Lien Lenders- Berkers
Het gezin van Arnold Berkers en Cornelia Bos telde in 1938 zeven kinderen
v.l.n.r. Wiel, Toos, Maria, vader, Sjaak, moeder, Lien, Sjeng en Jet
Lien (hier bij moeder op schoot) was hun jongste kind
Opgetekend door (J) Sjef Smeets
Vandaag, 11 december 2025, noteerden wij in Geldrop de oorlogsherinneringen van, de op 24.8.1935 te Koningslust, destijds een kerkdorp in de gemeente Helden, tegenwoordig gemeente Peel en Maas, (Noord-Limburg) geboren, mevrouw Lien Lenders – Berkers
Het ouderlijk huis in Koningslust
De ouders van Lien
Duitse soldaten kwamen ook bij ons binnen. Mijn zusje Maria was dan altijd bang. Maar zij moest toch met mij samen, over diverse sloten van huis naar huis, bij mensen langs om te waarschuwen dat er een razzia van de SS zou zijn in het dorp. Dat wisten we van “goeie” Duitse soldaten, die waren ingekwartierd bij mijn oom Kuüb (Kobus).
Vader had in de slaapkamer een gat in de grond gemaakt. Daar werd een mat opgelegd. Mijn vader zat daaronder als er razzia’s waren en mannen werden opgehaald om in Duitsland te gaan werken. Hij zat ook wel eens ondergedoken in het grote Aschbroekbos bij ons achter. In mijn herinnering was hij veel weg. Zijn neus was blijvend verminkt door een operatie in 1934 in Amsterdam wegens kanker. Als mijn moeder dat tegen de Duitsers zei, dan wilden die nog wel eens snel maken dat ze weg kwamen. Mijn moeder was niet bang. Een neef van me, Theo, is wel meegenomen. Maar zijn moeder zei: “Waar het kind is, daar is ook zijn moeder”. Dus die ging met haar zoon mee. Toen hebben de Duitsers hem toch weer mee terug naar huis laten gaan.
Een koe van de familie had eens twee kalveren gekregen. Die werden geslacht en het vlees werd in de kelder gedaan. Dat was verraden. Toen kwam er iemand van de gemeente Helden, die wilde weten wat er in de kelder lag. Die man geloofde niet dat er maar één kalf lag. Moeder zei: “Je mag beneden gaan kijken. Maar ik doe de deur achter je op slot. Gevolg, hij durfde er niet in te gaan.
We hebben ook regelmatig in de kelder moeten zitten. We hadden twee kelders, een die mijn vader in de tuin achter het huis had gegraven en een binnenshuis. We verbleven tijdens het schuilen in de kelder in huis. Ook dan was mijn vader er niet altijd bij. Een keer zijn der zeven granaten rondom ons huis gevallen. (Koningslust en omgeving, gelegen in het gebied tussen Maas en Peel, waren in de herfst van 1944 frontgebied. J.S.) Het huis bleef gespaard, terwijl wij in de kelder zaten. Ik weet nog dat ik bij mijn moeder op schoot zat. En dat zij mijn oren dichthield. Dat heeft op mij toen veel indruk gemaakt. Op het konijnenhok was wel een granaat gevallen. Wij hadden ook grond in de hei bij Helden, waar een vliegtuig neerstortte. Mijn broers kwamen thuis met een propeller van dat toestel. Daar is bij ons in de tuin een draaimolen mee gemaakt. Er werd gezegd dat mijn moeder nogal wat goud had. Dat was op een gegeven moment uit de kelder verdwenen.
Mijn vader zorgde als tuinder ervoor dat we genoeg eten in de kelder hadden. De luiken van het huis waren zwart gemaakt. Daar mocht geen licht door naar buiten schijnen.Er is een gezin uit Blerick bij ons geëvacueerd geweest. Een onderwijzer van de lagere school daar, met drie kinderen.
In de loop van de oorlog kwam Beb, een Joods meisje, bij ons in huis. De huisarts Verberne had haar bij ons ondergebracht. Voordien was ze al in Beringen (ook gemeente Helden) geweest. Maar daar moest ze weg. Haar achternaam was Leefmans, maar bij ons heette zij, om haar Joodse achternaam te verbergen, “Beb van de Berg”. Zij hoorde er meteen helemaal bij. Ze werd door mijn ouders behandeld als een eigen kind. Zij was in 1932 geboren in Den Haag of in Alkmaar. Zij ging met mijn oudere broers en zusjes naar de lagere school. Ze leerde ook goed Limburgs spreken.
Mijn broer vertelde later dat op een zaterdag een Duitser de loop van zijn geweer tegen het hoofd van moeder had gezet. Zij moest zeggen waar “dat kind” (Beb) vandaan kwam. Haar aanwezigheid bij ons was kennelijk verraden. Mijn moeder moet toen gezegd hebben: “Dat is een kind uit de stad”. Daar is ze mee weggekomen. Ik weet niet of mijn vader toen onder het huis zat. Het kwam ook voor dat mijn zusje Toos op bed moest gaan liggen als er weer huiszoekingen waren. Haar gezicht werd dan wit gemaakt, zodat ze er heel ziek uitzag. Dat moest afschrikken.
In de bevrijdingstijd was ik heel bang dat de oorlog toch niet voorbij zou zijn. Wij zijn bevrijd door de Engelsen. Die verbleven ook bij oom Kuüb, waar voorheen die “goeide” Duitsers zaten.
Na de oorlog is Beb door de politie bij ons weg gehaald en naar Amersfoort gebracht. Mijn vader was in de tuin aan het werk. Hij huilde toen, dat weet ik nog wel. Mijn ouders beschouwden Beb al jaren als hun eigen kind. Zij hoorde bij ons te blijven, vonden mijn ouders. Zij zijn Beb nog eens met een taxi in Amersfoort gaan opzoeken. Die rit heen en terug kostte zestig gulden. Dat was toen heel veel geld. Na verloop van tijd is Beb, toen ze al getrouwd was weer regelmatig naar ons toe gekomen. Als er een van ons trouwde, dan was Beb erbij.
Om wat mijn ouders voor Beb hadden gedaan is in Israël een onderscheiding aangevraagd: de Yad Vashem. (Dragers mogen zich “Rechtvaardige onder de Volkeren” noemen; een term uit het Joodse boek der wijsheid – de Talmoed – om niet-Joden te karakteriseren die een gunstige houding hebben ten opzichte van Joden. J.S.). Wij zijn met de hele familie in Amsterdam bij de uitreiking aan mijn vader en moeder geweest. Dat was in 2011.