Kees van den Biggelaar
Opgetekend door (J) Sjef Smeets
Vandaag, 20 november 2025, noteerden we in Best (N.Br.) de oorlogsherinneringen van de, aldaar op 18.11.1934 ook geboren, heer Kees van den Biggelaar:
Mijn herinneringen beginnen in 1940 met de intocht van de Duitsers vanuit Sint-Oedenrode en hun dagenlange doortocht hier in Best, richting het westen van ons land. Grote groepen soldaten te voet, die geweldig mooi konden zingen. Anderen zaten in vrachtwagens of op boerenkarren met een paard ervoor. Dat maakte de boeren hier nogal beducht voor de mogelijkheid dat de paarden, die al een paar dagen onderweg waren, wel eens ongevraagd omgeruild konden worden voor hun verse paarden. De vermoeide paarden werden een wei in gejaagd en onze paarden werden in hun plaats voor de karren gespannen. Ik was toen nog geen zes jaar. Het was voor mij een enorm spektakel. Iedereen bleef veiligheidshalve toch maar binnen. De gordijnen waren dicht. Moeder wilde ook niet dat we stiekem naar buiten keken. In onze voortuin stond een boom met een mooie stam en takken gesnoeid in parapluvorm. Die bleken op een ochtend gewoon afgezaagd te zijn en ter camouflage tegen vliegtuigen op een van die vrachtwagens te zijn gelegd.
Wij waren in de oorlog met zeven kinderen thuis, waarvan ik als tweede was gekomen. Mijn oudste broer heette Frans. En na mij waren er nog gekomen Bernard, Johan, Wim, Barbara en Annie. Mijn ouders waren Martinus van den Biggelaar en Huberta Schepens.
Als gezin hebben we lange tijd niet veel last gehad van de oorlogshandelingen. We zijn vóór onze evacuatie niet gebombardeerd, maar het was natuurlijk wel een angstige tijd. Gelukkig hadden onze nog kleine kindertjes niets te duchten van de bezetters. We hadden een vrij grote moestuin en mijn moeder kwam van een boerderij. Daar was ook nog wel eens iets te halen. Bonnen voor snoepgoed, die mijn moeder niet nodig had, ruilde ze voor vleesbonnen. Doordat je voor alles bonnen nodig had, was ook veel voedsel maar zeer beperkt beschikbaar. Dat kwam ook doordat er uit het buitenland niets meer ons land in kwam.
Mijn vader was boekhouder bij een klompenfabriek. De Duitsers registreerden alles, zoals hoeveel bomen daarvoor gekapt werden. Hoeveel klompen er gemaakt werden en hoeveel er voor de Duitsers bestemd waren. Als ze kwamen controleren, dan misten ze natuurlijk een aantal paren. De directie vluchtte als er controle te verwachten was. Mijn vader moest dan recht praten wat kon. Dat is hem gelukt, dus ze namen hem niet mee.
Voor ons en voor de meeste mensen in Best begon de oorlog, afgezien van de angst om opgepakt te worden, pas in september 1944.
Gedurende drie dagen, op 17 t/m 19 september 1944, zijn in het kader van operatie “Market Garden” ca. 9.000 Amerikaanse parachutisten van de 101 Airborne Divisie vanuit honderden vliegtuigen hier geland op de Sonse heide. Die vlogen heel laag met achter zich aan een touw gliders met manschappen en voertuigen. Zoiets hadden we nog nooit gezien. Het was enorm indrukwekkend wat er allemaal uit de lucht naar beneden kwam. Zij wilden bij verrassing een aantal bruggen veroveren, waarover het grote Britse 30e Leger moest kunnen optrekken naar Arnhem om daarvandaan Duitsland in te gaan.
Zelf wilden de Amerikanen hiervandaan naar Eindhoven. Maar de brug over het Wilhelminakanaal in Son was door de Duitsers opgeblazen. De Amerikanen waren er al vlakbij toen dat gebeurde. Ze hadden het heel zwaar, omdat de Duitsers hier hele grote troepeneenheden hadden samen gebracht, waaronder ook Duitse troepen, die Zeeuws Vlaanderen ontvlucht waren. Dat hadden de Amerikanen niet verwacht. Bij die gevechten is op 19 september ook parachutist Joe Mann omgekomen. Hij redde het leven van zijn kameraden door op een handgranaat te gaan liggen om zodoende zijn medesoldaten te beschermen tegen de explosie. Voor deze daad kreeg hij postuum de hoogste Amerikaanse militaire onderscheiding: de "Medal of Honor".
