Familie Sijpheer

Opgetekend door Naomi Stern

 Jacoba van Tongeren, de enige vrouwelijke leidster van een verzetsgroep uit Amsterdam komt eind 1942 voor de tweede keer naar Bergen (nh)

Als zogenaamde patiënt van huisarts Jan Blok.

Ze zegt:‘Jan, ik vraag veel van je, ik weet het. Je bent al eens opgepakt voor je spionageactiviteiten op het vliegveld Bergen. Nu gaat het om mensen, Joodse mensen Jan. Het is begonnen, dat waar we al bang voor waren. In Amsterdam ontstaat een getto met Joden uit het hele land en sinds 14 juni zijn ze begonnen met hen te deporteren via Westerbork naar Duitsland en Polen. Zo genaamd naar werkkampen maar waarom worden dan ook hoogbejaarden en kleine kinderen opgepakt. Er komt niemand terug Jan. We moeten ze helpen, ze verbergen voor de Nazi’s. Daarom ben ik hier. Jij kent veel gezinnen, weet wie betrouwbaar is. Jan, help ons, help hen. Als eerste heb ik een meisje, ze is pas 13.

Diezelfde avond als het donker is klopt Jan Blok bij de familie Sijpheer op de achterdeur.

Hij valt meteen met de deur in huis. ‘Cor, Hennie jullie zitten al vanaf het begin van de oorlog in het verzet.  Waar ik voor kom is dat we moeten gaan zoeken naar onderduikadressen voor Joodse mensen. Ze worden in goederentreinen naar concentratiekampen gedeporteerd. Niemand komt terug. Een meisje van 13 jaar, Hanny heet ze, er is geen plaats op het adres waar ouders ondergedoken zitten. Jij komt bij veel mensen thuis als meteropnemer en huur ophaler Cor. Zouden jullie misschien…’

Cor en Hennie kijken elkaar aan, ze knikken.

‘Jullie knikken van Ja maar ik vraag je, slaap er een nachtje over. Het is namelijk niet zonder gevaar  als je onderduikers in huis te neemt.’

Die nacht kan Cor de slaap niet vatten. ‘Hennie, slaap je?’

‘Nee Cor, ik moet steeds denken aan wat de dokter heeft gevraagd.’

‘We hebben twee jonge kinderen en je bent hoogzwanger Hennie. Wat zal er met hen gebeuren als ze ontdekken dat we onderduikers hebben of als iemand ons verraadt.’

‘Cor, die Hanny is ook iemands kind en ze is in gevaar.’

‘Dus we doen het Hennie?’

‘Ja Cor, we kunnen niet anders.’

Pas later werd bekend dat als onderduikers gevonden werden ze vaak ter plekke werden neergeschoten of samen met de mensen die hen onderduik hadden verleend naar een concentratiekamp werden afgevoerd.

Ook waren er mensen, meestal NSBers die Joden verraadden. Daar kregen ze fl. 7,50 en later tot wel fl 40 voor. Kopgeld heette dat. Dat gebeurde ook in Bergen. Toen Cor en Hennie dit hoorden hield het hen toch niet tegen meerdere onderduikers in huis te nemen.

Zo kwam Hanny van Amerongen als eerste toen Hennie net bevallen was haar derde kind. Hanny ontfermde zich als grote zus over peuter Gerrit. Die peuter zit daar, 80 nu.

Maar er gebeurde meer in huize Sijpheer. Henny was destijds 27 jaar, met 3 kleine kinderen en was de spil in het gebeuren. Beneden in de kelder stond een stencilmachine. Via een tramconducteur van Bello kwam er copy uit Amsterdam van de Waarheid met berichten van radio Oranje. 1600 krantjes werden er gestencild. Henny zorgde ervoor dat veelal koeriersters de kranten verspreidden voor de hele kop van NH. Ze onderhield het contact met het verzet Bergen- Schoorl. De knokploeg van Jacoba van Tongeren en later ook de Bergense knokploeg overvielen distributiekantoren voor voedselbonnen. De onderduikers moesten tenslotte ook eten. Hennie zorgde ervoor dat de bonnen bij de onderduikfamilies kwamen. Cor zocht steeds nieuwe onderduikadressen en werd later lid van de Binnenlandse Strijdkrachten.

