Akke Poelstra

Opgetekend door Ingrid op den Velde

Akke Poelstra is geboren op 2-01-1943 in Bennekom.

Beide ouders (Nico en Blijke) waren Fries, dus Akke is ook 100% Fries. De ouders trouwden in 1942 en omdat Nico in Wageningen studeerde, zijn ze in Bennekom gaan wonen in de Julianalaan, die aan het eind van dat jaar op last van de Duitsers ‘Hoogelaan’ moest heten. In Wageningen zette Nico samen met Jan Hendrik Kremer een laboratorium voor grondonderzoek op.

Nico en Blijke.

 

Nico ging in de oorlog bij het Verzet. Blijke wist wel dat hij in het Verzet zat, maar details wist ze niet. Er werd natuurlijk ook niet of nauwelijks over gesproken.In een document van het Wageningse Studentencorps staat dat hij al in 1943 werd gearresteerd wegens vermeende betrokkenheid bij het opblazen van de spoorlijn in Achterberg. Na 10 dagen werd hij weer vrijgelaten.

 

Op 29 april werd Nico weer gearresteerd, dit keer samen met zijn vriend en collega Jan Hendrik Kremer, wegens ‘Jodenhulp’. De burgemeester van Wageningen, W.H. van den Brink, heeft die arrestatie gelast.

Beiden belandden op 6 mei 1944 in Kamp Amersfoort. Tijdens deze gevangenschap heeft Nico 4 keer brieven naar zijn echtgenote Blijke gestuurd.

Blijke heeft stad en land bewogen om haar man nog een keer op te zoeken en ze is daar ook samen met Akke een keer geweest. Ze zag Nico helemaal vermagerd, kaalgeschoren met een gestreept pak aan. Hij keek diep ongelukkig en verwilderd. Er was een Duitse gevangenisbewaarster en die riep: “Sie haben noch fünf Minuten!”

Op 11 oktober werd Nico op transport gesteld naar Neuengamme.

Op 12 december 1944 is hij in het buitenkamp Ladelund-Neuengamme overleden. Hij werd begraven op het Neuer Friedhof KZ Anlage te Ladelund.

Maar dit wist Blijke niet en ze heeft tot het einde van de oorlog gedacht dat hij in Kamp Amersfoort zat.

 

In september ‘44 zag Blijke, die in de buurt van de Ginkelse Heide woonde, samen met Akke meer dan 2000 geallieerde parachutisten naar beneden komen! Ze dacht dat ze elk moment bevrijd zouden zijn, maar de volgende dag zag ze een eindeloze stoet krijgsgevangenen langs sjokken! Toen wist ze dat de oorlog nog heel lang kon duren!

In Arnhem en omgeving moesten mensen vluchten want de Geallieerden waren in de Betuwe en in Ede waren de Duitsers. Als Blijke naar buiten moest voor een boodschapje, dan vlogen de kogels je om de oren! Iedere keer was er alarm!

Zij ging dan met Akke naar de kelder van het huis. Daar lagen matrassen en bivakkeerden ze dan. De buren kwamen ook schuilen, overdag en ‘s nachts.

Vanwege bombardementen en granaatvuur was het regelmatig een hevig lawaai. Akke bleef, ondanks dat lawaai, heel rustig doorslapen in de kelder.

In oktober ‘44 moest iedereen die in Bennekom woonde weg van de Duitsers. Met Akke op de arm is Blijke te voet naar Lunteren gegaan. Als je je realiseert dat ze in die tijd nog katoenen luiers hadden, moet dit dus best een flink gedoe hebben gegeven….In Lunteren moest ze aangeven of ze ergens terecht konden en Blijke gaf toen door dat haar ouders op een boerderij in Akkerwoude (Friesland) woonden. Dat was vlak onder Dokkum. Ze zijn toen met een vrachtauto van het Rode Kruis richting Friesland gebracht. Maar dit duurde heel lang. Er waren nog meer mensen die mee moesten, o.a. nog een moeder met een klein kindje. Na 3 dagen waren ze pas bij Apeldoorn. Ze moesten steeds maar weer ondergebracht worden in gymnastiekzalen e.d.