Het Joe Mann Monument in Best op de plaats waar Joe sneuvelde "The Job is done and may never be forgotten"
Met zijn zus, Irene Bennett Mann, heb ik vele jaren contact gehouden. Zij is misschien wel 10 keer in Best geweest, ook voor de onthulling van verschillende monumenten die in deze omgeving voor Joe zijn opgericht.
Enfin, na drie dagen knokken, stonden de Amerikanen op het punt het onderspit te delven. Hun commandant, generaal-majoor Maxwell Davenport Taylor, heeft uit de Britse colonne, die op weg was naar Arnhem, zes tanks geplukt. Samen met de hier al gelegerde Amerikaanse stoottroepen, de Patriots, hebben die toen het hele Duitse front tegen het Kanaal aan “samengeperst” en verslagen.
Op 21 september waren de Amerikanen opeens uit Best verdwenen. Op die dag kregen wij te maken met de 15e Schotse Divisie, die hier een buffer moest vormen tussen de Duitse eenheden en de Amerikanen. De Schotten dachten dat Best al bevrijd was en trokken met slechts de D-Compagnie van het Bataljon Seaforth Highlanders Best binnen. Daarbij bleek dat die plaats nog helemaal niet bevrijd was. Bij de strijd die volgde sneuvelden op die ene dag drieëndertig manschappen. Zij liggen nu op het Britse kerkhof in Mierlo begraven.
Toen was het echt oorlog in Best. De Schotse engineers hebben een paar dagen later een noodbrug gelegd, waar ze met groot materieel overheen konden. Ze wilden Best snel veroveren. Daarvoor moesten ze afrekenen met de Duitsers die van de steenfabriek met zijn dikke gemetselde gangmuren een bijna niet te veroveren fortificatie hadden gemaakt. De Schotten waren slechts licht bewapend met een geweer. Gevolg ze werden, ook door gebrek aan beschutting in dat heidegebied, steeds weggemaaid. Uiteindelijk kwam de Schotse 15e Divisie naar Best. Zelfs bombardementen hielpen niet. Toen kwam op 26 september een historisch regiment, de Seaforth Highlanders, in actie. Zij namen de steenfabriek in en versloegen de Duitsers, die daarin zaten. Maar de bevrijding van Best was pas op 24 oktober een feit. De strijd heeft hier dus gedurende ruim een maand gewoed. Met name Amerikanen en Schotten hebben hier gevochten. Bij de beschietingen over en weer zijn 46 Bestenaren om het leven gekomen. En hebben ook een aantal mensen zware verwondingen opgelopen, waardoor ze b.v. een been of een arm moesten missen. Daar waren ook jongelui bij, die met de nodige bravoure naar munitie gingen zoeken en dan op onontplofte mijnen trapten. Van de 1.100 huizen, die toen in Best stonden, waren er door de oorlog 119 totaal verwoest. Mensen, die terugkwamen van hun evacuatiesadressen moesten in schuren of kippenhokken gaan wonen.