De zorg dat alles goed zou blijven gaan zorgde in huize Sijpheer voor spanning en was er steeds de angst voor verraad.

Sommige kinderen van onderduikers konden naar school als ze blond of donkerblond waren en blauwe ogen hadden, ze waren zogenaamde nichtjes en neefjes uit de stad. Dat gold niet voor kleine David Waterman.

Hij was 10 jaar en zag eruit zoals men toen een Jood typeerde. Met zijn ouders en oudere zusje Kitty die blond was, zaten ze ondergedoken bij de familie Vrasdonk op de Karel de Grotelaan.

Anderhalf jaar op een zolder vastzitten, zonder naar buiten te kunnen want het was midden in het dorp. Dat doet een klein jongetje niet goed. Cor Sijpheer hoorde daarvan en zei: ‘Kom jij maar met mij mee, wij hebben een grote tuin waar je kunt spelen.’ Ze woonden op de Notweg die toen nog aan de rand van het dorp lag. Toen het donker was haalde hij hem stiekem op en zo kreeg David een onderduikvader en moeder. Sporadisch had hij contact met zijn ouders. Zus Kitty zag hij wel want zij hielp bij het verspreiden van de krantjes. Cor had een hobby waar hij ook mee optrad: Jongleur, goochelaar en illusionist. Om David wat te doen te geven leerde Cor hem de basis van jongleren en goochelen. Hij bleek een groot talent. Na de oorlog heeft hij hier zijn werk van gemaakt.

Dit jaar is het thema van 4 mei: Wat doet een oorlog met een mens.

David bijvoorbeeld liet zich nergens registreren, wilde niet traceerbaar zijn. Foto Juliana en David

Hij begon als jonge jongen bij Circus Elleboog waar hij koningin Juliana, die net koningin was een balletje toe wierp. Zij gooide het terug en hij ving het op een stokje op, mooie propaganda vond hij. Later zwierf hij met een volkswagenbusje door Europa met zijn voorstelling, vooral in Parijs maakte hij furore. Met een Charlie Chaplin act kwam hij ook in Amerika terecht en trad zelfs op in Las Vegas. Hij werd daar Dave Parker.  Als je een andere naam aanneemt en de artiest speelt hoef je niet zo over jezelf na te denken.

Na de oorlog zei Henny: Zolang je bezig bent kun je het traumatische van de spanning en angst van de oorlog een beetje wegstoppen. Zo richtte zij zich op haar 4 kinderen, was lid van de Vrouwenbond, speelde bij de arbeiders toneelvereniging en zat 45 jaar bij de zangvereniging.

Cor had het er erg moeilijk mee. Hij vluchtte in zijn werk. Om 4 uur ‘s ochtends begon hij bij de bakkerij, kwam om half acht thuis ontbijten en deed dan zijn gewone werk als meteropnemer en huurophaler. ‘s Avond was hij Professor Ramidol en trad hij op als cabaretier en illusionist en kwam dan ‘s avonds om twaalf uur pas thuis. Ook was hij snel geïrriteerd en viel hij uit tegen de kinderen wat van kwaad tot erger ging. Hij kon zich niet uiten over zijn angsten tijdens de oorlog, de verantwoordelijkheid en veiligheid voor zijn gezin én zijn onderduikers.

David probeerde elk decembermaand bij zijn onderduik ouders te zijn, en hij was het die Cor aanspoorde hulp te zoeken bij Stichting 45.

Terugkijkend op de oorlog zei Hennie: De tijd in ons huis aan de Notweg was de moeilijkste tijd van ons leven maar je deed het gewoon, het moest. De vriendschappen die daaruit zijn overgebleven zijn voor ons van onschatbare waarde. De belevenissen van die tijd zijn voor mij nog steeds gebeurtenissen waar ik met dankbaarheid aan terugdenk.

In 1984 kregen Henny en Cor Sijpheer met nog een paar Bergenaren een verzetskruis uitgereikt voor hun verdienste tijdens de oorlog door burgemeester Ritsema. David en Kitty waren erbij.

Op 4 mei 1994 stond Henny hier en zij eindigde haar toespraak met de woorden: 

Toen niet, nu niet, nooit.