Gerrit Bekkers

1943 Gerrit Bekkers                                                                                                                                                      dochter Marian

 

Opgetekend door Gerrit Bekkers en (J) Sjef Smeets

 

Gerrit Bekkers, (geboren 17.7.1919 te Maashees en overleden  23.11.1993 te Venray) schreef een aantal jaren voor zijn overlijden een gedetailleerd “Verslag” van zijn belevenissen in de oorlogsjaren 1943 – 1945.

Op 26 januari 2026 legde zijn dochter, mevrouw Marian Kaldewaij – Bekkers, (*15.12.1954 Vierlingsbeek, de huidige gemeente Land van Cuijk N.Br.), ons onder andere bewaard gebleven brieven voor, die haar vader vanuit gevangenschap wisselde met zijn moeder. En nam met ons het onderstaande “Verslag” van haar vader door.

Diens tocht, vanaf onderduiken in 1943 tot weer thuiskomen in 1945, bracht hem achtereenvolgens via onderduikadressen, gevangenis “Oranjehotel”, krijgsgevangenkampen, Durchgangslager, plaatsen waar hij voor de Arbeitseinsats aan het werk werd gezet en tijdens zijn thuisreis  langs liefst 17 verblijfsplaatsen in Nederland, Duitsland en Luxemburg.

De eerste zinnen van Gerrits’ handgeschreven “Verslag”

Zijn handgeschreven tekst werd door zijn echtgenote,  Annie Bekkers – Jacobs, (geboren 13.4.1927 te IJsselsteyn en overleden 5.6.2009 te Venlo) uitgetypt:

De Nederlandse militairen moesten zich in '43 melden. Die geen Ausweis hadden, werden naar Duitsland in krijgsgevangenschap afgevoerd. Ik werkte toen der tijd bij de Distributiedienst in Boxmeer, kreeg echter geen Ausweis. Ben toen in contact gekomen met mensen van de "Grondmij". De bewuste dag, dat ik mij in Amersfoort moest melden, ben ik op de trein gestapt met, naar ik meen, twee koffers. Heb mij echter niet gemeld, maar de trein genomen naar Weert, waar ik een adres van de "Grondmij" had gekregen. Ik kwam uiteindelijk in Someren terecht, waar ik een onderduikadres kreeg, bij de familie Hurkmans.

Na enkele weken vandaar uit bij de "Grondmij" te hebben gewerkt, (spitten) kreeg ik het verzoek van de familie Hurkmans, die boer waren, om in de plaats van hun knecht, die ook moest onderduiken, de nieuwe knecht te worden.

Ik ben dat enkele weken geweest. Toen werd er op een nacht een razzia gehouden, waarbij 9 of 10 jongens uit het dorp werden opgepakt. De volgende dag ben ik gevlucht naar Holthees-Smakt (een tweelingdorp in de Noord-Brabantse gemeente Land van Cuijk en de Limburgse gemeente Venray,) waar ik indertijd een goede vriend had wonen: Martien Maassen, onderwijzer. Een collega van mij dus. Het was juist kermis in Smakt. Toen ik daar aankwam, heb ik mij nog een tijdje schuil moeten houden onder een brug, waar de trein overheen kwam. Toen het donker was, ben ik bij Martien en zijn vrouw binnengegaan. Daarna ben ik naar mijn eigen huis in Maashees gefietst, waar mijn moeder woonde. Enkele dagen later had ik een gesprek met Martien. Hij was van mening dat ik bij het verzet moest gaan. Dat trok mij niet erg, maar uiteindelijk besloot ik om dat toch maar te doen.

 

Toen ben ik naar Alverna (Wijchen. provincie Gelderland) gefietst, waar ik een zekere pater Linders kende, waarvan ik wist dat hij bij het verzet was.