De Duitsers wilden tegen het einde van hun bezetting hier geen pottenkijkers meer hebben. Dus de hele bevolking werd gesommeerd om te vertrekken en verspreidde zich over de boerderijen in het buitengebied. De eerste inwoners, meest bange mensen, vertrokken al op 17 september richting het buurtschap Aarle. Op 19 september werd iedereen die er nog was zijn huis uit gejaagd. Mijn moeder dacht: “We kunnen nog wel iets eten voordat we weg moeten”. Dat eten stond klaar, maar daar kwam niks van in. Vanuit de post van de Grüne Polizei, tegenover ons, kwamen ze achterom en hun opdracht was kort en krachtig: “Weg wezen”. Onze jongste, Annie was ongeveer vier jaar. Mijn opa van vaders’ kant, die bij ons inwoonde, had de oorlogssituatie van 1914-1918 meegemaakt en was daardoor goed voorbereid. Hij had een bolderkar en de kinderwagen vol gepakt met van alles dat mee moest. Iedereen kreeg een extra trui aan. We gingen naar de weduwe Joan Leijtens, een tante van vader, in het buurtschap Mosselaar. Wie geen familie in de buurt had, klopte maar bij een boer aan. Men bleef daar tot 3 oktober. Op sommige boerderijen zaten meer dan 100 mensen. Wij waren bij die tante met wel 70 personen, die allemaal moesten eten. In hele grote wasteilen werd stampport gemaakt. In die dagen werden wortels van het veld gehaald, die normaal als veevoer zouden dienen. Dat werd nu wortelstamp. Elke boer had ook wel een appelboom. Dus we hadden ook wel eens appelstamp. En heel soms werd clandestien iets geslacht. Wij bleven daar dus van 19 september tot 3 oktober. Toen kwam het bevel dat ook alle mensen van de boerderijen in het buitengebied weg moesten. Veel gingen er naar Boxtel, Tilburg, Haaren. Verweer van onze locoburgemeester, Harrie van den Boomen en huisarts Jules Kuipers bij de Duitse kommandant in Boxtel haalde niet veel uit. Zwangere vrouwen of met heel kleine kinderen en wie om gezondheidsredenen de reis niet kon maken, mochten aanvankelijk blijven. Maar ook zij moesten later vluchten. Hun reis was niet zonder gevaar, want er werd in de omgeving rondom gevochten. Regelmatig moest iedereen een sloot in duiken. Stel je daarbij voor, kinderwagens op kleine wieltjes over zandwegen duwen, huilende kinderen, die niet wisten wat ze overkwam. Oude mensen, die bij wijze van spreken om de 100 meter moeten rusten. Zo is die stoet met horten en stoten naar Boxtel gegaan. Daar logeerden wij bij een zus van mijn moeder, tante Mien. Oom Willem had een Poolse soldaat onderdak gegeven. Die was gevlucht uit het Duitse leger. Ook hij trok met ons mee, maar sprak natuurlijk geen woord Nederlands. Dus hij werd maar “doofstom” verklaard. En een andere man, een molenaar afkomstig uit het Groningse Opende en nu ontsnapt uit het Duitse krijgsgevangenenkamp Sint-Michielsgestel, was ook opgevangen door mijn oom. Als dat ontdekt zou worden, zou het natuurlijk slecht aflopen met oom Willem.
Ook op de boerderij in Boxtel werd wel eens wat geslacht. En dat mochten de kinderen niet zien omdat ze het konden verraden. Wij werden dan met z’n allen opgesloten in een grote schuur. En daar liet een knecht van de boer ons, zo hard als we maar konden, liedjes zingen. Dan hoorden wij het gekrijs van de varkens niet, als die geslacht werden. Pauke, heette die knecht.
Aan het einde van de oorlog is een zusje, Martina, slechts een half jaar oud, waarschijnlijk door gebrek aan goede voeding of het drinken van bedorven melk, afkomstig van een besmette koe, om het leven gekomen. Zij werd in Boxtel begraven, omdat men daarvandaan nog niet naar Best kon. Doordat er op mensen geschoten werd, kon je je beter maar niet op weg begeven. Dus slachtoffers werden b.v. ook begraven bij de boerderij, waar ze geëvacueerd waren. H. Missen werden ’s zondags op boerderijen gelezen. Dan zetten ze de schuurdeuren open en maakten er een altaar. Twee kapelaans uit Best, die ook geëvacueerd waren, zochten de mensen daarvoor op in Aarle. Maar ze mochten van de Duitsers niet meer terug naar Best.
Op 24 oktober 1944 was dan al wel Best eindelijk bevrijd, maar Boxtel nog niet. Dus wij konden tot begin december nog niet naar huis. De voorkant van ons huis bleek een voltreffer te hebben gehad en de achterkant ook. Het huis was kapotgeschoten en leeggeroofd. De kleding, die we goed verstopt achterlieten in een kist in de grond onder het kippenhok, was verdwenen. Onze buurjongen had mijn trui aan.
Na de bevrijding kregen we inkwartiering van Britten en Canadezen. Zij kwamen voor een korte rust van een dag of vier hiernaartoe en dan gingen ze weer terug naar Duitsland om daar te vechten. De Canadezen brachten altijd varkens mee, die ze in Duitsland hadden geschoten.
In 1994 ter gelegenheid van “Best 50 jaar Bevrijd” is in opdracht van het hier in Best gevestigde “Brabants Airborne Museum” dit tweetalige boek van me uitgebracht.
