Annie Claassen-Zwart

Opgetekend door Marco Bontje

Op een herfstavond in november 2025 bel ik aan bij mevrouw Annie-Claassen-Zwart. Ze woont in ‘Bluebanddorp’ in Amsterdam Slotervaart, zo genoemd vanwege de blauwe daklijsten van de huizen. Annie Claassen-Zwart werd geboren in 1939 en groeide op in het centrum van Amsterdam, boven de groentewinkel van haar ouders. Ze hadden eerst een winkel in Oostenburg, maar verhuisden in 1944 naar de Weesperstraat. De groentewinkel kwam in het pand waar daarvoor bakkerij Vuysje gevestigd was.

De bakkerij was een van de vele Joodse winkels in wat toen nog de Joodse buurt van Amsterdam was: Nieuwmarkt, Lastage, Plantagebuurt en Weesperbuurt. Veel van die winkels en de huizen daarboven kwamen tijdens de oorlog leeg te staan toen hun eigenaren en bewoners opgepakt en gedeporteerd werden. Zo ook Isaac Vuijsje en Schoontje Vuijsje- van Beetz, de eigenaars van de bakkerij. Ze werden bij een razzia in 1943 opgepakt en via Westerbork naar Sobibor gedeporteerd, waar ze al snel na aankomst vermoord zijn. Hun kleinzoon Herman, kleindochter Marja en achterkleinzoon Robert Vuijsje schreven over deze familiegeschiedenis, en op de website Joods Amsterdam is hier ook aandacht voor (zie de bronnen onder dit verhaal). De nabestaanden kregen de bakkerij en de woning daarboven na de oorlog niet terug. Dat gebeurde met veel winkels en huizen in de Joodse buurt, waar intussen meestal andere winkels en bewoners waren gekomen. De nieuwe bewoners en winkeliers wisten meestal niet wat er met de vorige bewoners en winkeliers was gebeurd.

In 2013 verscheen een artikel in het tijdschrift ‘Ons Amsterdam’ waarin Annie Claassen-Zwart vertelt over de groentewinkel en het leven in de buurt in de laatste oorlogsjaren en daarna. Het artikel zelf is helaas niet online, maar wel een ingekorte versie op de website Joods Amsterdam (zie de bronnen onder dit verhaal). Een citaat hieruit: “Toen de Joodse kinderen terugkwamen uit de onderduik was er geen Joodse school. Alle kinderen uit de buurt gingen naar de Frederiksschool op het Weesperplein. Die school was veel te klein. Ik zat met 54 kinderen in de eerste klas. Er werd nauwelijks over de oorlog gesproken. Soms zei mijn vriendinnetje Clara tijdens het spelen wel eens dat ze haar moeder miste. Die was vermoord in het concentratiekamp. Dan zei je: ‘zielig hè?’, en dan ging je verder met spelen.”

 

De Weesperstraat en omgeving zijn na de oorlog onherkenbaar veranderd. De brede autoweg die we nu kennen is in de jaren zestig aangelegd. Daarvoor was het een smalle winkelstraat zoals de Utrechtsestraat en Leidsestraat nu nog zijn. De meeste bebouwing van voor de oorlog is toen gesloopt, zo ook de groentewinkel en woning van de familie Zwart. Op deze plek kwam eerst het  Monument van Joodse Erkentelijkheid, en later het Holocaust Namenmonument.

 

Weesperstraat, ca. 1935.

Bron: Wikimedia Commons/ Joods Museum.

Weesperstraat en Weesperplein tijdens aanleg metro, 1972.  Bron: Wikimedia Commons/ Nationaal Archief.

De Weesperstraat in november 2025, met rechts het

Holocaust Namenmonument. Bron: eigen foto.

 

De lagere school waar Annie vlak na de oorlog naar school ging was dus eerst op het Weesperplein, maar verhuisde al snel daarna naar de Voormalige Stadstimmertuin. Hier waren tot halverwege de oorlog het Joods Lyceum en de Joodse HBS gevestigd. De bekendste leerlingen van het Joods Lyceum waren Anne en Margot Frank en een van de docenten was Jacques Presser, die later bekend werd met het boek ‘Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945’. In 1943 hielden de scholen op te bestaan, bijna alle leerlingen en docenten waren toen al opgepakt en gedeporteerd of ondergedoken. Na de oorlog kwam in de leegstaande schoolgebouwen de openbare lagere school waar Annie naar school ging. De Joodse HBS kwam uiteindelijk terug naar de Voormalige Stadstimmertuin en kreeg later de naam Joods Lyceum Maimonides. In 1972 is deze school naar Buitenveldert in Amsterdam-Zuid verhuisd. In de vroegere schoolgebouwen zitten nu een kinderopvang en kantoren van de gemeente Amsterdam.

