Grada Kinket
Amsterdam in Oorlogstijd

We hebben de beginjaren van de oorlog vaak op vader gewacht. Meerdere malen kregen wij het bericht dat hij thuis zou komen uit Duitsland. Moeder schreef dan altijd op de spiegel met kaarsvet ‘welkom thuis’, maar hij kwam nooit. Op een gegeven moment durfde je als kind gewoon niet meer te hopen.’

Mevrouw Kinket (1936)

Door: Pieter Trap


Pre 1940

‘Ik ben opgegroeid aan het Spaarndammerplantsoen in Amsterdam. Mijn ouders woonden daar met mij en mijn zusje op de eerste verdieping van een woonblok. We hadden een mooi plantsoen voor het huis waarin wij vaak speelden. Het was een erg fijne buurt. Er was toen een tuinman van wie wij met warm weer onder de sproeier door mochten lopen, dat was een feest! Een paar jaar gelden ben ik nog eens terug geweest, maar nu is het heel anders’.

1940
‘Van de mobilisatie op zich kan ik me weinig herinneren. Wel weet ik dat mijn vader, tijdens de dagen van mei 1940, gelegerd was in Soest aan de Braamweg. Na de capitulatie moet hij weer thuis zijn gekomen, want het moment dat hij zijn oproep kreeg om aan het werk te gaan in Duitsland kan ik mij nog wel heel goed herinneren. Voordat hij vertrok deed hij zijn beenwindsels om. Een secuur werkje dat ik mij nog zo voor de geest kan halen. Toen hij klaar was ben ik met mijn moeder mee gelopen naar het station. Tijdens de afscheidstocht is er zelfs bij toeval een foto bij genomen en in de krant terecht gekomen. Ik loop hier naast mijn ouders op weg naar het station. We gingen een onzekere tijd tegemoet, dat wisten we wel. Maar mijn vader was ervan overtuigd dat het goed zou komen. Daar geloofde hij volkomen in!’

1941 – 1942
‘Na het vertrek van onze vader werd de toestand snel slechter in de stad. We begonnen de gevolgen van de oorlog steeds beter te merken. Er was al snel schaarste en de meeste producten waren op de bon. Je moest dan uren wachten in de rij en als het product op was had je pech en kon je met lege handen naar huis. Als er toch ergens eten te krijgen was, ging er een omroeper door de straat heen. Mijn moeder wist dan niet hoe snel ze op de fiets moest springen om naar die desbetreffende plek te fietsen. Ik weet nog goed dat het op den duur steeds stiller werd op straat. Het viel op dat er bijvoorbeeld geen huisdieren zoals honden en katten over straat liepen. Deze werden namelijk opgegeten. Onze kat Moortje was op een dag ook verdwenen… nooit meer terug gezien natuurlijk. Ook waren er heel weinig mannen op straat. Deze zaten ondergedoken of waren te werk gesteld in Duitsland.

De dreiging van geallieerde vliegtuigen werd steeds groter. Op een dag werd een hoekhuis bij ons in de buurt getroffen door een fosforbom. Dat was een verschrikkelijke brand die maar bleef branden. Wij hadden daarom als snel een vluchtkoffer klaar staan waarmee we regelmatig nachten doorgebracht hebben onder de trap. De angst voor het gebrom van de vliegtuigen ben ik nooit kwijt geraakt. Ik kan er ’s nachts nog klaarwakker van liggen.
We hebben de beginjaren van de oorlog vaak op vader gewacht. Meerdere malen kregen wij het bericht dat hij thuis zou komen uit Duitsland. Moeder schreef dan altijd op de spiegel met kaarsvet ‘welkom thuis’, maar hij kwam nooit. Op een gegeven moment durfde je als kind gewoon niet meer te hopen.’

 

1943 – 1945
‘Het was inmiddels 1943 en de situatie in de stad verslechterde met de week. Er was inmiddels geen gas en licht meer. Het huis moest warm worden gehouden met een noodkacheltje en verlichting hadden we door het aansteken van kaarsen. Maar ook hier moesten we voorzichtig mee omgaan. Hout was niet te krijgen dus werd er overal illegaal gekapt. Ik weet zelfs nog dat de bielzen onder de spoorlijn vlakbij ons huis werden gehaald. In 1943 was de school nog gewoon open en kregen wij elke dag les. Later veranderde dat en was er geen school meer. Op de terugweg uit school liep ik altijd door de Hembrugstraat. Hier woonde een Joods gezin. Toen ik op een dag uit school kwam zag ik een vrachtwagen voor de deur van het huis staan. De ouders werden met hun twee kinderen het huis uitgesleept en in de vrachtwagen gezet. Afgevoerd natuurlijk, maar wist ik toen veel. Nadat de vrachtauto vertrokken was is het huis leeg geroofd door buurtbewoners.