Voorin staan de handgeschreven inscripties van onder andere Irene Bennett Mann en andere familieleden van Joe plus Robert Mac Lellan en Steve Chappuis, een van de commandanten van de Airborne Divisie, die hier gevochten heeft.
De diverse hoofdstukken geven de situatie van de bevrijders en ook de positie van de bevolking van Best weer. Maar de bevrijders wisten niets van de situatie, waarin de Bestenaren verkeerden, omdat die geëvacueerd waren. Dat lazen ze pas in dit boek, toen ze hier in 1994 terug waren om deel te nemen aan de herdenking.
Het werd toen uitgereikt aan alle oud-strijders, Amerikanen, Australiërs, Schotten en Engelsen, die destijds hier in Best de strijd met de Duitsers hadden overleefd. Zij waardeerden dat zeer.
Ik heb sinds 1994 altijd contacten onderhouden in Amerika en in Engeland en zelfs tot in het Canadese Nova Scotia aan toe. Mannen daarvandaan hadden deel uitgemaakt van de 15eSchotse divisie, die in 1944 hier actief was.
Toen hij in Best op bezoek was kwam ik in contact met Kapitein Robert Mac Lellan en vertelde ik hem over het boek, waar ik aan werkte. Hij nam het concept van het boek mee naar het hotel, waar hij logeerde, las het in een nacht uit en berichtte me prompt: “Well done!”. Ik had hem voorgesteld om in oktober de herdenking te komen bijwonen. Maar dan zou hij niet meer naar huis terug kunnen, omdat Nova Scotia (Alaska) dan ingesneeuwd is.
Hij was bij de strijd tegen de Duitsers op het Odulphuskerkhof door zijn knie geschoten. Zijn kameraden verstopten hem in de kast met togen voor de misdienaars. De pastoor, die hem daar ontdekte, voorzag hem van appels en water, totdat hij naar het ziekenhuis werd getransporteerd.
Onder andere met b.v. William Arthur Taylor, die hier bij de steenfabriek gevochten heeft, heb ik jarenlang gecorrespondeerd. Die kwam elk jaar terug naar Best.
Er was ook een vliegtuigreparateur, Robert Burns, die na de oorlog hier naartoe kwam om achtergebleven gliders zodanig op te knappen dat ze weer teruggevoerd konden worden. Ik heb een paar dagen met hem rondgereden langs plekken die hij herkende van zijn verblijf in 1944, onder andere het toenmalige landingsterrein.
Een bijzonder verhaal tot slot is dat van de Amerikaanse parachutist Bob Donhue, die ook landde op de Sonse Heide in september 1944.
Vele jaren later kwam hij weer in Nederland en ging op zoek naar twee Bestse meisjes. Deze waren in september 1944 op avontuur gegaan naar het landingsterrein van de Amerikanen dat nog vol munitie en explosieven lag. Toen een van die explosieven ontplofte raakte een van die meisjes haar oog kwijt. De Amerikaanse soldaten brachten haar met spoed naar het ziekenhuis in Eindhoven waar zij een glazen oog kreeg. Een aantal parachutisten legde geld bij elkaar waarmee dat kostbare kunstoog werd betaald.
De familie uit Liempde waar Bob Donhue toen logeerde belde de gemeente Best op met de vraag of er iemand was die zich dat verhaal herinnerde en die verwees naar mij.
Na veel bellen konden de beide meisjes, die nu volwassen vrouwen waren geworden, worden opgespoord en volgde een hartelijk weerzien in het Brabants Airborne Museum in Best.
Bob Donhue was al eens eerder in Best geweest en op zoek gegaan naar een paar revolvers. Deze revolvers met zilveren beslag hadden zij in september 1944 buit gemaakt op Duitsers die zij gevangengenomen hadden bij de bewaking van het landingsterrein en vervolgens in de grond begraven hadden met de bedoeling om de later weer op te graven. De zoektocht vele jaren later leverde geen resultaat op. Bob Donhue gaf de moed echter niet op en beloofde het volgend jaar terug te komen en dan iemand mee te brengen met professionele zoekapparatuur. Hij kwam inderdaad terug maar de zoektocht leverde niets op. Toen Bob Donhue een paar jaar geleden overleed naam hij het geheim van de zilveren revolvers mee in zijn graf.