De Joodse HBS, later Joods Lyceum Maimonides geworden (links), en het Joods Lyceum (rechts), waar na de oorlog tijdelijk een openbare lagere school in kwam. Bron: eigen foto’s.

 

Haar eerste schooljaren vlak na de oorlog waren voor mevrouw Claassen-Zwart de aanleiding om contact met ons op te nemen. Ze zag een oproep in een lokale krant in Blaricum en wilde graag haar verhaal met ons delen: “Wat mij dreef was een beetje frustratie van mij en ik heb er nooit wat over gelezen”.  We hebben niet alleen over de oorlog en de eerste jaren daarna gepraat, maar ook over de tijd dat zij en haar man zelf een groentezaak hadden in de Leidsebuurt in de jaren zestig. Veel gezinnen vertrokken uit die buurt (en uit andere buurten in het centrum) naar de nieuwbouwwijken van Nieuw-West. De Leidsebuurt werd de horecabuurt die we nu kennen en er woonden toen ook veel bekende artiesten zoals Ko van Dijk en Wim Sonneveld. Later zouden Annie Claassen-Zwart en haar gezin ook naar Nieuw-West verhuizen.

 

Naar school

Annie Claassen-Zwart was 6 jaar toen de oorlog afgelopen was en ze voor het eerst naar school moest:

“Ik ben geboren in januari 1939, dus toen ik 6 jaar was, was net de oorlog afgelopen. Ik woonde in de Joodse buurt in de Weesperstraat in Amsterdam. En alle Joodse kinderen waren natuurlijk ondergedoken, in Brabant en Groningen en weet ik waar, in het hele land. En die kinderen kwamen terug. In mei was de oorlog afgelopen, en in augustus, half augustus, gingen we weer naar school toe. Dus inmiddels waren die kinderen uit de onderduik terug. Maar de gemeente Amsterdam afdeling scholen heeft daar nooit aan gedacht. Maar de Joodse school was weg, die school stond leeg. Dus de kinderen gingen naar de openbare school. We waren de eerste school in Nederland met meer dan duizend leerlingen. Voor een lagere school! En ze hadden niets, ze hadden geen papier, geen potloden. We moesten als kinderen nog zelf naar zolder toe, hele grote leien halen en op leien schrijven. We leerden rekenen met stippen zetten, zoals je dominostenen hebt. We zaten met de armen helemaal tegen elkaar, met zijn drieën in een bank. Ja, toen was Meneer Van der Velde in de gemeenteraad voor scholen, en die heb ik wel eens privé horen zeggen dat hij zich eigenlijk schaamde daarvoor, dat ze er nooit aan gedacht hadden dat al die kinderen van de onderduik terug zouden komen. En ik heb nergens ooit er iets over gelezen.”

 

“En wat ook frustrerend voor mij was, maar dat gaat over latere jaren: de Amsterdamse jongens die waren bijna twee jaar niet naar school geweest. Die zwierven op straat, die waren blokjes hout en alles aan het zoeken wat je maar branden of eten kon. En die straatschoffies die waren erg bijdehand geworden. Toen kregen wij schoolmeesters uit Friesland die net afgestudeerd waren, want Amsterdam had geen schoolmeesters. Nou, die schoolmeesters konden helemaal niet tegen die Amsterdamse straatjongens op. De meester stond te huilen voor de klas regelmatig. Soms kwam er een moeder op school, was de meester met de moeder in de gang aan het vechten, trok ze aan de haren of zo. Het was gewoon chaos. We hebben gewoon geen goed onderwijs gehad omdat er geen goede leerkrachten waren. Het waren misschien wel goede leerkrachten, maar te jong en te onervaren om de Amsterdamse straatjongens aan te kunnen. En die jongens hadden helemaal geen zin om te leren, die liepen achter. Dus daar had je speciale mensen voor nodig gehad en kleinere klassen. We hadden in het begin wel 54 kinderen in de klas.”

