To Wijnen- Lavrijsen
4.5.1957 Jozef Wijnen - To Lavrijsen
Opgetekend door (J) Sjef Smeets
Vandaag, 26 januari 2026 noteerden wij in haar geboortehuis te Reusel (N.Br.) de oorlogsherinneringen van, de in hetzelfde huis op 9.2.1935 geboren, mevrouw To Wijnen – Lavrijsen:
Op een morgen werd er op het raam geklopt. Een neef kwam tegen mijn ouders zeggen: “Ome Sjef en tante An, de Duitser is ons land binnen gevallen” Dat kloppen heb ik toen wel gehoord. Maar als kind van vijf snapte ik niet wat de boodschap was. Mijn ouders vertelden ons toen wat er aan de hand was.
Ik was het tweede kind van mijn ouders, Sjef Lavrijsen en Anna Lavrijsen – van de Ven
Vóór mij was Marie al geboren en na mij kwamen er nog negen kinderen. De eerste vijf – Marie, ik, Nel, Jana en Sjan – waren er al voor het einde van de oorlog.
Mijn vader was, zoals veel mensen hier in de Kempengemeenten, sigarenmaker.
Met die inval van de Duitsers kwam ook de angst bij veel mensen, ook bij mijn ouders. Al snel kwamen massa’s vliegtuigen over, die in banen naast elkaar vlogen. Ik zie het nu nog voor me, als ik er aan terugdenk.
Een boer moest, toen de oorlog nog niet lang aan de gang was, eens hier in de Kerkstraat, met paard en kar munitie vervoeren voor de Duitsers. Het paard schrok toen er geschoten werd, waardoor de munitie van de kar viel. Wat er toen gebeurde was verschrikkelijk. Het paard vloog door de explosie, die volgde, in stukken alle kanten uit. Hier in de straat stond toen een klooster met bomen ervoor en een sloot erbij. Als wij naar school liepen dan werd ons altijd gezegd: “Als er onraad is dan moeten jullie in die sloot gaan liggen”. Maar daar hadden ze ook landmijnen in gelegd. maar wij wisten niet waar die precies lagen.
De boeren deelden granen uit, waar de burgers dan zelf brood van konden bakken. Maar wij hadden geen oven. Het graan mocht van de Duitsers ook eigenlijk niet aan de burgers worden uitgedeeld. Een schoonzus had wel een oven en die zei dan: ”Ik stook de oven”. Dan wist mijn moeder dat zij haar brood ook in die oven mocht komen “schieten”, zoals dat hier gezegd werd. Maar ze moest er wel veilig mee bij die schoonzus in de Kattenbos (zo heet die straat) zien te komen. Ze legde het brood in de kinderwagen met lakentjes er overheen. Toen mijn moeder daarmee een groep Duitsers moest passeren, zei een oud vrouwtje, dat door had wat er gebeurde en wilde helpen, heel overdreven luid: “Wat is het toch een schoon kindje”. De Duitsers zullen dat niet eens verstaan hebben, maar ze kwamen gelukkig niet naar het kindje kijken.
Ik weet ook nog dat de spits van de kerktoren door de Duitsers vanuit Bladel er af geschoten was. Een kindje, Lidy Schuit, dat bij ons op school zat en ook haar moeder zijn daarbij gewond geraakt. Ik weet niet of ze toen overleden zijn. Eerder al waren door de Duitsers de klokken uit de toren gehaald. Die zijn toen gedurende een hele dag nog, ten afscheid, geluid. Een keer in de week of in de maand kregen we op onze Mariaschool een sinaasappel. Die moest je verplicht opeten voordat je de school verliet.
Als mensen iets deden wat de Duitsers niet aanstond dan werden ze gezocht. Toen ze een keer mensen hadden aan gehouden, vluchtten die tussen een groep mensen die stonden te praten. Dat heb ik als kind zien gebeuren. Heel akelig vond ik dat.
Maar ik heb ook gezien dat ze mensen meenamen.
Vader had ook een radio hier in de kamer, dat was toen de keuken. Die stond op een plankje aan de muur. Terwijl wij ’s avonds nog zaten te eten kwam oom Helmus bij vader naar de berichten luisteren. Wij mochten daar niets van horen. Maar ik hoorde wel de openingsmelodie: “In naam van Oranje doe open de poort”. En dan kwam het nieuws. Een enkele keer hoorde wij ook wel iets, zoals: “De vos heeft weer kippen gestolen”. Dat waren geheime berichten voor de Ondergrondse.
Op een gegeven moment moest de radio worden ingeleverd bij de Aida-sigarenfabriek, waar mijn vader later ook nog gewerkt heeft. We hebben het toestel daar ook terug mogen halen.
Wat je nog kon kopen waren schoenen van een soort papier, waarmee je niet door het water of in de regen moest lopen, want dan vielen ze gewoon van je voeten. (Naast papier werd gebruik gemaakt van geperst karton, kurk, hout, hennep, visschubben en oude vloerbedekking. De zolen waren vaak van hout en het bovenwerk van gevlochten papier, stro of kunstzijde. J.S.) Wij hebben voor de kleinste kinderen ooit één paar van die papieren schoenen gehad.