Het was wel een vrij roekeloos type, die, toen ik bij hem aankwam onmiddellijk met 0-Z-0- sigaretten kwam aandragen. (“Oranje Zal 0verwinnen”). Hij wist mij inderdaad over te halen om bij het verzet te gaan. De goede man had ook een schuilnaam, Leopold. Het kwam zelfs zover, dat ik al een datum kreeg, waarop ik met in m'n rechterhand  een papiertje naar Epe (Veluwestreek Gelderland) moest reizen. En dan zou ik in Epe aangekomen (gewapend met het papiertje) een dame treffen, die mij zou vragen: "Hebt u ook de groeten voor mij van Leopold?" En dan wist ik dat ik goed zat. Mijn verblijf in Epe duurde niet lang. De eerste nacht dat ik daar sliep, begon een van de anderen ontzettend te gillen. Later vertelde men mij, dat hij had meegedaan aan een actie om Hollandse agent-provocateurs te liquideren. Maar toen ketste het pistool en zat er niets anders op dan die man met z'n hoofd op het aanrecht te "rammen en hem zo te doden. Ik werd op transport gesteld naar Woerden  (in het “Groene Hart”, provincie Utrecht), waar ik de leider, oom Peter, zou treffen. Ik kwam er in 'n huis, waar +18 Joodse mannen en vrouwen zaten, met ook kinderen. Eerst had ik nog moeten zoeken om het huis te vinden, wat niet geheel zonder gevaar was. Het duurde niet lang of ik kreeg de leiding in huis. Een zekere Leo, die daar eerst de scepter zwaaide, werd uit zijn functie ontslagen, omdat hij kennis scheen te hebben met een N.S.B.-meisje. Het huis was van een melkboer, een zekere Jan van Elk,  die om de Joden te helpen, dit huis had afgestaan. In het huis was ergens, gehuld in een dichte verpakking, een radio opgesteld om de berichten uit London te kunnen beluisteren. Verder zat er, wat ik niet wist, in een oude kachel- trotyl (springstof). Deze kachel stond op zolder. Ik moest dus zorgen voor "pais en vree" in huis. Als het donker was ging ik met de Jodinnen wandelen. (Mensen op leeftijd) en soms in een restaurant wat gebruiken.

 

Ik heb toen 'n keer de opdracht gekregen om een Jood, die in de gevangenis van Den Bosch zat, vrij te kopen. Ik droeg toen een bril met gewoon glas. En zo ben ik naar de rector van de Bisschoppelijke Kweekschool in Den Bosch gegaan, een zekere Heer van Gerven, die ik persoonlijk kende, omdat ik daar gestudeerd had. Hij schreef voor mij een introductiebrief voor de Heer Arnoldussen, directeur van de gevangenis. Met deze brief op zak ging ik op pad. Ik kreeg inderdaad de Heer A. te spreken, maar die zei mij: "Als u niet zorgt dat u over een uur uit Den Bosch bent, dan laat ik u oppakken".

De Joodse man in kwestie maakte het goed. Intussen hadden Fred en Hermien, twee Joodse leden van de groep, al contact gelegd met de bewakers, die dit bevestigden. Ik had intussen ook een schuilnaam aangenomen: ik noemde mijzelf Freek de Kruyf. Het was de bedoeling dat ik een document zou tekenen, waarop ik trouw beloofde aan de Koningin. en alle orders die ik kreeg, zou uitvoeren. Maar daar is het niet meer van gekomen.

 

Zo was het 25 augustus 1943 geworden, ik was 24 jaar. Een zekere Evert, die bij mij in het huis was,( er waren niet alleen Joden in huis maar ook een stelletje niet-Joden), zou naar Maarssen gaan in Utrecht om daar bij een marechaussee wapens op te halen.(Dit laatste weet ik niet zeker), maar ook kogels. Nu had die Evert een pistool met 9 patronen in de houder en verder nog 40 losse patronen. lk vond het te gevaarlijk om hem dat pistool met die kogels mee te laten nemen op die reis. Ik zei hem dus: "Geef mij dat pistool met die kogels maar, dan bewaar ik die in mijn koffer." En zo gebeurde het.

 

26 augustus'43.