 

“De school stond in de Voormalige Stadstimmertuin, en dat was de Frederiksschool. Die was verhuisd naar het Weesperplein en daar was de school al meteen te klein, en toen zijn we in de Joodse HBS gegaan. Er waren twee scholen in de Stadstimmertuin en die stonden leeg. Maar je kan je voorstellen dat zo’n stel kinderen, honderden kinderen waar je niet op gerekend hebt, en geen leerkrachten, en dan allemaal naar een nieuwe school geen terwijl er geen materiaal was, geen paper, geen potloden. Dat heeft zo lang geduurd voordat dat een beetje op orde was. De gemeenteraad kon daar niet goed mee omgaan of niet goed op inspelen. Pas toen ik in de vijfde klas zat kregen we een oudere schoolmeester om ons een klein beetje bij te spijkeren. Want toen hadden ze inmiddels wel door dat we gewoon heel erg achterliepen.”  

        

De groentewinkel

“Mijn ouders hadden een groentewinkel. De moeders kwamen met twee emmers. Je had vroeger bij je keukenuitzet een emmer  voor groenten en een emmer voor aardappelen. Die kwamen elke dag drie of vier kilo aardappelen halen in de ene emmer, en in de andere emmer twee rode kolen, of twee witte kolen, of savooiekolen. Er was totaal geen conserven. Dus in maart als de wintervoorraad op was dan werd het vaak moeilijk. Dan werd het zuurkool, zoute sperziebonen, zoute snijbonen. Dat maakte mijn vader zelf nog in.”

 

“Er kwam door de Nieuwe Herengracht een schuit met suikerbieten. En die bootsmannen die gooiden af en toe een suikerbiet op de wal. En ik met een jongetje vechten, vechten, en ik was trots, ik had de suikerbiet en ik liep er trots mee naar huis. En dan zei mijn moeder: nou, we hebben suikerbieten genoeg in de winkel, waarom laat je hem niet aan dat jongetje? Ik was zo verbouwereerd er over, ik heb me zo schuldig gevoeld. Aan de ene kant zo trots dat ik gewonnen had, en aan de andere kant dat ik hem niet teruggegeven had, terwijl we niet eens suikerbieten aten.”

“Wat ik me vooral ook herinner is dat mensen altijd kool aten. Maar dat was natuurlijk ’s winters, er was ’s winters niets anders. Maar waar ik verbaasd over ben is dat in die arme tijd in het voorjaar, als er zacht fruit was, aardbeien of kersen. Iedereen kwam met schaaltjes, we hadden geen zakjes om het in te doen. Dus je moest van huis een schaaltje of een pan of iets meenemen. En dan kwamen er stapels met manden met kersen. Meer dan tien Albert Heijns nu verkocht-ie. En dat was zo goedkoop dat alle arme mensen toen allemaal wel kersen aten. Weet je, dat was niet heel bijzonder, niet heel luxe, een kilo kersen. En aardbeien ook, manden vol. De vrachtwagen was afgeladen vol met groente, want mensen aten ook drie pond andijvie, of vijf pond. Mensen hadden weinig toetjes, maar grote borden eten, grote borden aardappels en groente. En die moeders waren de hele middag bezig met groente schoonmaken en aardappels schillen. Hutspot, zelf die wortels schoonmaken, zelf die uien snijden.”   

“Mijn vader had een paard en wagen, het paard stond op Wittenburg in de stal. Maar dan was mijn vader bang in de Hongerwinter dat het geslacht zou worden, want alle buren wilden dat paard wel slachten. En dan moest hij bij ons achter in de winkel staan. Nou, moet je voorstellen, in de winkel had een Joodse bakkerij gezeten, van Vuijsje. Hij schrijft nog in het Parool, die zoon van Vuijsje, die is er nog [waarschijnlijk bedoelde mevrouw Claassen-Zwart de kleinzoon of de achterkleinzoon], en zijn zus had gezegd: in onze keurige banketbakkerij, daar liep een paard doorheen! En dat moest ’s avonds dus achter de winkel staan. Mijn moeder vond het ook vreselijk, want het poepte natuurlijk en dat moest weer opgeruimd worden. En mijn vader heeft wel op het dak gestaan met een bijl, omdat mensen in wilden breken. Er stond een derde verdieping leeg. Elk plankje, elk hout was belangrijk, hè. Het was zo’n koude winter.”

 

“Mijn moeder kreeg in 1946 een tweeling, zonder dat ze dat wist, dat was een verrassing. Ze kreeg drie luiers per baby, en er waren geen wasmachines, dus dat was zo behelpen met alles. De dokter zei leg de baby’s maar in één bedje, dan houden ze elkaar nog een beetje warm. In 1946 werden er heel veel baby’s geboren, net na de oorlog. De babyboomers, ja, en wij kregen de tweeling.”

