Henk van den Ham
Opgetekend door (J) Sjef Smeets
Vandaag, 29 november 2025, noteerden we in Geldrop de oorlogsherinneringen van de, op 12.5.1935 in Bilthoven geboren, heer Henk van den Ham:
Mijn ouders, Hendrik van den Ham en Ans Meijer, hadden naast mij ook nog zoon Pim, geboren in 1937. Ze vertelden ons dat het oorlog was. Met die mededeling kon ik, 5 jaar oud, natuurlijk weinig doen. Later vertelde mijn vader dat hij bij de mobilisatie opgeroepen was als reserveofficier bij de veldartillerie en toen gelegerd was geweest bij Uden in Brabant en in het Zeeuwse Dreischor.
Echte herinneringen heb ik vanaf de schooltijd. Eerst de kleuterschool in De Bilt, de enige christelijke school in de buurt, waar we in een auto met een grote houtgasgenerator naartoe werden gebracht.
In het gebouw van de lagere school, de Julianaschool, konden we daarna niet terecht, omdat het was ingenomen door de Duitsers. Maar daarnaast stond de gereformeerde kerk, waarvan de pastorie als school was ingericht.
Van de bezetters kreeg iedereen de opdracht zijn huis ’s avonds en ’s nachts te verduisteren.
Mijn ouders hadden familie in Apeldoorn, waar mijn grootvader van vaders’ kant Hoofd van de school was. Mijn ouders gingen daar in de oorlog op de fiets naar toe. Een keer toen mijn vader in 1944 die tocht eens alleen maakte om er een zakje rogge te gaan halen, is hij op de Amersfoortse Berg aangehouden en naar Kamp Amersfoort gebracht. Ze zijn daarvandaan met een aantal mensen in een trein gedouwd, die richting Duitsland ging voor de Arbeitseinsatz. Tot zijn geluk bevond zich in zijn wagon ook een ex-medewerker van de Spoorwegen. Die had een combinatietang bij zich, waarmee hij de deur kon openen. Mijn vader is er bij Stroe uitgesprongen, bij zijn ouders in Apeldoorn kunnen komen en na enige dagen ondergedoken bij kennissen in Bilthoven. Daar bleef hij tot aan de bevrijding (samen met de rest van Nederland op 4/5 mei 1945). We konden hem af en toe opzoeken.
Ik herinner me ook dat we heel blij naar de Amerikaanse vliegtuigen keken, die over kwamen, op weg naar Duitsland. Op zich hadden we daar geen last van. Maar het vliegveld Soesterberg lag vlakbij en dat werd gebombardeerd. Ook in Bilthoven vielen een aantal bommen. Bij het station, zo’n 10 minuten lopen bij ons vandaan, zat een hoofdkwartier van de Duitsers in een grote villa. Die is ook gebombardeerd.
Wat ik me zeker herinner is dat we het koud hadden en dat we wat genoemd werd “de Hongerwinter” beleefden. Ik herinner me niet dat wij ook honger hebben gehad. Er werd me wel geleerd dat ik altijd mijn bord leeg moest eten. Mijn vader had, doordat hij voor de onderduikers moest zorgen, meer voedselbonnen. Hij kwam ook wel op een bepaalde boerderij, waar dingen geregeld konden worden. We aten suikerbietenstroop. En we konden wel wat halen in een gaarkeuken.
Mijn vriendje woonde op een boerderij in het bos. Met hem liep ik samen, op klompen, naar school. Bij hun gingen we ook hout halen om het thuis een beetje warm te stoken.
De Duitsers hadden overal schuren staan, waarin ze spullen opsloegen. Daar lag ook droog hout bij, wat we weghaalden om ons huis te verwarmen. In het laatste oorlogsjaar werd de spoorlijn van Amersfoort naar Utrecht ook bij Bilthoven regelmatig gebombardeerd. Delen van patroonbanden vonden we in die tijd bij ons in de tuin. Daar stonden wij dan van op een afstand naar te kijken. Maar we mochten niet meer gaan schaatsten in het Heidepark. In die tijd is ook een bommenwerper, die we heel laag over zagen komen, in een villa terecht gekomen.
Er woonde ook een aantal NSB-er bij ons in de straat. Beter gezegd: we waren er als het ware door omringd. Een van die families heette van der Zee. Zij woonden twee huizen bij ons vandaan. Daarnaast woonde de familie Laverman. Hij was kapitein bij de marechaussee. Volgens mijn ouders was hij in de oorlog “een goede Nederlander”.