 's Morgens werden wij door een vreselijk kabaal gewekt. Ik dacht eerst nog dat de Jodinnen in de keuken bezig waren met het bereiden van het eten. Maar even later ging het schuifraam open en omhoog en staken er twee geweerlopen naar binnen. Een stem riep: "Wenn Sie sich rühren, so knallts!”. Toen begreep ik het. Wij moesten ons aankleden. Ik was zo zenuwachtig, dat ik de grootste moeite had om mijn spullen te vinden. De oudere Jodinnen wilden nog gauw naar de wc om bepaalde documenten, bonkaarten en misschien geld te verdonkeremanen. Maar dat mochten ze niet van de bevelvoerende officier, iets, waarover ik mij vreselijk opwond. En dat ook duidelijk liet merken. Wat vervolgens de officier ontlokte: "Achten Sie mahl besonders auf den Blonden", wat dus op mij sloeg. Een van de officieren keek vervolgens in mijn koffer en zag daar het pistool met kogels liggen, naast mijn kerkboek. Hij zei: "Ach, Sie machen nur nichts als den ganzen Tag schiessen und beten!", waarop ik zei dat het pistool van Evert was, die

's avonds van tevoren was vertrokken. Ik hoopte dat ze Evert niet zouden arresteren. Na een hele tijd moesten wij door een smal steegje lopen naar de overvalwagens. Als je door dat steegje liep, kwam je automatisch uit bij een kaaswinkel. In die winkel woonde de vriendin van Evert. Nu heb ik achteraf gehoord, dat Evert met zijn vriendin voor het raam hebben gestaan, toen wij werden afgevoerd. Wij zijn, meen ik, drie keer om Woerden heen gereden. lk denk om de bewoners te intimideren. Vervolgens zijn wij op een grote weg terecht gekomen. Ik moest intussen vreselijk plassen. Ik zei tegen mijn vrienden: "Wat moet ik nou zeggen in het Duits?” Zij zeiden: "Darf ich mahl austreten?” Ik wendde mij tot een van de Duitsers met dat verzoek. Maar ik moest vlak langs de wagen blijven staan. Het andere verkeer raasde langs mij heen. Ik werd weer ontzettend kwaad en zei tegen de Duitsers: "Dat hat ja gar kein Zweck’

Ik was van de zenuwen behoorlijk opgewonden geraakt. Na een hele tijd gereden te hebben, kwamen wij volgens mijn vrienden in Scheveningen aan. Even later stonden wij in het "Oranjehotel" in grote gangen, waar ik mij al op het ergste voorbereidde. Ik dacht echt dat wij diezelfde dag nog gefusilleerd zouden worden. Maar dit gebeurde dus duidelijk niet. Ik werd naar cel 600 gebracht, alwaar ik een zekere Peter Paterman aantrof. Wij werden niet "gelucht", want op onze cel stond het woordje "Einzelhaft” wat zoveel betekent, dat je met andere mensen geen contact mocht hebben. Deze Peter vertelde mij na enkele dagen, dat hij twee zwagers had bij de Marine, deze mensen waren in de oorlog invalide geworden, en nu had hij  een flink aantal (14.000)  valse textielpunten verkocht om hen te helpen. Daarbij was hij tegen de lamp gelopen. Peter in kwestie was danig gespierd: hij vertelde mij dat hij op boksles was geweest. Wij mochten af en toe schrijven. Op een of andere manier slaagde ik erin mijn vriend Maassen vanuit het “Oranjehotel” de groeten te laten doen aan mijn moeder.

 

 

 

Uit “Digitaal Namenregister Oranjehotel”:

Ik was 26 augustus gearresteerd, september ging voorbij en ik was nog steeds niet verhoord. Toen begon ik ook langzamerhand iets van mijzelf te vertellen aan Peter Paterman, want ik was eigenlijk niet gerust dat alles zo lang duurde, voordat ik verhoord werd.

Toen kwam de aap uit de mouw. Mijn moeder, kwam een keer met een flink voedselpakket bij de gevangenis om mij dat te geven. Ik kreeg dat pakket inderdaad. Toen zei Peter: "Als jij mij dat pakket niet geeft, zal ik de Duitsers eens vertellen wat jij allemaal uitgevreten hebt". Er volgde nu een waar schrikbewind. Peter had van een stukje karton wat damstukken gemaakt. En nu moest ik tegen hem dammen. Verloor hij dan was hij ontzettend satanisch. Speelde ik niet, dan kreeg ik ook op mijn donder. Het was zelfs zo erg, dat de andere mensen in de cellen, het was er erg gehorig, tegen mij riepen: "Maak die kerel toch kapot!"