 

“Zaterdags had mijn moeder het heel druk in de winkel, want zaterdag ‘s middags kregen mensen hun loonzakje. En ik moest met mijn zus en de tweeling die dus klein waren elke zaterdagmiddag naar Artis toe, en we namen een tas met wortelen of met allemaal groenten, afval, mee. Appeltjes voor de apen. Want de beesten mochten nog gevoerd worden in Artis. En wij mochten als kinderen gewoon , die jongens kenden ons natuurlijk, die de hokken schoonmaakten en voor de dieren zorgden, dus wij mochten gewoon daar achter lopen. Ze waren blij als wij weer met een tas met groenten aankwamen.”

“Ik wist als kind al dat een voorzanger een chazan heette. De voorzanger van de Portugese synagoge. Die kwamen ook bij ons groenten en zo halen. Gazan is ook een naam hè, maar het betekent in het Joods voorzanger.”

De Portugese synagoge aan het Mr. Visserplein.

Bron: eigen foto.

 

De Weesperstraat en de Joodse buurt

“Ik woonde dus in de Weesperstraat. Dat was net zo’n straat als nu de Utrechtsestraat en de Leidsestraat. Daar liep de tram doorheen, en we hadden allemaal aparte winkeltjes. En wij speelden op straat, diefje met verlos. Want de woningen waren klein, dus iedereen ging naar buiten toe, en moeders hingen uit het raam. Wat ik ook achteraf gek vond, dus je had aan de ene kant die heel grote armoede, maar we hadden ook drie banketbakkers in de Weesperstraat. En als er iemand jarig was, dan werden er 30 gebakjes besteld, die de fietsjongens thuis brachten. Al die winkels hadden fietsjongens, wij ook.”

 

“Die naoorlogse jaren waren ook heel arm. Ik weet nog dat jongens verschillende schoenen aan hadden, een damesschoen en een herenschoen. Ze kregen kleren van, ja, de bedeling zeg ik maar, ik weet het juiste woord niet. Broeken met bretels om ze op te houden, want een riem was te duur, dus sommigen hadden een touw erdoor. Die jongens schaamden zich, die wilden helemaal die broeken niet aan. Maar als moeder thuis nog een aantal kinderen had en vader 35 gulden verdiende, dan was er gewoon geen geld. En in alle literatuur die ik gelezen heb, en dat is best wel veel in de loop der jaren, heb ik nooit iets over… wel over de armoe in de oorlog, maar niet over die eerste vijf jaar daarna. En dan heb ik het voornamelijk over de Joodse buurt, waar de huizen gesloopt waren, waar alle lege huizen waar dus Joodse mensen gewoond hadden de deuren uitgehaald en opgebrand waren. Dat was één grote armoe.”

 

“Als kind dachten we wel, in die lege huizen, daar liggen vast schatten, achter de trap of in de kelders. Maar dat hebben we nooit gevonden natuurlijk. We hoorden wel in de winkel de verhalen dat de Joodse mensen terugkwamen en dat hun huis weg was en dat de buren hun vloerkleed hadden of hun gordijnen, of spullen hadden gehaald uit hun huis en het niet teruggaven. En die Jodenhaat was er toch ook wel erg hoor bij de christenen. Ze hebben ook wel eens tegen mij gezegd… dat ik… Ja, ik ben met de Joodse kinderen opgegroeid, en ik heb het nooit bijzonder gevonden. Ik wist ook de hele toedracht niet of zo, als kind. Maar dan zeiden mensen: goh, dat je er nog zo over praat. Weet je, ‘die rotjoden’ of zo, heel negatief er over, antisemitisme.”

 

