Jan van Ernst
Vlak voor de oorlog Ria, Jan en Henk
Opgetekend door Ingrid op den Velde
Jan van Ernst was 4 toen de oorlog begon.
Het gezin van Ernst woonde in Bussum aan de Koopweg..
Aan het begin van de oorlog woonde er naast een vader en moeder, ook een dochter Ria van 8, een zoon Henk van 6, en Jan van 4. In ‘41 werd er een zusje Greet geboren en in ‘42 nog een zusje.Truus. Als laatste werd in ‘45 nog een zoontje geboren, Fons.
Jan’s moeder was in haar jeugd al bekend geraakt met het Maagdenhuis en Burgerweeshuis in Amsterdam, want zij ging immers zelf wonen in het Maagdenhuis..
Omdat Jan’s moeder na de 4e bevalling uiterst verzwakt was, werden de meisjes in ‘43 ondergebracht in het Maagdenhuis.
Jan’s oudere zusje Ria kon niet aarden in het Maagdenhuis dus ging na een half jaar weer terug naar huis. De andere zusjes Greet en Truus bleven er tot 1952!
Henk bleef thuis en Jan ook. Jan was een heel stout jongetje dat veel kattenkwaad uithaalde.
Dus in de oorlogsjaren was Jan met zijn oudste zuster Ria, broer Henk en zijn ouders thuis.
Henk en Jan tijdens de oorlog
Van de eerste oorlogsjaren weet Jan niet veel meer. Hij heeft flarden herinneringen.
Pas vanaf ‘43 a ‘44 weet hij nog het één en ander, omdat hij toen 7 à 8 jaar was.
Hij weet nog dat er geen brandstof was in huis, maar in de woonkamer stond een houtkachel. En allerlei hout dat gesprokkeld en gezaagd werd verdween daarin om maar wat warmte te krijgen. De vader des huizes was bij de vrijwillige brandweer, net als zijn vader (en later Jan zelf ook), en die was pas tevreden als de pijp van de houtkachel aan de achterkant roodgloeiend was!!! Dat vond hij prachtig!!
Er moest zoveel mogelijk hout gehaald worden en naast broer Henk ging Jan dan alleen met een zelfgemaakt karretje op wielen naar het Spanderswoud om hout te zagen en mee te nemen. 8 jaar oud dus.
Omdat Jan altijd al een vervelend jongetje was, zoals hij zelf vertelt, ging hij vaak alleen op pad. Niemand wilde hem erbij hebben. Hij was heel stout.
De route vanuit huis naar het Spanderswoud was best een flinke trippel
In het Spanderswoud waren er meerdere personen om hout te halen. Op een keer toen er twee redelijke boomstammen, die met een handzaagje waren afgezaagd, op het karretje lagen, brak op de weg naar huis het karretje doormidden. Dus toen kon er niet verder worden gegaan. Omdat het heel lang duurde, en Jan nog steeds niet thuis kwam, ging zijn oudere zus op de fiets in de buurt en op weg naar het Spanderswoud zoeken. Ook al was ze 10 jaar oud, ze maakte zich al zorgen om Jan. Ze vond haar broertje. Jan met dikke tranen, dus zijn grote zus moest hem even troosten. Beiden legden de flinke houtblokken op de bagagedrager van de fiets van de zus en zo wandelden ze naar huis.Thuis gekomen moesten de stammen eerst nog kleiner gezaagd worden en daarvoor hadden ze een grote bok met flinke zaag. Als het zagen niet zo goed ging zei Jan: “Je moet de bietel erin slieën!” Hij weet zelf niet meer wat het betekende, maar hij gaf daarmee aan dat je wat meer kracht moest zetten.