 

Zo kwam een bepaalde dag in oktober, waarop ik echt verhoord werd. Ik moest mijn levensloop vertellen. Ik weidde over alle mogelijke zaken heel lang uit om maar niets over mijn leven van de laatste maanden te hoeven vertellen. Herr Plattgerte[1], zo heette de Sachbearbeiter, liet mij rustig mijn gang gaan. Een of andere juffrouw, zwaar opgemaakt, noteerde een en ander. Dat was vermoedelijk een van de "Blitzmädels". Het gesprek kabbelde zo rustig voort. Plotseling sloeg Herr P. met de vuist op tafel en riep: "Und jetzt die Wahrheit! Toen maakte hij een fout. Hij nam weer het woord voordat ik, die me rot geschrokken was, iets kon zeggen."Und wissen Sie nicht, was alles die Leute gemacht haben”. Toen ging hij mij vertellen, wat de “Oranje-vrijbuiters" allemaal gedaan  hadden. Iets, wat ik eigenlijk niet allemaal wist: distributiekantoren overvallen, bomaanslagen! Bij het slot van het verhoor zei hij nog: "Ich musz Ihnen noch etwas fragen, was der Peter mir hat gesagt". Maar ik tuinde daar niet in. Ik wist ook helemaal niet, wat Peter zou gezegd hebben. Ik ben nadien niet meer verhoord. Ik was eigenlijk in de ogen van de Duitsers te onbelangrijk. Vandaar dat ik daarom zo lang op dat verhoor heb moeten wachten.

 

 

Brief van Gerrit vanuit het  “Oranjehotel” in Scheveningen aan zijn moeder

 

Ze hadden het grootste deel van de "Oranjevrijbuiters" opgerold met behulp van een verrader: 'n zekere Joop de Hens. Maar dit heb Ik later  pas gehoord. Geen wonder, dat ik na het verhoor last van een acute aanval van diarree kreeg. Ik had Herr Plattgerte nog wel gevraagd wat er met mij zou gebeuren. Ik zou nog  'n keer moeten voorkomen en daarna in krijgsgevangenschap worden afgevoerd. Het was in die tijd dat ik mijn moeder een brief schreef, waarin stond, dat zij mij niet zouden doodschieten. Intussen zat ik nog steeds in cel 600 bij Peter Paterman, die mij het leven danig zuur maakte. Als mijnheer

's nachts moest plassen, moest ie over mijn strozak stappen en dan gebeurde het dikwijls dat hij druppels urine over mijn hoofd liet vallen. Ik durfde mij niet te verzetten want hij was mij ver de baas. Wij hebben ook met drieën in die cel gezeten. Een zekere Frits Sieger uit Amsterdam kwam onze gelederen versterken. Die Frits was communist. Hij heeft veel over zijn kinderen verteld. Wij hebben soms zelfs met vijf mensen in die kleine ruimte gezeten.

 

Naast ons waren de dodencellen. Het klepje stond steeds open, zodat je kon zien of de gevangenen geen zelfmoord pleegden. 's Nachts werden wij soms opgeschrikt, als men de gevangenen, die de andere morgen gefusilleerd werden, uit hun cellen kwam halen. En dan vertelde een of andere "Fluhrwart": Er zijn er weer zoveel doodgeschoten. Je begrijpt, als wij dat 's nachts hoorden, dan lagen wij onder de dekens te bibberen van angst.

Ook Frits Sieger moest het bij Peter Paterman ontgelden. Hij heeft een keer een dreun tegen zijn hoofd gehad. Na de oorlog is Frits Sieger nog bij mij geweest om er een rechtszaak van te maken, maar ik durfde niet. Rond Kerstmis hebben wij nog iets te eten gehad van het Rode Kruis; ik meen Pumpernickel (roggebrood) met spek. Dat heeft mij erg aangegrepen: IK heb toen aan mijn dorp, Maashees, gedacht. Andere jaren speelde ik daar orgel of dirigeerde ik het koor.