Op een gegeven moment hadden we voor ons raam een groot plakkaat hangen met daarop “Besmettelijke ziekte”. Daar waren de Duitsers als de dood voor. Dus van razzia’s in onze straat hadden wij zodoende geen last. Die afschrikkende actie van mijn ouders zal er wel mee te maken hebben gehad, dat wij gedurende een aantal maanden twee Nederlandse onderduikers in huis hadden. Ik weet nog dat die tegen Sinterklaas gingen knutselen. Ze maakten bij voorbeeld boekenkastjes voor ons. Er is ook een Joodse man in huis geweest. Die logeerpartijen gaven toch spanning. Ik heb later nog wel eens geprobeerd iets meer te weten te komen over de onderduikers, die in Bilthoven waren. Mijn vader volgde zeer geïnteresseerd de voorgang van de oorlog, ook hoe die zich in Noord Afrika ontwikkelde. Dat kan in functie zijn geweest van zijn lidmaatschap aan het eind van de oorlog van de BS, de “Binnenlandse Strijdkrachten”. (op 5 september 1944 opgericht door samenvoeging van de belangrijkste verzetsgroepen: de Ordedienst OD, de Landelijke Knokploegen LKP en de Raad van Verzet RVV. J.S.). Ik vermoed ook dat hij, als onderwijzer op de MULO, veel mensen kende. En daardoor ook medeorganisator was van het onderbrengen van onderduikers in Bilthoven. Maar daar heb ik geen bevestiging van gevonden. Ik weet wel van een groot aantal adressen, waar toen mensen naar toe gingen. Bij voorbeeld bij het gemeentehuis was een huis van de boswachter. Daar nam mijn vader mijn broer en mij mee naar toe. Ik neem aan dat wij als een soort van dekmantel werden gebruikt om zijn bedoelingen van die bezoekjes te camoufleren. Vermoedelijk had hij daar een contactpunt voor onderduikers. Ook gingen we regelmatig naar de familie Maas Geestranus, die in een heel groot huis woonden. Ook naar een Joodse mevrouw in onze Parklaan moesten we regelmatig dingen gaan brengen. We distribueerden ook het verzetskrantje “De vliegende Hollander”. (Door geallieerde vliegtuigen werd tussen 22 mei 1943 en 10 mei 1945 het nieuwsblad De Vliegende Hollander boven Nederland uitgestrooid. Op deze manier werden de inwoners in het bezette gebied over het verloop van de oorlog geïnformeerd. J.S.). Ik denk ook dat mijn vader een radio in huis had gehouden terwijl die ingeleverd had moeten zijn.
Hij is vanaf medio 1944 tot aan de bevrijding niet meer thuis geweest. En heeft zich ook onmiddellijk gemeld als reserveofficier bij de “7 December Divisie” (expeditionaire Nederlandse legermacht, die in 1946 werd opgericht om in Nederlands-Indië orde en rust te gaan herstellen. J.S.). Daarvoor was hij ook nog voor een speciale opleiding een aantal maanden in Engeland.
Aan zijn afwezigheid kwam geen einde, want in 1946 was hij een van de eersten, die als kwartiermakers naar Indië werden gestuurd.
Toen het land bevrijd was, werden de schemerlampen uit de huizen bij ons op straat gezet. Daar werd bij gedanst.
We zijn na de bevrijding eens in De Bilt gaan kijken naar de geallieerden, die langs zouden komen. Maar dat ging niet door, want ze hadden kennelijk een andere afslag genomen.
Er is een hele grote afdeling van de Polar Bears Divisie (de Britse Divisie diende in W.O II o.a. ook onder het 2e en het 1e Canadese Legerkorps. J.S.) bij het zwembad “De Biltse Duinen” in Bilthoven gestationeerd geweest. Een van hun militairen was chauffeur op de tandartsenauto van het leger. Mijn ouders zijn naar het legerkamp gegaan, waar hun hoofdkwartier was en namen een van die Canadezen, Sidney Smith, mee naar huis. Hij kwam van tijd tot terug, maar had niet zo’n frisse ideeën met mij. Hij klom een keer bij mij in bed. Toen hoefde hij niet meer terug te komen. Veel later heb ik toch wel geprobeerd iets over hem te achterhalen. Maar omdat ik geen legernummer of iets dergelijks van hem had, kwam ik met dat onderzoek niet verder.
In onze Parklaan stonden meerdere militaire vrachtwagens. Daar sliepen ze in en ze maakten er ook eten klaar. Ze groeven dan een gat en kieperden er een blik benzine in om b.v. eieren te bakken. Dat vonden we als kinderen natuurlijk heel lekker. Maar opeens waren ze weer weg.
Toen wij in mei van dit jaar in de Bilt logeerden, leek het er op dat daar nog steeds oud-leden van de Polar Bears Divisie terugkwamen om onze bevrijding mee te vieren. Maar wat ze zagen lopen bleek een verklede vriendengroep van die Divisie te zijn, zo vernam ik van een dame, waarmee ik nog op de lagere school had gezeten.