Jan zat op de Katholieke Broederschool, wat nu de St. Vitusschool in Bussum is, met broeders als leerkrachten en alleen maar jongens als klasgenoten. Die broeders woonden in een huis voor de school. Dat huis bestaat nog steeds maar de school is na de oorlog gesloopt. Die Broederschool was al vroeg in de oorlog gesloten omdat hij ingepikt werd door de Duitsers. Jan weet nog wel dat hij er nog wel eens kwam om stiekem chocola te stelen…Rond ‘43 werd de school tijdelijk gevestigd in de schuur bij boer Bon in de Torenlaan. Het vee van boer Bon stond in de Hilversumse Meent en soms mochten de schoolkinderen met een paar tegelijk op de rug van een paard mee lopen naar de Meent. Als verzetje.
De Broeders kwamen naar de schuur van boer Bon om de kinderen daar les te geven. Maar omdat het veel jongetjes waren die niet allemaal tegelijk in de schuur pasten, hadden ze een verdeling gemaakt en werden de groepen afgewisseld.
De Katholieke meisjes kregen ergens anders les, namelijk in de Mariaschool.
Jan’s vader zat bij de PTT. En hij zat bij de afdeling ‘Radiodistributie.’ Langs alle huizen in Bussum liepen loden kabels en daar doorheen werd de radio uitgezonden.
De radiocentrale stond aan de Huizerweg 54, en Jan’s vader was daar de beheerder van. Omdat hij de enige was die radio-uitzendingen kon verzorgen, dwongen de Duitsers hemvoor ze te werken. Zodoende hoefde hij niet naar Duitsland om te gaan werken, wat ook wel goed uitkwam omdat zijn echtgenote zeer verzwakt was.
Soms kwam Jan met andere kindjes bij die Centrale en dan mochten ze een liedje zingen, dat gelijk werd uitgezonden in heel Bussum!
In het woonhuis van Jan hadden ze de elektriciteit afgesloten, wat overal verplicht was door de Duitsers. Je mocht ‘s avonds geen elektrische verlichting hebben. Maar Jan’s vader had stiekem een grote accu weten te bemachtigen. Als het donker werd gingen alle gordijnen dicht en toen ging er verlichting aan via de accu die bij de meterkast in de kelder geplaatst werd. Zodoende had het gezin elektrisch licht in de woonkamer.
Omdat de accu niet sterk genoeg was voor de grote lampen, had de vader een systeem met allemaal fietslampjes geplaatst in die oude lampen waardoor het gezin voldoende licht had.
De accu nam Jan’s vader de volgende ochtend dan weer mee naar de centrale om op te laden.
In andere huizen moesten ze zich behelpen met petroleumlampen en dergelijke.
Op een gegeven moment kwam er een Duitser aan de deur om een horloge terug te brengen. Maar het moest eigenlijk twee huizen verderop afgeleverd worden. Daar woonde aan de Koopweg nr. 34 een familie Tiel, waarvan de zoon in het Duitse leger diende. Omdat hij was omgekomen, werd zijn horloge thuis afgeleverd. Na de oorlog is het dienen in het Duitse leger van die Tiel nog een rel geworden, waar Jan de details niet meer van weet.
Later in de oorlog, toen de hongerwinter al aangebroken was, kwam de vader van Jan thuis met een berg vlees. Hij zei dat hij het op straat gevonden had (wat natuurlijk niet zo was). Pas veel later na de oorlog kwam Jan er via een handbal-vriend, genaamd Martin, achter dat in de boerderij waar Martin in de oorlog woonde (vlak bij het Bantam Bos) in de kelder een illegale slagerij zat. Die kelder had dikke kurkwanden. Mogelijk had de vader van Jan daar het vlees gehaald.
Het gezin had toch best vaak veel honger. Jan herinnert zich nog dat hij een brood van een handkar stal. Ook weet hij nog dat er in huis diverse plekken waren (achter een schilderij bijvoorbeeld) waar zijn vader dan reservevoedsel verstopte. En het stoute jongetje Jan stal weleens wat voedsel uit zo’n verstop-plek.