 

Ik weet niet meer op welke dag het gebeurde, maar er deed zich weer iets voor tussen Peter en mij. Ik sloeg terug. Even later kreeg ik een formidabele slag boven mijn rechteroog; het bloed gutste over mijn wangen. Toen heb ik de alarmbel ingeslagen en zei tegen de dienstdoende Duitser; "Es ist mir gleichgültig ob Sie mich erschiessen, oder er mich kaput macht". Toen hebben ze Peter Paterman meegenomen. Ik meen naar een isolatiecel. Ik werd in de cel gebracht tegenover mij, waar een zekere Piet van Lierop zat, een student. Die heeft daar niet lang gezeten. Toen kwam er een heel fijne vent,  Simon Vellinga uit Wassenaar, meen ik. Hij was protestant. Wij hebben samen veel gebeden. Ondertussen was Peter Paterman weer teruggekomen op cel 600. Hij riep zo en dan tegen mij dat hij de Duitsers over mij wel zou inlichten.

 

Zo was het januari '44 geworden. Op een dag moest ik mijn spullen pakken en werd ik naar een andere cel gebracht bij een andere jonge man, waarvan ik de naam niet meer met zekerheid kan noemen. Ik meen dat het Herman Greter was. Na een tijdje werd ook Fred Keyzer in onze cel gebracht. Fred nu was een Jood uit onze groep. Voor in dit verslag heb ik Fred en Hermien al genoemd. Hermien was zijn verloofde. Fred dacht dat ik hem verraden had. De dag en nacht, voorafgaande aan onze arrestatie, hadden Fred en Hermien gelogeerd in een hotel in Woerden. Ik alleen wist dat. Wij moesten voordat wij uit Woerden vertrokken met de overvalwagens heel lang wachten. Ze waren Fred en Hermien nog aan het ophalen. Dus die twee dachten dat ik hen verraden had. Maar dat was niet zo!

 

Wij zaten zo met z'n drieën een tijdje bij elkaar toen er op een dag een Hollander, een cipier, aan de celdeur kwam en om Fred Keyzer vroeg. Fred ging naar buiten en kwam na een tijdje lijkbleek terug. "Wat is er gebeurd, Fred!" “Ik moest een verklaring tekenen dat ik lid was geweest van een terreurorganisatie, die tot doel had de Duitse belangen in de Nederlanden te "beschadigen". “Weet je wat je wat je getekend hebt?” “Ja, mijn doodvonnis”. En toen zei hij tegen mij: "Ik heb ook gevraagd, wanneer jij moest tekenen". Zij zeiden: "Dat kwam nog".

 

Zo kwam 27 februari 1944, de dag dat ik uit de gevangenis mocht naar een andere gevangenis, die naast het “Oranjehotel” lag. Eerst moesten we nog onze spullen ophalen, notitieboekjes en dergelijke. Herman Greter was al eerder ontslagen. Toen heb ik een nacht doorgebracht in die andere gevangenis. lk ben daar uitgebreid naar de wc gegaan, heb alle blaadjes uit mijn notitieboekje, waarop voor mij gevaarlijke gegevens stonden, in het toilet gedeponeerd. En daar een "grote hoop" op gedaan.

28 februari ben ik op transport gesteld naar wat later bleek het Durchgangslager Amersfoort te zijn.

 

Brief aan zijn moeder vanuit doorgangskamp Amersfoort

 

29 februari,(schrikkeljaar) ' s Morgens las ik in de krant: Das Oberkommando der Wehrmacht teilt mit: Daar stonden de achttien namen van onze groep. Ze waren alle achttien 's morgens vroeg doodgeschoten op de Waalsdorpervlakte. Ik voelde me verslagen.

Het duurde niet zo lang of wij werden in veewagens afgevoerd naar Duitsland, op weg naar onze Krijgsgevangenschap. Ik moet nog vertellen dat Evert een van ons was. Hem hebben ze dus niet doodgeschoten. Wij kwamen uiteindelijk in Hauptstallager Hartmannsdorf terecht. In, 'n ontiegelijk groot krijgsgevangenenkamp. Een van de eerste dingen die daar gebeurden was het kaalscheren van je kop en daarna op de foto!

 

Adres Kamp Hartmannsdorf

 

Ik kan mij van Hartmannsdorf niet zoveel meer herinneren. Alleen dat wij na een tijdje op transport werden gesteld naar Weissenfels om daar te werk te worden gesteld in een papierfabriek.