“Je had op de Joodse Houttuinen allemaal inleggerijen met zuur. Want de mensen die terugkwamen, die moesten toch geld verdienen. En waar je snel geld mee kon verdienen was met een mandje met bloemen, een kar met wat fruit, of melk. Maar dat waren meestal boeren uit Noord-Holland. Joodse mensen gingen niet met melk lopen. Die zaten in de stoffen, en toen kreeg je geleidelijk aan dat de Joodse kinderen veel mooier aangekleed waren dan de Nederlandse kinderen. Want doordat de Joden vooral in de stoffenhandel zaten en er ook Joodse kleermakers waren, die maakten snel een keurig pakje voor een jongetje, of een rok voor een meisje. Maar die Nederlandse moeder die had geen geld, die moest naar C&A toe. Of zelf wat naaien, dat werd natuurlijk ook veel gedaan, van lapjes. De Joodse mensen hebben natuurlijk vreselijke dingen meegemaakt, ik zal er niets aan afdoen. Maar in mijn jeugdherinneringen waren ze altijd zo mooi aangekleed, waren ze rijker en beter af dan de Nederlandse kinderen. Ze hadden ook niet van die grote gezinnen. Wel de generatie daarvoor, maar niet van na de oorlog. Het waren vaak samengestelde gezinnen, want in de Joodse traditie moet de man voor zijn schoonzus zorgen. Dus als de schoonzus weduwe was geworden, dan trouwden ze soms om het geld maar bij elkaar te houden, zonder dat ze verliefd waren. Maar dan kreeg je ook dus nichtjes en neefjes die bij elkaar woonden.”

 

“Er waren haast geen fietsen, het was heel bijzonder als je een fiets had. Ik kreeg op mijn tiende verjaardag een fiets, dat was heel bijzonder, ik was de prinses van de straat. Die was gemaakt door een buurman, door de trappers aan elkaar te lassen werd het kleiner gemaakt. Nou ja, een in elkaar gefrommelde fiets van het Waterlooplein. Het Waterlooplein was heel erg in trek. Iedereen scharrelde wat bij elkaar. Ik weet nog, aan de overkant, een Joodse vrouw, die kocht, panty’s had je nog niet, nylonkousen. En dan had ze een oude theepot, en dan had ze oude thee bewaard, en in die oude theepot gingen alle nylons, en dan op een oliestelletje, en dan werden alle nylons dezelfde kleur. Van die thee. Dat waren toen nog schepjes met losse thee. Ach, mensen deden van alles om er toch een beetje netjes uit te zien.”

 

“Je had dus de Portugese Joden die van oorsprong wat rijk waren, hè, die kwamen uit de diamanthandel en zo, waren allemaal handelsmensen, en je had de Joden uit Oost-Europa, de Asjkenazische, en de Spaanse waren de Sefardische. Zo’n Sefardische Jodin stond daar met een grote bontjas. Er kwam een heel mager vrouwtje van de overkant ook met een bontjas aan. En ze zegt, zo die ogen groot: ‘hoe kom jij aan een bontjas?’ Maar toen zei ze alleen maar: ‘ik heb het zo koud gehad, ik wil het nooit meer zo koud hebben’. Toen was de ‘Wiedergutmachung’ geweest, hadden ze geld gekregen. Zij had er geen meubels van gekocht, alleen een bontjas. Die Sefardische Jodin was een beetje beledigd, dat zo’n arme uit Oost-Europa ook een bontjas had.”

 

“En ik weet nog, er komt geleidelijk aan meer boven, er was op de Nieuwe Keizersgracht, daar had ooit de Joodse Raad gezeten, maar ik weet niet in welk huis. Maar daar waren Russische Joden en die kwamen bij ons in de winkel en wilden sprudel hebben. Hoe noem je dat…nu zeg je spa rood… mineraalwater bij het eten. Maar wij hadden geen mineraalwater. Later kregen we die blauwe flessen, maar toen in het begin nog niet. Maar we hadden wel gazeuse, en dan dronken ze tegen hun zin die zoete gazeuse. Die waren ook heel mooi gekleed. En niemand weet, ook uit onderzoeken daarna heb ik nooit wat gelezen, waar ze… Vermoedelijk zijn ze naar Amerika gegaan. Want normaal kwamen de mensen niet uit Rusland, en dit was een groep, keurig welgesteld, die een poosje in Amsterdam hebben gewoond. En later… we denken dat de papieren niet in orde waren, dat ze hebben moeten wachten op een uitreisvisum of weet ik wat.”

 

“De Joodse mensen zelf, die wisten gewoon aan uiterlijk en aan namen wie Sefardisch was of Asjkenazisch, wie Portugees was of wie uit Oost-Europa kwam. Er werd ook heel veel Jiddisch gesproken. En het Jiddisch is ook verschillend hè, als je een groep mensen hebt die uit Rusland kwamen, dan zitten er heel veel Russische woorden in, uit Polen heel veel Poolse woorden, en die in  Duitsland in het kamp hadden gezeten heel veel Duitse woorden. En in Amsterdam passen ze dat weer aan met Amsterdamse woorden. Dus het is een rommelzootje, het is eigenlijk samengesteld van diverse talen. En wat ik wel altijd bijzonder vond toen ik groter werd, dat de Joodse mensen altijd bij elkaar handelden. Als je een pak nodig had, dan ga je naar een Joodse kleermaker, dan ging je niet naar een… Terwijl Nederlanders kijken wie de goedkoopste is. Maar de Joodse mensen steunden altijd elkaar. Maar ja, dat deden de katholieken ook, die gingen ook naar katholieke winkels, en de christenen naar christelijke winkels, dus dat is niet specifiek Joods.”

