Frank Buhr
Opgetekend door Frank Buhr
Deze familiegeschiedenis is uitgewerkt door Frank Buhr zelf en grotendeels op schrift gezet. Ik, Ingrid Op den Velde, heb hem geïnterviewd en hier en daar het één en ander aangevuld. Frank heeft heel veel onderzoek gedaan en onder andere navraag gedaan bij de Dienststelle Berlin. Daar liggen alle gegevens van de Wehrmacht-soldaten.
Op 20-02-2026 hebben we over deze familiegeschiedenis gesproken en ik heb nog diverse details en oorlogsfoto’s en familiefoto’s overgenomen voor het vastleggen in deze uitwerking.
Dit betreft een familiegeschiedenis die door opeenvolgende generaties is getroffen door oorlogen en tegenslag….maar er dan toch weer het beste van proberen te maken.
Mijn moeder (Luciënne Mottet) is geboren op het Zuid-Franse platteland in 1921, in een streek genaamd het ‘Embrunais’, in het departement Hautes Alpes, in het dorp Saint-André d’ Embrun. Het dorp ligt op een berg en kijkt uit over de Durance-vallei en het Lac de
Serre-Ponçon.
Hoewel ik paradijselijke herinneringen koester uit een nog min of meer onontdekt Frankrijk van de jaren ‘50 en ‘60, was van een idyllisch platteland zoals beschreven in de boeken van Marcel Pagnol en Jean Giono zeker geen sprake. Alcoholisme, suïcide, onechte kinderen en illegale abortussen kwamen veelvuldig voor.
Mijn moeder was in 1921 geboren in een 18e-eeuwse boerderij in Saint-André d’Embrun. Haar vader was hereboer/wijnboer en haar moeder was hoofdonderwijzeres in het dorp. Het gezin was getekend door de Eerste Wereldoorlog, door verwondingen, vermissing van familieleden, etc. Het Monument aux Morts tegenover de Mairie is daar nog een stille getuige van. De tragiek in het gezin sloeg toe, toen haar moeder (mijn grootmoeder)
zelfmoord pleegde door zich in de Durance te verdrinken, het gezin ontredderd achterlatend. Over het waarom van deze daad heb ik nooit uitsluitsel kunnen vinden, het enige wat ik af en toe opving is dat ze depressieve buien had. Mijn moeder moest zodoende als jonge vrouw van 23 zorgen voor haar ziekelijke vader en haar veel jongere broertje van 11.
Tot het einde van de Tweede Wereldoorlog ging het leven zijn gangetje, honger was er niet omdat de boerderij voor voldoende levensmiddelen zorgde. Er werden in de jaren ‘46-47 Duitse krijgsgevangenen ingezet als landarbeiders. Mijn moeder kreeg een relatie met één van deze krijgsgevangenen en raakte in verwachting van deze man. Om de schande van deze gebeurtenis te verhullen werd mijn moeder naar een ‘tehuis voor gevallen vrouwen’ in Marseille gebracht, waar mijn halfbroer Gérard in 1948 werd geboren. De krijgsgevangene/vader is later naar Duitsland teruggekeerd en de relatie met hem werd verbroken.
Aan het eind van de jaren ‘40 heeft mijn moeder gereageerd op een annonce in één van de grote Franse dagbladen, waarbij een Duitser (mijn vader, Renke Buhr, geb. 1915) graag in contact zou willen komen met een Française. Mogelijk zag mijn moeder deze advertentie als een soort strohalm om uit de moeilijke situatie te komen als ongetrouwde moeder. Mijn vader is daarop naar Zuid-Frankrijk gereisd en uit dit contact is een huwelijk voortgekomen.
In 1952 is mijn moeder met mijn vader in Nederland getrouwd, het land waar zijn pleegouders woonden. Nederland was een totaal vreemd land voor mijn moeder. Ze sprak de taal niet, kende de cultuur niet…. Later zijn uit dit huwelijk twee kinderen geboren, te weten Frank (dat ben ik) in 1954 en Alexander in 1958.
Mijn vader was in 1915 geboren in Duisburg-Ruhrort. Het gezin bestond uit drie broers en één zus. Doordat het Ruhrgebied aan het einde van de Eerste Wereldoorlog door onder andere de Fransen was bezet, heerste er diepe armoede, waardoor de ouders niet goed voor de kinderen konden zorgen. Ze hadden een klein bloemenwinkeltje in
Duisburg-Ruhrort, maar hadden niet veel tijd en geld om een goede opvoeding te geven. Om verdere ellende te besparen zijn de kinderen overgebracht naar familieleden: welvarende Duitse familieleden, die in Den Haag woonden. De pleegvader, Wilhelm Schick (onkel Willi), was directeur van Nedeximpo NV, een onderdeel van Vereinigte Stahlwerke, afd. Nederland. Hij was getrouwd met tante Meta, en zij hadden zelf geen kinderen en namen dus de kinderen in hun huis op. Het waren heel genereuze mensen.