En er waren ook geen fietsbanden meer te koop. Ze sneden een oude autoband op maat en die zetten ze met ijzeren krammen vast. Dat noemden ze antiklapbanden. (Antiklapbanden - vaak houten banden of van alternatief materiaal - waren een noodoplossing tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland, ontstaan door een schreeuwend tekort aan rubber. Omdat de Duitse bezetter rubberen banden in beslag nam en nieuwe banden niet leverbaar waren, werden fietsers creatief om toch mobiel te blijven. De banden werden gemaakt van hout, dik touw, tuinslangen of zelfs gevlochten stro. Houten banden bestonden vaak uit gebogen houten blokken die om de velg werden gemonteerd. J.S.)
Mijn schoonouders, Sjef en Marieke Wijnen - van de Weijer, zijn in de oorlog uit België hiernaartoe gevlucht.
We hebben ook vaak hier beneden in de kelder geslapen. Voor het kelderraampje zaten ijzeren stijlen. Die waren grotendeels doorgezaagd. Ze hadden een bijl erbij liggen. Dus als we hadden moeten vluchten, dan konden die stijlen snel weggeslagen worden. Een akelige gedachte, blijft dat. Er was ons trouwens geadviseerd in onze grote tuin loopgraven te maken om in te gaan zitten. Maar als we dat gedaan hadden, dan waren we allemaal dood geweest. Ik meen dat er zestien granaten in de tuin gevallen zijn. Later moesten we toch vluchten, omdat er hier zwaar gevochten werd.
Wij gingen naar Hooge Mierde (tegenwoordig gemeente Reusel-De Mierden. J.S.), waar de moeder van mijn moeder woonde. Daar was op advies van de Duitse soldaten een schuilkelder gegraven. Die kelder mocht geen recht stuk zijn, maar een aantal haakse bochten hebben. Als er dan een projectiel in viel, kon dat niet van voor tot achter door de hele gang heen vliegen. Toen die werd gegraven, waren ze daar net bezig om het stroomnet te vernieuwen. Vroeger liepen die stroomdraden bovengronds langs palen.
Die palen lagen klaar voor normaal gebruik. Maar ze werden nu naast elkaar over de gegraven sleuf gelegd, samen met diverse lagen stro, mutserds (takkenbossen) en zand. Daar hebben wij lang onder gezeten als er weer eens alarm was. We zijn wel twee maanden daar bij oma gebleven. Op 3 oktober, de verjaardag van mijn zus Marie, waren we er nog.
We hebben daar nog Duitsers langs zien trekken meteen lage kar, waar varkens op lagen.
Mijn moeder had geen eten voor de kinderen. Dus ze rende er naartoe en zei: “Dat is mijn varken”. Onze pa was zo bang, want die dacht: “Dadelijk schieten ze ons moeder nog dood en dan zit ik alleen met de kinderen”. Maar ze kreeg wel een stuk vlees.
De Duitsers zochten een voor de vliegtuigen van de geallieerden een niet in het oog vallende plaats om hun keukenwagen neer te zetten. Die kwam hier naast ons huis onder een hoge lindenboom te staan.
Ze vroegen wel eens of ze stukken vlees in onze koele kelder mochten leggen. Ons moeder durfde geen “nee” te zeggen, maar ze zei wel: “Jullie gaan niet naar de kelder zonder aan mij te vragen of het mag”. Ook als ze bijvoorbeeld helemaal achter in de tuin bezig was om was op te hangen, kwamen ze nog naar haar toe om toestemming te vragen. Wij kregen er ooit ook wel eens een stuk vlees en soep van.
Wij draaiden er ‘n keer stiekem de koffiekraan open. Een Duitse soldaat had dat gezien, maar maakte er geen werk van. “Wij weten ook hoe kinderen zijn”, zei hij. Zelf vader van kinderen, natuurlijk. Die moesten ook de oorlog in. ‘Avonds kwamen soldaten, die vrij waren, hier op de plaats rond de put zitten. Ze mochten van ons moeder geen water uit een emmer drinken. “Pak maar een kopje”. Ze zaten dan met een accordeon of een gitaar.
En speelden heel weemoedige liedjes. Sommigen zaten daarbij te huilen omdat ze aan hun gezinnen thuis dachten.
Op een avond was mijn moeder bezig om in water aardappelen op te warmen, die
’s middags overgebleven waren. Boter om te bakken was er niet. Toen gooide een van die soldaten een klont boter in de pan. Het waren niet allemaal slechte mensen.
Na de bevrijding zag ik vrouwen van NSB-ers, die kaal geschoren waren.
Wat kleren betreft was er op ‘n gegeven moment niets meer te koop. Na de bevrijding was er de “H.A.R.K.”. (Deze “Hulpactie Roode Kruis” werd in het najaar van 1944 opgericht, direct na de bevrijding van het zuiden, om acute materiële nood aan kleding, schoenen, huisraad te lenigen. Met vrijwilligers en lokale comités verdeelde de organisatie goederen in het hele land. J.S.)
In dit huis zie je de dichtgesmeerde kogelgaten en met stenen van een andere kleur dichtgemaakte gaten in de muur nog. Daar werden stenen voor gebruikt uit toen niet meer herstelbare huizen. En ook de door inslagen beschadigde houten kap van dit huis toont nog de littekens van toen.
Reusel werd bevrijd op 3 oktober 1944.
(Zeker 21 burgers en naar schatting enkele honderden militairen, zowel aan de kant van de geallieerden als van de Duitsers, vonden de dood bij de bevrijding van Reusel. De dorpskern werd compleet verwoest. Het nonnenklooster brandde af en de kerk raakte zwaar gehavend. De hevige strijd duurde bijna twee weken. J.S.).