Op 14 november 1943 kwam mijn vader uiteindelijk echt terug. Ik kan dat nog zo goed herinneren! Ik ben naar hem toegerend, zo de straat over in zijn armen. Wat waren wij blij dat hij thuis was! Ik krijg er nog tranen van in mijn ogen! Hij was op verlof en zou voor korte tijd bij ons zijn. Maar dat is anders gelopen. Mijn vader heeft via een bevriende arts een ziekteverklaring gekregen en heeft op die manier kunnen voorkomen dat hij terug moest naar Duitsland. Om zijn verhaal geloofwaardig te maken liep hij vanaf het moment van zijn thuiskomst altijd in zijn pyjama om ze de indruk te wekken dat hij echt ziek was. Mijn vader was redelijk handig en om toch aan verlichting te komen in huis, heeft hij de naaimachine van mijn moeder omgebouwd tot elektriciteitopwekker. Door een dynamo aan het wiel te monteren konden we elektriciteit opwekken. Je moest dan wel trappen maar dat hadden we er wel voor over.

In het plantsoen voor ons huis werd op een goed moment een gaarkeuken geplaatst. Daar kon men dan met een bonnetje een slap aftreksel van soep halen. Als je geluk had zat er een stuk groente of aardappel in, maar meestal niet. Door het tekort aan eten ging onze gezondheid achteruit en werden we vatbaarder voor allerlei ziekten zoals schurft. Mijn zusje Hanny werd ziek en kreeg blauwzuurvergiftiging door het eten van suikerbieten. Mijn moeder is toen vanuit Amsterdam met haar op een fiets met houten banden naar Amersfoort gereden. Wonder boven wonder heeft mijn zusje het gered. Ze is de rest van de oorlog in Amersfoort gebleven bij de familie van dr. Brester, een hele fijne arts van Duitse komaf die ziekenhuis De Lichtenberg heeft gesticht. Ook ouderen hadden het de laatste jaren van de oorlog zwaar. Ik heb een oude man zelf zijn vrouw zien begraven, er waren immers geen mannen meer in de stad om dat voor hem te doen. Dat zijn dingen die je nooit meer vergeet.

Dokter Brester met gezin. Bron: www.kinderenvantoen.nl

Bevrijding
Eind april begonnen de geallieerden voedsel af te werpen boven de stad. Dat was erg welkom. Wij hebben het zeker de laatste maanden van de oorlog erg zwaar gehad. Ik kan daarom de smaak van het Zweedse witbrood nog zo proeven! Heerlijk dat het was, dat langwerpige brood! De voedseldroppings waren een voorbode van de op handen zijnde bevrijding. Toen die dag eenmaal aanbrak was het één groot feest. Niet te beschrijven wat was iedereen blij! Ik kan me nog goed de optocht van de bevrijders herinneren in het centrum. Wij waren er met onze ouders. Ik zat op mijn vader zijn schouders maar omdat hij dat niet lang vol hield mochten we boven op een draaiorgel zitten om naar de bevrijders te kijken! Keerzijde van de bevrijding was de klopjacht op alles en iedereen die had geheuld met de vijand. Vrouwen werden met oranje menie ingesmeerd en kaalgeschoren.

Ondanks dat wij als gezin compleet het eind van de oorlog hebben bereikt, merk je pas na de oorlog wat voor een impact de slechte omstandigheden tijdens de oorlog uiteindelijk hebben gehad. Op mijn 14e jaar was ik door het tekort aan zuivelproducten bijvoorbeeld al mijn tanden al kwijt. Later heb ik op jonge leeftijd artrose gekregen waardoor werken voor mij onmogelijk was. Daar denk je tijdens de oorlogsjaren niet bij na, maar ik werd er na de oorlog wel dagelijks mee geconfronteerd.