Zo kregen ze een luxe-opvoeding, gingen naar de Deutsche Schule in Den Haag, waar onder andere prominente kinderen op zaten. Mijn vader kwam in de klas bij de kinderen van baron Thyssen Bornemisza. In Duitsland had je toen Thyssen Stahl, wat 1 van de allergrootste staalbedrijven van de wereld was. Die mensen waren schatrijk. In Duitsland had je in die tijd meer families die schatrijk waren. Zo had je in Essen ook de familie Krupp.
Baron Thyssen Bornemisza is later ook beroemd geworden omdat hij in alle tijdschriften stond afgebeeld als playboy! Hij had een enorme kunstverzameling en die kun je nog steeds bewonderen in Madrid (kunstverzameling Thyssen Bornemisza)! Met onder andere allemaal Monets, Cézannes, etc).
Mijn vader kon dus leren, reizen, kortom het ontbrak hem aan niets. Er was een dienstmeisje in dienst en ook een chauffeur.
Vanuit Den Haag verhuisde de familie naar Haarlem, waar de familie een heel groot huis kreeg aan het Kennemerplein achter het station. Daar ging mijn vader naar de gewone Nederlandse HBS en daarna maakte hij een begin met studeren. Hij haalde zijn rijbewijs en kon de open auto lenen waarmee hij in 1934 of 1935, met zijn jongere broer, naar de Côte d’Azur ging! Overal was er crisis en ellende terwijl hij het leven van een verwend jongetje had…..Hij ging in Engeland studeren en later in Frankrijk en sprak zijn talen vloeiend: Spaans, Engels, Frans en Duits!
Tot de oorlog uitbrak en hij als 25-jarige, net studerend als beginnend arts in Frankrijk, opgeroepen werd om dienst te nemen bij de Wehrmacht.. Hij vond het niet erg om te gaan vechten voor de Duitsers, want hij had immers de Duitse nationaliteit. Hij was geen nazi en oom Willie ook niet. Maar hij ging wel met ze meevechten.
In Berlijn werd hij opgeleid tot Flak-artillerist (bij de afweer), terwijl hij eigenlijk niet echt in de gaten had dat hij zou worden uitgezonden naar Rusland! Toen hij namelijk zijn militaire opleiding had afgerond werd hij ingedeeld bij Heeresgruppe Nord en moest een zenderwagen op een trein rijden en aan boord van die trein gaan.Onderweg zag hij steeds meer Poolse namen en toen Russische namen, en langzamerhand kreeg hij in de gaten dat hij naar Rusland gestuurd werd als onderdeel van de Blitzkrieg in 1941!
In de zomer zaten ze in de buurt van Pskov.
Het offensief van Hitler is eigenlijk veel te laat begonnen (dat was een grote fout van Hitler), want na vrij korte tijd liep het offensief compleet vast in modder.
Hij trok niet op met de hardliners/fanatiekelingen bij de Duitse soldaten maar zocht kornuiten uit die te vertrouwen waren.
Op een gegeven moment, bij het opstellen van die Flak-kanonnen, kwam er een klein Russisch Polikarpov PO 2-vliegtuigje overvliegen en die beschoot de hele groep soldaten die bezig was met het opstellen van de kanonnen. Mijn vader kreeg een granaatscherf in zijn been, waardoor hij zwaargewond raakte. De auto waarin ze gereden hadden was ook helemaal doorzeefd met kogels. Dit was een traumatische ervaring.
Mijn vader heeft ondanks zijn verwondingen toch van alles gefotografeerd! Graven van dode kameraden, de auto waar hij ingezeten heeft, tanks die door bruggen waren gezakt, etc.
Zwaargewond is hij verpleegd in verschillende Kriegs-Lazaretten in Rusland.
Vanuit het Kriegslazarett bij Pskov is hij met een Fieseler Fi 156 Storch verbindingsvliegtuig vervoerd naar Königsberg (Oost-Pruisen) en is ook nog in Duitsland geopereerd. Hij raakte verslaafd aan de morfine. In Königsberg komt hij een familielid tegen, die net opgeleid was als arts. Daarna ging hij naar lazaretten in Dresden en Leipzig en daar maakte hij goede vrienden, die later in hun leven ook op bezoek naar Bussum en Naarden kwamen.
Hij kon niet meer als soldaat functioneren en is een tijdje blijven hangen als handelscorrespondent in Düsseldorf. Daar heeft hij de Amerikanen de Rijn zien oversteken, wat heel bijzonder was om te zien.
Hij is zijn leven lang mank gebleven en zijn been zag er daarna vrij beschadigd uit. Na Düsseldorf ging hij terug naar Haarlem, waar zijn pleegouders immers woonden.
Gedurende de verdere oorlogsjaren is hij bij hen gebleven en werd regelmatig behandeld aan zijn gewonde been.
