Ludo Cram
Opgetekend door Ludo Cram
Herinneringen WO II van L.C. Cram (1920 – 2024)
Het onderstaande is gebaseerd op de herinneringen van Ludo Cram, aangevuld met de bewaard gebleven correspondentie tijdens de korte periode die hij als dwangarbeider in Berlijn doorgebracht heeft en documenten uit het Amsterdamse stadsarchief. Ludo’s herinneringen aan deze periode betreffen niet alleen zijn eigen ervaringen, maar ook deels die van zijn directe familie en aanverwanten. De meeste hier beschreven gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in Amsterdam. Voor de duidelijkheid is de relatie tussen de in deze herinneringen voorkomende personen hieronder kort geschetst.
Ludo’s grootouders van vaderszijde hadden vijf kinderen waarvan twee, Ludo’s vader Frits en tante Agatha, in het onderstaande voorkomen.
De grootouder van moederszijde was weduwe van L.C. Dijks. Uit dat huwelijk zijn twee dochters geboren, Ludo’s moeder Berta en zijn tante Marie. Uit oma’s tweede huwelijk met F.J. Brand was Ludo’s oom Frans geboren.
Agatha Cram was getrouwd met de Joodse Henri Druijf
Henri was een welgestelde zakenman en had, vanwege de oorlogsdreiging vanuit het antisemitische nazi-Duitsland, besloten dat het verstandig was om als Joodse man Europa te verlaten. Hij had visa voor de VS weten te bemachtigen. Hij en zijn vrouw zijn in december 1939 naar Nederlands Indië vertrokken. Vanwege het uitbreken van de oorlog konden ze de reis van daaruit naar de VS niet meer voortzetten en toen Indonesië door de Japanners bezet werd kwamen ze in een jappenkamp terecht. Het enige voordeel daarvan ten opzichte van de Duitse vernietigingskampen was dat de Japanners weliswaar een grote hekel aan witte Europeanen en Amerikanen hadden, maar het niet specifiek op Joodse mensen gemunt hadden. Ze hebben de kampen overleefd. In 1946 zijn ze weer naar Amsterdam teruggekeerd om vervolgens in 1947 naar Hilversum te verhuizen.
Marie Dijks was getrouwd met de Joodse Tobi Vleeshhouwer.
Tobi heeft dankzij zijn huwelijk met Marie, die immers niet Joods was, de oorlog overleefd, zij het dat hij zich daarvoor ernstig heeft moeten laten verminken.
Tobi is op 21 januari 1945 door de politie aangehouden
wegens het slopen van een woning aan de Spitskopstraat. In de Transvaalbuurt, waar hij en zijn gezin woonden stonden door de deportatie van de Joodse bewoners veel woningen leeg. Om tijdens de hongerwinter toch aan brandhout te komen werd het hout uit deze woningen door buurtgenoten gesloopt. Niet alleen uit leegstaande woningen werd hout gesloopt. Misbaar geachte voorzieningen als bijvoorbeeld hekwerken van trappen werden gesloopt om als brandhout te gebruiken. Naarmate de hongerwinter langer duurde werd het criterium voor misbaarheid steeds verder opgerekt.
Frans Brand was blijkbaar een wat onbesuisd persoon. Volgens politierapporten werd hij op 12 april 1942 gearresteerd, wegens verdenking van heling c.q. handel in gestolen weermachtsdistributie-bescheiden. Het lijkt er daarom op dat hij een of ander anti-Joods Duits plakkaat bemachtigd had en daar iets in gewijzigd had zodat het pro-Joods werd en dat voor een raam gehangen had. Mogelijk had hij een pamflet met daarop de tekst “Joden niet gewenst” veranderd door het “niet” door te strepen. Een meneer Spoel had kennelijk ook zoiets gedaan want die werd tegelijkertijd aangehouden.
Hij heeft na zijn aanhouding enige tijd in het huis van bewaring aan de Havenstraat vast gezeten, waar de SD zetelde. Dat was ernstig want bij de SD gingen ze niet zachtzinnig om met mensen die zich tegen de Duitse bezetting teweer stelden en kritiek uitten. Contact met zijn vrouw had hij gedurende die detentieperiode via het raam van zijn cel, terwijl zij in de Vaartstraat stond. Voor de communicatie moest er heen en weer geschreeuwd worden. Dat was geen verheffend gezicht en zij waren natuurlijk niet de enigen die dat deden. Van ernstige mishandeling gedurende zijn detentieperiode is niets bekend en na verloop van tijd is hij weer vrij gekomen.