 

Oorlogsverhalen

“Terwijl ik op straat speelde hoorde ik de vreselijkste dingen. Gewoon onder het knikkeren. Dat de moeder dood was en dat ze die tante helemaal niet leuk vond, niet aardig. En wat we ook in een huis naast ons hadden, een meisje mocht niet bij ons komen spelen. Want haar moeder had gezegd: dan moet je ze terugvragen, dat kan niet. Want ze hadden helemaal geen meubels. En dat meisje vertelde dat er een baby geboren was, maar ze hadden geen geld om een dokter te laten komen. En ik denk dat het een NSB-gezin was. Dat wisten wij niet, weet je, wij waren kinderen en we speelden op straat. Maar ze hadden gewoon een hele kale kamer.”

 

“Je hoort en leest wel over Joodse gezinnen dat er niet gesproken werd, althans geen grote gesprekken. Maar kinderen voelen wel en horen wel dingen. En dat bespraken die kinderen dus op straat gewoon onder het spelen, onder het touwtjespringen, onder het knikkeren. Iemand liet mij een tekening zien, dat was denk ik, ik weet het niet meer precies, vlak na de oorlog, van zo’n  concentratiekamp met drie stapelbedden boven elkaar met uitgemergelde mensen er in. En mijn moeder wilde het niet geloven. Dat stond toen nog niet in de kranten of zo, weet je, dat was illegaal getekend en gekopieerd en onder Joodse mensen ging dat rond. Maar mijn moeder kon het gewoon niet geloven dat dat was.”        

 

“Er was ook een man die bij ons op de hoek woonde. Zijn zoon was 11 jaar, maar met 12 jaar moesten ze met de vaders, met de mannen mee en tot 12 jaar mochten ze bij de vrouwen blijven. En hij heeft zijn zoon van 11 meegenomen, naar zo’n concentratiekamp, lopend over straat. En toen werden ze door de Russen bevrijd, maar ze moesten eerst nog… De Duitsers waren er nog in het kamp, en die lieten ze in colonne weglopen, zo keurig netjes op een rij. En zijn zoontje gaat uit de rij om te plassen, en werd doodgeschoten. Hij had de hele tijd het eten uit zijn mond gespaard om hem te beschermen, en terwijl ze al bevrijd waren werd hij nog doodgeschoten.”

 

“Wat ook erg indruk op me heeft gemaakt, er was een man… Slechthorenden hadden een bordje achterop hun spatbord met SH, slechthorend. Hij kwam door de straat fietsen. Veel mensen fietsten door de Weesperstraat naar de havens toe om te werken. En een Duitser zei ‘absteigen’, maar hij hoorde dat natuurlijk niet, en toen werd hij doodgeschoten, zo voor mijn ogen. Want die Duitser, die zegt: hij luistert niet, maar die kende dat bordje niet. Alle omstanders zeiden: kijk nou naar dat bordje! Maar ja, dat wist hij niet.”

 

Bronnen

https://www.joodsamsterdam.nl/weesperstraat/

Over de Weesperstraat voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, met informatie over adressen en hun bewoners en ondernemers voor en tijdens de oorlog.

 

https://www.joodsamsterdam.nl/weesperstraat-4-bakkerij-vuysje-na-de-oorlog/

Ingekorte en bewerkte versie van het artikel in ‘Ons Amsterdam’ (juni 2013) waarin Annie Claassen-Zwart over haar herinneringen van de laatste oorlogsjaren en de eerste jaren daarna vertelt.

 

https://jck.nl/verhalen-en-verdieping/amsterdam-joodse-hbs-en-joods-lyceum

Webartikel van Joods Cultureel Kwartier over de Joodse HBS en het Joods Lyceum.

 

https://verdwenen-joodse-scholen.nl/ Website van Aart Janszen over Joodse scholen in Amsterdam en elders in Nederland in de oorlogsjaren 1941, 1942 en 1943.