Ger Jan Onrust
Opa Gerrit uit Zaandam en Oma Lena uit Krommenie
Opgetekend door (J) Sjef Smeets
De, op 31 maart 1962 in Zaandam geboren, heer Ger Jan Onrust deelde op 13.1.2026 met ons de oorlogsbelevenissen van zijn opa en oma, Gerrit Onrust en Lena Onrust - Kriek.
Grootvader Gerrit en zijn vrouw Lena bestierden vanaf 1933 een zogeheten “Melkinrichting” op de knik van de Roerstraat, zo’n 200 meter van het Merwedeplein in de Amsterdamse Rivierenbuurt, waar ook de familie Frank woonde totdat zij onderdoken in het Achterhuis. In de Rivierenbuurt hadden, toen de oorlog uitbrak, een op de drie mensen een Joodse achtergrond. Opa was melkboer met drie melkwijken. Opa en oma kenden de familie Frank wel. Maar zij waren klant bij een van de twee andere melkboeren in de wijk, die de klanten aan het Merwedeplein en dus de Rivierenbuurt bedienden.
Gerrit was de jongste van elf broers en twee zussen van “dunne” Willem Onrust en Trijntje Lubbes, die in een buitendijkse boerderij net voorbij de Hanepadsloot op de Zaandamse Zuiddijk woonden.
Mijn overgrootvader, Willem Onrust, was een echte Herenboer, die bezat en pachtte landerijen tussen de Zuiddijk (een oude zeedijk van voor de afsluiting van de Zuiderzee, nu het IJsselmeer) en Oostzaan. Onder meer dus delen van Poelenburg en wat men toen nog de ‘Sluispolder’ noemde. Willem was rijk genoeg om al zijn kinderen bij het verlaten van de ouderlijke boerderij òf een boerenbedrijf òf een melkzaak mee te geven. Zo kwamen Gerrit en Lena aan de zaak in de Roerstraat.
Opa en oma woonden dus in een gebied met veel Joodse mensen. Schuin, rechts boven de winkel, woonde een Joods paar, de familie Chits. Ook zij zijn afgevoerd.
Zoals bekend, vonden op 22 en 23 februari 1941 de eerste razzia’s plaats in Amsterdam. In de Rivierenbuurt merkte men dit, doordat de tram opeens niet meer reed.
En toen kwam dus het briefje:
Gerrit moest zich melden bij de Zentralstelle für Jüdische Auswanderung, Adama van Scheltemaplein 1, op kamer 10 (tegenover het gebouw van de SD). Dat hij zich moest melden is niet vreemd. Als één iemand wist of er in de Rivierenbuurt nog Joodse mensen ondergedoken waren, dan was dat natuurlijk de melkboer, met zijn drie melkwijken en winkel op de hoek van de straat. Gerrit moet geweten hebben dat Turksma, de man die hem opgeroepen had zo ook gedacht moet hebben.
Hoe dat gesprek verlopen is, we weten het niet. Hun Joodse bovenburen, Hetty Chits-Bachra (1911-2005) en Siegfried Chits (1904) waren al afgevoerd, maar hebben de oorlog wel overleefd.
Bij de in onze familie bewaarde papieren zit een kaart “In Eretz Israël”, met boven deze tekst een verwaaide boom. De familie Chits overleefde de oorlog en heeft, via het Joods Nationaal Fonds op 12 juni 1947 een boom in Israël laten planten: “Uit erkentelijkheid voor de ons in de zo moeilijke oorlogsjaren verleende buitengewone hulp en steun”.
Mijn opa en oma hebben geen onderduikers in huis gehad. Maar hebben kennelijk die familie Chits op een of andere manier geholpen door de oorlog heen te komen, tot aan het moment dat ook zij afgevoerd werden. Na op 29 september 1943 in kamp Westerbork te zijn aangekomen, werden zij op 1 februari 1944 doorgevoerd naar Bergen-Belsen. Dat kamp was overbevolkt. In hun barak was plaats voor honderdvijftig personen, maar er waren zo’n vijfhonderd mensen in ondergebracht.
Voorzijde In Eretz Israël achterzijde
( "Eretz Israel" (ארץ ישראל) is een term die traditioneel door Joden wordt gebruikt om te verwijzen naar het “Land van Israël”. J.S.)
In het archief van het Joods Museum zitten twee brieven, geschreven door Hetty (formeel: Esther) Chits.
Zij schreef deze brieven vanuit Göteborg, waar zij eind 1945, om aan te sterken, via Lübeck naartoe was gebracht. Zij schreef over de laatste week voor de bevrijding van haar en haar man Siegfried (‘Frits’) in Bergen-Belsen.
Op een bepaald moment kwam voor de melkwinkel een bakkerskar te staan, met een politieagent ernaast, om plundering te voorkomen. En zoon Wim (*1935) herinnerde zich dat hij met blote voeten heeft moeten rondlopen in een zinken teil, gevuld met zure melk, om boter te maken.
In die tijd had de melkboer een loper, waarmee in veel huizen melk kon worden bezorgd als de mensen niet thuis waren. Als de bewoners aan het werk waren, dan lieten ze in de om de hoek staande pan een briefje met hun bestelling achter. Die werd dan met een maatbeker afgepast in een pan achter gelaten. Aan het einde van de week moest mijn opa dan langs de huizen om geld te krijgen. Doordat hij die loper had, was hij minimaal vijf keer degene die, als hij een deur opende, geconfronteerd werd met een Joods iemand die zich in het trapgat, drie of vierhoog, verhangen had. Volgens mijn vader is opa door dat soort ervaringen in de oorlog snel een “oude man” geworden. Hij had bijvoorbeeld op jonge leeftijd al zijn haar verloren.
Opa en oma moeten in de oorlog ook hun radio hebben behouden. Want op diverse landkaarten zijn namelijk met rode puntjes successievelijk de steden gemarkeerd, die volgens Radio Oranje bevrijd waren.
Wim Onrust (op de foto hieronder) is de vader van Ger Jan, die vandaag de oorlogsgeschiedenis van de familie Onrust voor ons uiterst zorgvuldig en goed gedocumenteerd reconstrueerde. Die overdracht was alleszins betrouwbaar, want Ger Jan is leraar geschiedenis.
1950 rechts Gerrit Onrust en naast hem, met opgestroopte mouwen, zijn zoon Wim.
Gerrit en Lena bleven tot eind jaren vijftig in de Roerstraat melk, melkproducten en (Verkade)koekjes verkopen. Toen gingen ze terug naar Zaandam en later zijn zij verhuisd naar Mierlo, waar hun zoon nog steeds woont.