Van Bennekom was eigenaresse van beleggingsmaatschappij N.V. Ameland. Het bezit van Ameland bestond uit vier panden aan de Aalsmeerweg met dertien woningen en drie winkels en een pand aan de Sumatrastraat met zes woningen en een winkel. Haar zoon Frans Brand beheerde dit bezit en haalde de huur op.
In een bewaard gebleven kasboekje staan de inkomsten en uitgaven van Ameland vanaf oktober 1944 tot en met augustus 1949. Deze zijn hieronder samengevat. Het betreft hier de contante betalingen, waaronder ook stortingen op de rekening van de Incassobank. Deze zijn niet meegenomen omdat dit geld immers in kas bleef. Hypotheekaflossingen zijn wel opgenomen.
Opvallend in het overzicht is dat Frans ook gedurende de laatste maanden van de oorlog, tijdens de Hongerwinter, wekelijks naar Oost ging om de daar de huur te incasseren. Die werd dan blijkbaar nog betaald ook. De huur van de woningen aan de Aalsmeerweg werd maandelijks betaald.
Door leegstand van een paar woningen in Oost was de huuropbrengst in de eerste maanden van 1945 wat lager. Uit de ontvangen waarborgsommen blijkt dat deze woningen in maart 1945 weer verhuurd zijn. Ook toen werd er dus nog verhuisd. De waarborgsommen werden alleen in 1945 gevraagd, later komen ze niet meer voor. Soms werd er bij mutaties een bijdrage voor het behang gegeven. De betrouwbaarheid van de in het kasboekje ingevoerde gegevens wordt enigszins ondermijnd door een post huurverlies over drie maanden van de woning 201. Logischer zou zijn geweest om dit in de huuropbrengsten van voorgaande maanden tot uiting te laten komen.
De hoge kosten in 1945 zijn te wijten aan gedeeltelijke aflossingen aan de Zeeuwse hypotheekbank in maart en augustus voor een totaalbedrag van f. 10.154.31 inclusief kosten en de Eerste Nederlandse hypotheekbank in mei van f. 4.040. Om dit mogelijk te maken verstrekte Frans Brand zelf een lening van f. 6.900.-- aan Ameland. Hij rekende daar een jaarlijkse rente voor van f. 276.--, met 2,875 % veel lager dan die van de hypotheekbanken.
Inn verband met de geldzuivering in september 1945 heeft Brand in juli 11 biljetten van f. 100,— ingeleverd. Die geldzuivering had ten doel de winsten van zwarthandelaren en andere oorlogswoekeraars af te nemen. Aangezien Brand het gestorte bedrag kon verantwoorden was de verwachting dat dit later gerestitueerd zou worden zodat dit niet in de kosten opgenomen is. De grote aflossingen in 1945 kunnen ermee te maken hebben gehad dat geld toen op zich weinig waarde had, er was toch vrijwel niets meer te koop.
Berta Dijks was getrouwd met Frits Cram. Samen kregen ze drie zoons, Frits (1919 – 1998),
Ludo (1920 – 2022) en Frans (1922 – 2017). Ze had een bloemenwinkel op de Aalsmeerweg nummer 14 en woonde met haar gezin boven de winkel.
Henny Doesburg (1919 – 2011) was Ludo’s verloofde, na de oorlog is hij met haar getrouwd. Hetty was Henny’s een jaar jongere zus. Naast de correspondentie tussen de familieleden zijn er nog enige briefkaarten bewaard gebleven uit Duitsland van een krijgsgevangen vriend en een ander die dwangarbeider was. In het onderstaande is deze correspondentie deels opgenomen.
Voor de tweede wereldoorlog hadden mannen dienstplicht en werden hiervoor gekeurd op 18-jarige leeftijd.
Frits werd vanwege slechte ogen en matig gehoor op 17 februari 1938 voorgoed ongeschikt verklaard.
Ludo werd goedgekeurd. Hij werd op 6 mei 1940 ingelijfd als gewoon dienstplichtig soldaat bij het 3e regiment genietroepen dat in Rotterdam gestationeerd was. Hij was met een aantal kameraden gelegerd in een school, waar echter geen leidinggevend officier was. Er waren kisten met munitie maar geen wapens.