En Blijke dacht nog steeds dat haar Nico in Amersfoort zat….

Ondertussen vielen er ook overal geallieerde bommen en toen is die andere moeder met dat kindje zwaargewond geraakt waardoor ze naar het ziekenhuis moest. Blijke heeft ze nooit meer gezien.

 

Via Zwolle gingen ze verder naar het noorden en het eindpunt was Leeuwarden. Daar kende Blijke gelukkig de moeder van een studievriendin van haar en daar mocht ze logeren. Omdat er geen bussen of iets reden richting Akkerwoude moest ze uitzoeken hoe ze dan bij haar ouders kon komen. Die aardige moeder van die studievriendin wilde wel op Akke passen zodat Blijke in haar eentje de tocht kon vervolgen. Er was een beurtschip waar ze mee kon varen via Bartlehiem naar Dokkum. In Dokkum kon ze bij een Duitse soldaat achterop de

 

fiets naar Akkerwoude komen! Daar is ze bij haar ouders ingetrokken en even later hebben ze Akke opgehaald bij die moeder in Leeuwarden.

De rest van de oorlog verbleven Blijke en Akke in Akkerwoude waar het veel beter toeven was vanwege voldoende voedsel. Akke ging zelfs Fries praten!

Toen de oorlog was afgelopen is Blijke eerst alleen teruggegaan naar Bennekom. Ze zag dat alle ramen stuk waren en de vloeren en plafonds waren opengebroken. Alle meubels, servies, pannen, etc waren weg. Toch wilde Blijke zich er weer vestigen want ze wilde niet in Friesland bij haar ouders blijven. Langzamerhand heeft ze het huis weer opgeknapt en toen heeft ze Akke opgehaald bij haar ouders.

In juni kwam het bericht via een brief van Wilhelmina dat Nico op 12 december ‘44 in concentratiekamp Neuengamme was overleden. Toen besefte Blijke pas dat ze op haar 23e dus weduwe geworden was. Achterblijvend met een klein dochtertje….

Ze kreeg ook stukken in handen waaruit het verzetswerk van Nico bleek, zoals het document van het Wageningse studentencorps.

Na de oorlog heeft Blijke nooit veel verteld over haar man aan Akke.

Zij is vrij snel na de oorlog in een groep jonge mensen terechtgekomen die ondergedoken hadden gezeten of die uit kampen terugkwamen. Zij ontmoette toen een leuke, lieve vrijgezel die niet alleen dol werd op Blijke, maar ook op haar dochtertje Akke!

Hij heeft gelijk een kinderzitje op zijn fiets geplaatst en liet vol trots het kleine meisje aan zijn vrienden zien! In 1946 is Blijke met hem getrouwd. Samen hebben ze nog twee zoontjes gekregen.

 

Omdat ze dus in Bennekom woonden en Akke eerst alleen nog maar Fries sprak, werd ze heel boos als de kinderen uit de buurt haar niet konden verstaan! Als ze zei: “Ik wol mei de bern boartsje!” (Ik wil met de kinderen spelen), dan begrepen de Bennekomse kinderen er niks van. Blijke wist dat ze van dat moment af alleen nog maar Nederlands met Akke moest spreken en zo leerde ze het Akke snel. Alleen bij Pake en Beppe in Friesland hoorde ze nog het Fries. Ze verstond het wel maar sprak het zelf niet meer.

De tragiek is dat toen Blijke 33 was, en in 1955 met haar gezin in Haren woonde, haar tweede echtgenoot overleed aan de gevolgen van kanker.

Akke, toen 12, was ook intens verdrietig want ze zag deze man als haar vader.

Door dit overlijden kreeg ze ook gelijk weer vragen over haar biologische vader, maar door al het verdriet durfde ze haar moeder niets te vragen.

 

Blijke was opgeleid als onderwijzeres, maar omdat ze door haar trouwen moest stoppen met haar werk, had ze het vak nooit meer uitgeoefend.