 

Naam  Bekkers 

Voornamen Gerardus J.F.

Geboortedatum 17-7-1919

Geboorteplaats Venlo

Rang Soldaat

KGF nummer 98987

Kamp IV-f kdo Weissenfels W-127

 

Ondertussen was ik als "vertrouwensman” aangesteld. Ik moest zo’n beetje fungeren als de schakel tussen onze groep en de Duitsers. Het gebeurde nogal eens, dat sommige leden van de groep ontsnapten. Dan werden de Duitsers weer een beetje lastiger. Ook kwam het voor dat een zekere Bernhard Jansen zogenaamd bewusteloos was geraakt op zijn werk. Dan kwam een Franse arts, ook krijgsgevangene, naar de man in kwestie kijken. Hij had de grootste moeite mij duidelijk te maken (in het Frans) dat Bernhard simuleerde. zonder dat woord te gebruiken. Ik moest Bernhard duidelijk maken, dat hij daarmee moest ophouden, want bij de Duitsers zou hij zonder meer door de mand vallen.

Toen kwam er een dag, waarop de Duitsers ons verplichtten om 's zondags te werken. Ik weet niet meer waarom. Ik pikte dat niet en ben uit protest als vertrouwensman afgetreden. Om een of andere duistere reden ben ik later overgeplaatst naar een Spoorwegcommando, dat tot taak had rails aan te leggen. Dat was zwaar werk maar gelukkig wel in de openlucht. Het "Eisenbahnkommando" was ook gevestigd in Weissenfels. Onze Groep had van tevoren nog bijna nooit contact met elkaar gehad. Het duurde niet lang of ik werd weer vertrouwensman van dit kommando. Men vertelde mij, dat de firma, in wiens dienst wij waren, eten achterhield en dat een van de groep hartklachten had maar toch moest werken. De bedoeling was dat wij een en ander door zouden geven aan de Zweedse gezant. Ondertussen gebeurde er iets anders. Niet zo ver van ons vandaan werd een gedeelte van een spoorlijn gebombardeerd. Onze groep had niet de minste zin om die lijn te gaan repareren. Daarom werd ik naar de baas van de firma gestuurd om te proberen, dat wij daar niet hoefden te werken. Ik meen dat ik hem dreigde met naar de Zweedse gezant (die de belangen van krijgsgevangenen behartigde) te zullen stappen. En onze klachten aan hem door te geven. De baas pakte de telefoon en gaf een ander, 'n Russisch commando, opdracht in onze plaats naar Gera te gaan, waar het bombardement had plaatsgevonden. Dat hadden wij dus gewonnen. Onze klachten aan de Zweedse gezant bleven intussen overeind. Niet lang daarna kwam er een hoge Duitse militaire "Ome" om met mij te praten. Hij dreigde mij in de gevangenis te laten gooien, als we bij onze eisen bleven. Ik voelde mij heel rot, want hij verwees mij daarbij op mijn verblijf in het “Oranjehotel”.

 

En inderdaad kwam de dag, dat ik mijn boeltje moest pakken om naar Hartmannsdorf te gaan voor een verhoor. Ik werd daar opgesloten met nog andere militairen, die, ik weet niet wat, uitgevoerd hadden. Soms haalde men mij daaruit, en toen moest ik piano spelen voor een andere groep. Later hoefde dat niet meer. Ze hadden een betere pianist gevonden. lk kwam toen ook in contact met de Hoofdvertrouwensman, 'n zekere Frenken. Ik ben nog een keer verhoord. En niet lang daarna moest ik naar Freiburg met de bedoeling om te gaan werken in een zinkfabriek. Dat is er niet van gekomen. Ik werd ingezet in een garage. Aanvankelijk moest ik de kamer van de directeur schoonhouden, want ze hadden gauw door dat ik niet erg technisch was. Ondertussen woedde de oorlog verder. De Russen begonnen Freiburg te naderen. Dat was ook te merken aan de vele Duitse jeeps, die naar het front moesten. Op een keer kwam een Duitse militair met zijn jeep naar de garage. Hij had stukken aan de versnellingsbak. Ik moest die demonteren. Nadat die gerepareerd was, moest ik hem weer bevestigen. Ik heb dat kennelijk niet goed gedaan, want op een bepaald moment knapte ie middendoor. De Duitser toonde zich zeer verbolgen. Hij had iets van sabotage in de mond. Maar na een tijdje kwam hij naar mij toe en zei: "Jetzt brauch Ich nicht mehr nach der Front". En hij keek daarbij heel vergenoegd. Ik weet niet meer wanneer zich dit precies afspeelde.  

