kon, trokken velen erop uit om nog wat voedsel te kunnen kopen. Zo ben ik als 16-jarige een paar keer met oom Kees (de Boer), broer van moeder, die op het Meerpad woonde, helemaal naar Bovenkarspel geweest (bij Enkhuizen). Moeder had daar nog een paar nichten wonen. Op goed geluk gingen we daar dan heen. We konden daar een nacht blijven. Oom Kees met de bakfiets en ik op mijn eigen fiets met anti-plofbanden! Met ruilen van een paar pannen of wat linnengoed, kwam je dan met bonen of erwten, en wat meel weer thuis.
Op de terugweg gingen we dan bij onze vroegere buren uit Bergen aan (de familie Brakenhoff), die in Hoorn geëvacueerd waren. Een keer was het weer zo slecht, dat ik van hun niet verder mocht en bij hen heb overnacht. Oom Kees is toen alleen verder gegaan. Dicht bij huis hebben de Duitsers toen alles van hem afgepakt. De volgende dag ben ik naar huis gegaan. Ik zag ergens kisten witlof staan en vroeg de tuinder om een pondje. Ik kreeg het niet, alleen als ik wat te ruilen had. Maar dat had ik niet meer. Gelukkig kwam ik veilig met mijn spullen thuis.
Bij Schouw, een paar kilometer richting Purmerend, konden we eens per week een fles melk halen, hij rekende maar 20 cent, maar je moest wel schillen meenemen, als voer voor de koeien. Maar als je geen aardappelen hebt, heb je geen schillen!! Gelukkig was oom Jan er nog; als groentenboer had hij soms nog wat liggen.
(Als zijdelijkse opmerking: eerder in de oorlog is hij een keer met paard en wagen naar de Wieringermeer geweest om voedsel te halen.)
De bonnen die zijn klanten hadden ingeleverd lagen in een grote berg op de tafel in de keuken. Wij als kinderen waren dan bezig die bonnen op vellen te plakken, dat was verplicht.
Bij oom Nico, de jongste broer van mijn moeder, en tante Dora, waren er eerder in het jaar drie (of meer) kinderen naar Brabant gegaan om aan te sterken. Dat was niet ongewoon in Amsterdam. Die kinderen konden vanwege de bevrijding van het zuiden van het land niet terug naar Amsterdam. Eén van de andere kinderen die wel in Amsterdam gebleven waren, Thea, kreeg in de hongerwinter difterie en is daaraan overleden.
De pastoor ging de boeren, die bij de parochie hoorden, langs en vroeg om een koe. Die werd dan in de ruimte onder de kerk geslacht en onder de parochianen verdeeld. Een stukje vlees, dat was een weelde.
1945
Het werd voorjaar, niet meer zo koud en dan de voedseldropping begin mei, blikken biscuit en het Zweedse wittebrood. Zou het nu toch bijna voorbij zijn??
Overal geruchten, zouden de Duitsers zich overgeven? Eindelijk het bericht: 5 mei 8 uur ‘s morgens zou de capitulatie intreden. Met moeder ging ik op 5 mei ’s ochtends vroeg naar de kerk. Overal zag je vlaggenstokken uit de ramen, het was nog voor achten. Na de Mis, toen we terug liepen, hingen overal de rood-wit-blauwe driekleur. Heel emotioneel. We waren vrij!!!!!
Twee dagen later. We zouden de intocht van de Canadezen vieren. Met buurmeisje Dina ging ik naar de stad. De Dam stond stampvol met juichende mensen. Ik stond vrij vooraan bij het Paleis op de Dam waar de Canadezen met hun intocht langs zouden komen.
De Duitsers, bovenop het gebouw van de Grote Club op de hoek van de Kalverstraat werden zo kwaad, dat ze op de menigte begonnen te schieten. Vlakbij mij, voor het Paleis lag een jonge man. Dood. Door het hoofd geschoten. In paniek vluchtte iedereen een kant op. Ik rende zo hard als ik kon richting de Nieuwe Kerk, en daarna naar de Nieuwezijds Voorburgwal, en liep vanaf daar terug richting het IJ. Het was nog wel even schrikken toen een Duitse tank kwam langs rijden. Wat was ik later blij, dat ik weer thuis was.
Alle festiviteiten zijn toen afgelast tot alle Duitsers ontwapend waren.
Een maand later gingen we weer naar Bergen. Er reed af en toe weer een trein. Drie uur deed hij over de rit van Amsterdam naar Alkmaar. Onze huisdeur stond open, wat we achtergelaten hadden was weg. Het was een grote troep, en grote holen in de grond en langs de weg. Langzamerhand kwamen alle bewoners weer terug. Er kwam weer meer eten. De distributie van bonnen werd langzaamaan afgeschaft.
Weer een paar maanden later kwam buurvrouw Nederveen uitzinnig van blijdschap en opluchting bij mijn moeder, roepende dat Leen terecht was en thuis zou gaan komen, met zijn Poolse vrouw (ze moesten trouwen omdat ze anders Nederland niet in mocht).
We hoopten dat vader ook weer op zou knappen. Maar nee, het ging niet meer en op 22 maart 1946 is hij overleden. Hij heeft de oorlog niet kunnen verwerken.