Rina Jaspers

Opgetekend door (J) Sjef Smeets

Vandaag, 9 september 2025, noteerden we in Geldrop de oorlogsherinneringen van, de op 2.5.1939 in Eindhoven geboren, mevrouw Rina Jaspers:

 

Mijn ouders, Thieu Jaspers en Rica Trines, kregen zes kinderen, waarvan de eerste vier er waren voor het einde van de oorlog. Mijn oudste zus, Bertine, was voor mij geboren. Ik was het 2e kind (officieel Catharina). In 1942 en 1943 kwamen Christine en Franca (Francisca) erbij. Het gezin werd compleet met de geboorte van Matheon in 1945 en Godefrida in 1952. Toen Matheon geboren was, riep ik blij op straat: “Wij hebben een jongen”.

 

Tante Gerarda Trines, een zusje van mijn moeder, woonde ook in onze straat. Die hadden jongens waar wij veel mee optrokken. Mijn opa, Bertus Jaspers, was getrouwd met Catharina Roderbürg. Zij was gegarandeerd van Joods komaf. Haar vader heette Abraham. Die werkte op een weeffabriek in Geldrop, waar ze met blauw-techniek werkten. (Stoffen bedrukken met verschillende patronen in een indigoblauwe kleur). Die familie kwam uit Duitsland, waar zij vlak bij de Nederlandse grens hadden gewoond. 

Op de eerste oorlogsdag, 10 mei 1940, is een neef van ons moeder, Godefridus Trines, gesneuveld. Zijn vrouw heette Godefrida Swart. Ze hadden zes kinderen.
Als klein kind hoorde ik aan het einde van de oorlog mijn ouders spreken over Berlijn en Hitler. Dan hadden ze het duidelijk over foute zaken. Dat weet ik nog.

En wat ik me ook heel goed herinner zijn de beelden van de bevrijding op maandag 18 september 1944. Mijn zusje Bertine en ik stonden aan de Aalsterweg, bij de Poelhekkelaan, met onze ouders achter ons. Alleen maar blije mensen om ons heen, die zwaaiden naar de eindeloze stoet Engelse militairen op vrachtwagens, in tanks en jeeps, die Eindhoven in stroomden.

Een dag later veranderde alles. Wij stonden achter ons huis, in blije stemming vanwege de bevrijding, met de buurvrouw te praten, toen we richting het centrum van Eindhoven allemaal lichten in de lucht zagen. Wij dachten, zoals veel mensen, dat het vuurwerk was. Maar het waren lichtkogels, die de Luftwaffe afwierp om het gebied te markeren dat later die dag als doel diende voor een hevig bombardement. (85 Duitse JU-88 bommenwerpers en Stuka duikbommenwerpers wierpen toen, om de doorgangsroute van het Britse legerkorps te blokkeren, een groot deel van het Eindhovense centrum plat. In het stadsdeel Stratum bleven aan de Biesterweg eenenveertig mensen dood. Zij zaten in een greppel. Maar in de berg zand, die er uit dat gat gegraven was, explodeerden twee bommen. De hele zandmassa werd daardoor teruggeworpen over de greppel heen, met de verstikkingsdood voor allen, waaronder 22 kinderen. In totaal lieten in Eindhoven bij deze aanval 227 mensen het leven. J.S.).


Ons moeder vertelde altijd dat er ook een kindje in gezeten had met een mooi paraplu-tje. En dat paraplu-tje was nooit meer teruggevonden. Het gebeurde helemaal niet zo ver van ons huis.

Mijn vader had voor ons gelukkig ook een gat in de grond gemaakt met een dunne ijzeren deksel van de kolenbak erbovenop. Je kon er niet in staan. Ons moeder met baby Franca, nog geen twee maanden oud, op schoot, zat op een keukenstoel. Mijn zus Bertine met mij op haar knie op een poppenstoeltje. Er was heel erg veel lawaai. Ik weet niet hoe lang het geduurd heeft. Toen mijn kleine zusje op de pot moest, deed ze het maar in een aardappelmandje. Mijn vader en het dienstmeisje en mijn zusje Christine zaten in ons huis onder de trap in de kelder. Vader riep regelmatig naar mijn moeder: “Rica, zijn jullie er nog?” Naast ons woonde het achternichtje van moeder. Die hoorden we in de wc, waar ze zaten, samen keihard bidden: “Wees gegroet, Maria…..”. Iedereen was natuurlijk bang. Mijn opa en oma in de St. Jorislaan zullen wel heel erg ongerust zijn geweest over ons, net zoals mijn ouders over hen. De volgende morgen kwam opa al heel vroeg bij ons kijken of alles goed was.

 

Toen mijn moeder in verwachting was van Franca keek ze ’n keer uit het zonderraam naar buiten en zag toen dat bij een luchtgevecht zeven vliegtuigen neerstortten.
Onze Mariaschool, waar ik bij juf Trees van Hoof in de kleuterklas zat, is militair ziekenhuis geworden, met een groot wit kruis op de muur.

 

Later waren er lange tijd Engelse soldaten bij ons ingekwartierd. Ik vond dat een hele leuke tijd. Als ze vrij waren, dan zaten ze bij ons met z’n zessen rond de tafel en dronken koffie mee. Ze schreven ook in mijn poëziealbum. Ze schreven bijvoorbeeld over Mama (Mummie). Mijn vader en moeder spraken geen Engels. Dat gingen ze leren bij meneer Gevers, die in onze straat woonde. De Engelsen hadden Nederlandse uitdrukking van buiten geleerd zoals: “Niks in de winkel”. Het waren bruggenbouwers. Zij bouwden de bekende Baileybruggen, b.v. ook in Son. (Ten noorden van Eindhoven). Ze waren dan telkens een paar dagen weg. Hun keuken was twee huizen bij ons vandaan. Hun eten werd gebracht in blikken bakjes. We kregen chocolade. Tegen ons vader zeiden ze: “Papa”.

In onze toch maar smalle straat stonden hun vrachtwagens en jeeps. In mijn herinnering was het toen trouwens altijd winter, want we zaten nooit in de huiskamer.

Tegenover ons woonde Spekman, een leraar Engels. Dat was de enige man in onze straat, die in de oorlog naar Duitsland is moeten gaan werken. Ook mijn vader hoefde daar gelukkig niet naar toe.

 

Ik weet dat mijn moeder in die tijd altijd ongerust was, omdat er van alles gebeurde, wat met soldaten te maken had, vooral bij de Aalsterweg. Die bleven daar voorbijkomen. We zijn na de bevrijding ook nog wel eens gaan slapen in Stratum, een andere wijk van Eindhoven. Tante Grada ging met hun kinderen ook mee. We sliepen er met z’n vieren, dwars in een gewoon bed. Het leek er veiliger dan bij ons in de buurt.

 

We hebben kort na de bevrijding ook nog een paar dagen geslapen op een boerderij in Haaren (nu gemeente Oisterwijk).

 

Al twintig jaar ga ik samen met mijn dochter Marloes op 18 september telkens weer precies daar op de stoep staan, waar ik met mijn ouders stond in 1944. We zien er dan het bevrijdingsvuur vanuit Frankrijk langs komen. (Op 18 september wordt jaarlijks het bevrijdingsvuur aangestoken in de Franse stad Bayeux in Normandië. Dat wordt vervolgens in twee dagen door een groep wielrenners overgebracht naar Eindhoven. Dan trekt een lange stoet van oude militaire voertuigen door de stad via de Aaalsterweg naar het Stadhuis. J.S.)