In het dorp Haren werd, vlak nadat ze weduwe geworden was, een onderwijzeres gevraagd en Blijke heeft daarop gesolliciteerd en is gekozen uit heel veel gegadigden. Op voorwaarde dat ze een huishoudster voor dag en nacht zou aannemen die voor de 3 kinderen kon zorgen!

Zo werd Blijke moeder/vader/kostwinner voor haar kinderen!

Maar de tragiek sloeg opnieuw toe toen een jaar later Akke’s jongste broertje op straat voor hun huis werd doodgereden! Hij was nog even buiten aan het spelen en een auto reed mogelijk te hard….Diepe tragiek voor Blijke, Akke en haar overgebleven broertje.

 

Akke heeft nooit geweten van de brieven die haar vader vanuit Kamp Amersfoort aan zijn vrouw schreef. Totdat ze samen met haar moeder (vlak voor een laatste verhuizing van Blijke) van alles aan het opruimen was en allerlei papieren over de Tweede wereldoorlog vond.

Het was voor Akke emotioneel om brieven van haar vader te lezen met een handschrift dat ze ook nog nooit eerder had gezien! Ook zag ze het Wageningse document waarin stond dat haar vader in het buitenkamp Ladelund van concentratiekamp Neuengamme was overleden. Ze heeft nooit details gehoord van het verzetswerk van haar vader. Ook al vroeg ze het aan broers van Nico bijvoorbeeld, die antwoordden dan dat ze er nooit over gesproken hadden.

Akke heeft uitgezocht dat in Ladelund allemaal gevangenen waren die aan de Friesenwall moesten werken, een verdedigingslinie langs de Noordzeekust. In de kou en met amper voeding, slapend in overbevolkte barakken, dicht naast elkaar in natte kleren…Velen van die gevangenen kwamen al sterk ondervoed (na kamp Amersfoort) aan in

Neuengamme-Ladelund en stierven daardoor de één na de ander.

Het is Akke wel gelukt om nog een overlevende van Ladelund te spreken. Dat was een Puttenaar.

(In oktober ‘44 zijn ongeveer 600 Puttenaren weggevoerd omdat een Duitser door iemand van het verzet was doodgeschoten. Als vergelding zijn die Puttenaren naar concentratiekamp Neuengamme afgevoerd en ook naar het buitenkamp Ladelund. Daarvan keerden uiteindelijk maar 48 overlevenden terug; waaronder een vrij jonge man die niet eerst uitgehongerd en gemarteld was in kamp Amersfoort en dus iets meer reserve had.

Deze man heeft Akke gesproken).

Die overlevende vertelde Akke over de gruwelijkheden in het kamp. Zo moesten de mannen aan de Friesenwall werken van ‘s ochtends vroeg tot het donker werd. Als je dan niet meer kon van uitputting en omviel, kwam de Kapo met een zweep en die sloeg tot je dood bleef of toch weer aan het werk ging.

 

 

Een aantal jaren geleden is in Oosterbeek in het Airborne Museum Hartenstein een tentoonstelling geweest met foto’s van mensen die uit die omgeving hebben moeten vluchten. Ook foto’s van allemaal gebombardeerde en leeggeroofde huizen.

Akke is toen gaan kijken of ze mensen herkende op de foto’s. Maar dat was niet het geval.

 

In 2023 heeft Bente Bronkhorst van RTV Utrecht een artikel geschreven over de ‘Tocht van Vrees en Hoop’ die Nationaal Kamp Amersfoort jaarlijks organiseert om het grootste gevangenentransport vanuit het kamp van 11 oktober 1944 te herdenken. Op die dag werden 1438 gevangenen gedeporteerd naar het Duitse concentratiekamp Neuengamme en Akke’s vader was daar ook bij.

Bij deze de link naar het artikel:

https://www.rtvutrecht.nl/nieuws/3644455/grootste-gevangenentransport-kamp-amersfoort-in drukwekkend-herdacht-enige-herinnering-die-ik-aan-hem-heb