De vader van Jan ging regelmatig met zijn zus, tante Truus, op de fiets naar Hardenberg om eten te halen en dan kwamen ze met veel voedsel weer thuis.
Jan is nooit naar het Noorden gezonden om bij te tanken. Dit kwam doordat hij een lastig jongetje was. Hij moest wel vaak tussen de middag soep halen bij Bensdorp. In die soep zaten klontjes spek. Die viste hij uit zijn beker en bewaarde dat voor de ouders en zus thuis.
Vlakbij woonde een melkboer genaamd Fokker. En die had ook kippen. Soms jatte Jan zo’n kip weg en die werd dan door Jan’s vader geslacht. Dat gebeurde ook wel eens met een konijn.
De ouders van Jan hadden zelf ook kippen. Eén keer gebeurde het dat Jan’s vader een kip z’n kop eraf had gehakt, terwijl de kip gewoon een boom invloog! Dat maakte veel indruk op Jan!
Jan herinnert zich dat het gezinnetje een keertje naar Brabant ging naar een evenement. Vlak bij Den Bosch woonde de jongste zus van Jan’s moeder. Jan mocht dit keer wel mee. Op de terugweg naar huis zaten ze net in de trein toen die gestopt werd. Er werd namelijk verderop gebombardeerd. Iedereen moest uitstappen en weer teruggaan. Jan is toen met zijn gezin ingetrokken bij die tante van hem die daar woonde. Het lastige was dat Jan een bedplassertje was, wat weer de nodige problemen gaf bij het logeren.
De opa en oma van Jan hadden een klein kruidenierswinkeltje. Later in de oorlog werd dat winkeltje door de Duitsers gesloten omdat de oma van Jan spullen verkocht zonder bonnen. En dat mocht niet.
Nadat het winkeltje gesloten werd in ‘44, kwam de familie er soms nog wel en dan kreeg Jan zo’n grote Jujubes Drop. Dat was heerlijk.
Jan weet nog dat er in de Godelindestraat een vliegtuig was neergestort en Jan’s vader moest dan gaan blussen omdat hij immers bij de brandweer was. Hij kwam daarna naar huis met de touwen van een parachute. Die werden dan weer door Jan’s moeder gebruikt om iets van te maken (handwerk).
Op 6 januari 1945 werd Jan’s jongste broertje geboren. Maar door weinig voedsel en slechte omstandigheden zag het knulletje eruit als een zwaar ondervoed baby’tje, wat hij immers ook was. Via de clerus van de Vituskerk en diverse gelovigen mocht het gezin van Ernst melk halen bij boer Fokker die tegenover de kerk een boerderij had. Jan ,Henk en zus Ria mochten om de beurt elke dag melk halen. Die koemelk werd aan het baby'tje gegeven waardoor hij in leven bleef.
In datzelfde januari ‘45 werd broer Henk naar een boer in Hardenberg gestuurd om aan te sterken, omdat hij te veel vermagerd was.
Jan weet ook nog dat vlak voor het einde van de oorlog (21 maart 1945, aldus internet) het hotel/landhuis Bosch van Bredius werd gebombardeerd. In dat landhuis zat namelijk een hoofdkwartier van de moffen. (Het bombardement werd uitgevoerd door Typhoon-jachtbommenwerpers van de Britse Royal Air Force, aldus internet).
Jan weet dat nog, omdat zijn oudere zus samen met buurtkinderen vlakbij dat Bosch van Bredius aan het houthakken waren. En na het bombardement kwamen de kinderen angstig thuis.
Toen de bevrijding aangebroken was gingen ze in de buurt allerlei spelletjes organiseren voor de kinderen: zo deden ze ringsteken en zaklopen, een spel met balletjes en een stok, etc.
Vlak na de oorlog is Jan nog een paar maanden bij verschillende boeren geweest, o.a. in Alkmaar en bij boer Krijnen in Bussum, om aan te sterken. Maar vanwege heimwee en stout gedrag werd hij al snel weer naar huis gestuurd.