Toen de Russen heel dicht bij Freiburg waren, vroegen de Duitse militairen onder wiens gezag wij stonden, of ze met ons mochten meevluchten naar Chemnitz. Onze Duitse "baas" kwam daarvandaan. (In 1945 waren er in de regio rond Freiburg Russen aanwezig, maar niet als bevrijders of aanvallende troepen. Freiburg in het zuidwesten van Duitsland werd aan het einde van de Tweede Wereldoorlog bezet door Franse troepen, niet door het Rode Leger. J.S.)

De wegen waren bezaaid met allemaal vluchtelingen. Ik denk dat het naar Chemnitz een afstand was van 30 à 40 km. Boven onze hoofden vlogen Russische vliegtuigen, die gelukkig verder niets deden. In Chemnitz aangekomen zagen wij van elk huis witte lakens hangen. De mensen hoopten dat de Amerikanen de stad zouden binnentrekken. Maar dat gebeurde niet. Er was eigenlijk afgesproken dat de Russen de stad zouden bezetten. Maar ook dat kwam er niet van. De andere dag zijn we door de  Amerikaanse linies getrokken. Gelukkig hadden die een Hollandse vrouw als tolk, die verstond ons. En zodoende kwamen wij veilig door de linies. Wij werden op een Amerikaanse vrachtwagen gezet. En toen ging het in konvooi, waarnaartoe?

Onze vrachtwagen kreeg echter bandenpech, met als gevolg dat wij het contact met de rest van het konvooi verloren. Op eigen houtje zijn we maar doorgereden en kwamen in Jena aan. Daar werden we ondergebracht in een chic hotel. Toen we daar binnenkwamen, zei al direct een van de "Yanks":  This hotel is under American protection". Aangezien ik redelijk Duits sprak, moest ik als tolk optreden. De Amerikaanse officieren amuseerden zich in de bar met, naar ik aanneem, Joodse vrouwen. Mijn makkers zeiden tegen mij:  "Joh, je moet proberen een fles champagne mee te brengen". En dat lukte, zodat wij flink zat werden. De volgende dag was mijn maag van streek. Die eerste nacht, dat wij bevrijd waren, ben ik de Amerikaanse kapitein nog heel dikwijls tegengekomen, als ie ook naar het toilet moest. De dag daarop zijn wij uit Jena vertrokken naar de volgende bestemming: Kassel. Vanuit de kazerne in Kassel zijn wij bij Remagen, weer in veewagens, over de Rijn gegaan. Hoe lang wij in Kassel geweest zijn, weet ik niet meer. Wel dat er in die kazerne een prachtige vleugel stond, waarop ik wel eens gespeeld heb. Ook heb ik, tegen een pakje sigaretten, een viool gekregen, die ik mee naar huis heb genomen. Wij zijn, meen ik, in Luxemburg terecht gekomen. Daar zijn we nog een tijdje geweest. En toen terug naar Holland!

 

Wij dachten dat wij met open amen zouden ontvangen worden; Maar daar klopte niets van! Niemand keek naar ons om. Wij moesten eigenlijk naar een kazerne in Weert. Maar in Deurne ben ik uitgestapt om zo de weg naar Maashees te aanvaarden, Maashees, mijn woonplaats.

Ondertekend GJF Bekkers

 

 

              14.10.1945 Brief aan Gerrit, schuilnaam Freek, van een medelid-verzetsbeweging

 

Op 26.10.1949 trouwden Gerrit Bekkers en Annie Jacobs in IJsselsteijn (L).

Gerrit en Annie kregen zeven kinderen: Wim (1951), Noud (1953), Marijke (doodgeboren), Marian (1954), Annemarie (1956), Jeroen (1959) en Bas (1966).