Oom Willi en tante Meta waren heel genereus. Ze hadden geen onderduikers in huis maar beschermden wel allerlei mensen die in de problemen waren geraakt met o.a. geld.
Hoe ze echter de oorlog zijn doorgekomen is nogal een raadsel. Oom was een belangrijk man in de staalindustrie. Hij moet toch hebben gecollaboreerd met de Duitsers om de staalindustrie in stand te hebben gehouden….Hij heeft ook materiaal geleverd aan de Duitsers! Voor de oorlog waren alle tramlijnen in Den Haag, maar ook alle grote stalen bruggen in Nederland van Nedeximpo Staal.
Maar hij heeft ook nog een tijdje gevangen gezeten in de Ortskommandantur in Bussum, omdat de Duitsers hem niet vertrouwden vanwege al zijn hulp aan diverse mensen die in de problemen waren gekomen. O.a. de directeur van de PEN (Provinciale
electriciteit-maatschappij Nederland).
Ook zijn Joodse kleermaker uit Amsterdam heeft hij op alle mogelijke manieren geholpen.
In Haarlem werd het leven steeds lastiger voor de familie Schick. Ze moesten meedoen aan allerlei Duitse groepsactiviteiten en dat wilden ze niet.
Zo zijn ze in 1941 in de Graaf Florislaan nr. 6 in Bussum terechtgekomen in een prachtige villa. Daar werd de enorme kunstverzameling ondergebracht. Ze hadden Pruisische dienstmeisjes in huis. De auto van onkel Willi werd in beslag genomen door de Duitsers.
Bij de familie Schick kwamen allerlei bekende mensen over de vloer, o.a. de familie Von Zech. Julius Graf von Zech-Burkersroda was de Duitse ambassadeur in Nederland, maar omdat hij persoonlijk aangeslagen was door de nazi-inval is hij vervangen door een echte hardliner. Hij is in de DDR-gevangenis vlak tegen de Tsjechische grens overleden door mishandeling. Dat landgoed van de von Zech’s is door de DDR geconfisceerd en bestaat nog steeds. Na de val van de muur is dat weer helemaal opgeknapt en in ere hersteld.
Mijn vader heeft later veel contact gehad met de dochter van die Julius von Zech.
Ze zijn die oorlog verder redelijk rustig doorgekomen.
Mijn vader was handelscorrespondent voor Ykema en Chabot in Rotterdam. Hij beheerste zijn talen heel goed en verzorgde de communicatie met het buitenland.
Na een tijd staatloos te zijn geweest heeft mijn vader zich tot Nederlander laten naturaliseren. Eind jaren ‘40 heeft hij een contactadvertentie laten plaatsen in een groot Frans dagblad en zo ontmoette hij Luciënne Mottet (Franks moeder).
Zij zat wel met een zoontje, Gérard, maar die nam Franks' vader erbij.
De Franse grootvader van Frank moest in eerste instantie niets hebben van de Duitse echtgenote van zijn dochter en diens familie. Hij had immers in de 1e WO al broers verloren door de Duitsers. Zijn tweelingbroer is spoorloos verdwenen in de Vogezen in die tijd.
Later is de relatie met de schoonzoon en zijn familie wel verbeterd.
Franks' ouders zijn na de oorlog een keertje op stap gegaan naar Oldenburg, want daar woonde nog een broer van Franks' biologische vader, en wie komt zijn moeder daar op straat tegen?? De biologische vader van Gérard! Die biologische vader was keuterboer op het platteland van Oldenburg. Dat was natuurlijk een shockerende aangelegenheid!
De Duitse grootvader van Frank (uit Oldenburg) heeft de grootvader van Franse kant door toeval een keertje ontmoet toen ze beiden in Nederland waren. Toen zijn ze elkaar huilend om de nek gevallen omdat het ‘toch niet de bedoeling was geweest dat ze zo’n vijandige achtergrond hadden gehad!’
Later in zijn leven is Gérard nog op zoek gegaan naar zijn biologische vader. Hij was in zijn leven immers nooit echt goed behandeld geweest door zijn stiefvader. Hij was enorm eigenwijs maar werd ook veel geslagen. Het was een hele intelligente jongen, hij kon goed leren, maar zijn talenten zijn nooit goed tot wasdom gekomen. Hij kwam ook snel in conflict met autoriteiten.
Toen Gérard contact probeerde te zoeken met zijn biologische vader, ontkende die vader dat Gérard zijn zoon was en tevens wilde de familie van hem daar niets van weten.
De vader van Frank was heel erg voor het verbroederen van volkeren en wilde absoluut vrede!
Hij nodigde later allerlei mensen uit Japan uit, uit Zweden, mensen van de Cité Universitaire, Russische taxichauffeurs, Armenen, etc.
Frank’s ouders hadden geen Nederlandse kennissen, maar er kwamen alleen maar bijzondere, buitenlands mensen over de vloer.