Toen de oorlog in op 10 mei uitbrak ontstond een compleet chaotische situatie. De meeste in de school gelegerde mannen woonden blijkbaar in de buurt en vertrokken al snel maar naar huis. Ze hadden waarschijnlijk niet het idee iets nuttigs te kunnen doen en het zal ze daarom verstandiger geleken hebben zich in veiligheid te brengen. Ludo bleef alleen achter tot na het Duitse bombardement. Hij heeft verteld dat de bommenwerpers zo laag vlogen dat hij de piloten had kunnen zien. Het bombardement veranderde het centrum van Rotterdam in een vuurzee. Daarna besloot hij ook maar te vertrekken en is naar Den Haag gelopen, een afstand van ongeveer 20 kilometer. Die dag had hij echter niets gegeten en gedronken met als gevolg dat hij vlakbij of mogelijk al in Den Haag zelf onwel werd. Omstanders hebben hem vervolgens naar een hospitaal of kazerne gebracht.
Ludo’s ouders hadden natuurlijk van het bombardement op Rotterdam gehoord en maakten zich grote zorgen over het lot van hun zoon. Berta is daarom met haar broer Frans met diens auto naar Den Haag gereden om Ludo te zoeken. Misschien had hij haar op de een of andere manier weten te bereiken en gezegd dat hij dat van plan was. Mogelijk was Den Haag ook wel de meest aannemelijke plaats waar soldaten uit Rotterdam een veilig heenkomen zouden zoeken.
Het was gelet op de risicovolle oorlogssituatie erg dapper van Frans Brand en Berta om op pad te gaan maar toch ook wel enigszins onverantwoord. Eenmaal in Den Haag was de vraag hoe Ludo te vinden. Gelukkig bleken er mensen te zijn die een vermoeden hadden waar in de chaos een soldaat terecht gekomen zou kunnen zijn en verwezen hun naar een locatie waar ze Ludo vonden. Zijn herinnering aan de terugreis naar Amsterdam was dat er overal vliegtuigen in de weilanden lagen,. waarschijnlijk de zweefvliegtuigen waarmee de Duitse luchtlandingstroepen vervoerd waren.
Het Nederlandse leger capituleerde al snel voor de Duitse overmacht en de bezetting was een feit. Ludo heeft zich nog een keer in Utrecht moeten melden en daarmee was zijn dienstplichttijd voorlopig ten einde. Andere Nederlandse militairen hadden wat dat betreft minder geluk en werden krijgsgevangen genomen. Sergeant Ernst Bouwknegt, een vriend van Ludo’s verloofde Henny, was in Duitsland in een kamp gedetineerd. Hij had Henny in april 1944 een kaart gestuurd om haar te bedanken voor de vele pogingen die ze in het werk gesteld had om hem bij de begrafenis van zijn vader aanwezig te laten zijn. Helaas hadden die niet mogen baten, maar Ernst zou deze vriendendienst niet licht vergeten schreef hij.
Na de vijf dagen durende oorlogshandelingen begon de Duitse bezetting. Aanvankelijk leek het erop dat het leven zijn normale gang zou hernemen, maar dat was slechts schijn. Zo werd het verplicht een persoonsbewijs bij zich te dragen. De Nederlandse regering had al voedseldistributie stamkaarten uitgereikt kort nadat in september 1939 Engeland Duitsland de oorlog verklaard had. Voedsel “op de bon” betekent dat het niet vrij verhandeld mocht worden om in geval van schaarste een eerlijke verdeling ervan te garanderen. In eerste instantie werd het echter ingevoerd om hamsteren te voorkomen. De distributie gaf geen recht op de op de bonkaarten aangegeven rantsoenen. Meer kopen dan het aangegeven rantsoen mocht niet, maar als een artikel niet voorradig was kon je dat alsnog niet krijgen. In de praktijk ontstond er tijdens de oorlog zwarthandel zodat de mensen die geld hadden zich meer konden veroorloven dan degenen die arm waren. Met name in de winter van ’44 – ’45 was de voedselvoorziening erg slecht en moesten mensen maar buiten het distributiesysteem om trachten voldoende voedsel te bemachtigen. Hiertoe was beslist niet iedereen in staat.
Naarmate de oorlog vorderde en in Duitsland steeds meer mannen in dienst moesten en sneuvelden werd de arbeidsmarkt aldaar krapper. Mannen in bezette landen die iets voor de Duitse industrie zouden kunnen betekenen werden opgeroepen voor de “Arbeitseinsatz”, oftewel dwangarbeid.
Frits zat wat dat betreft als Fokker medewerker goed. Vliegtuigfabriek Fokker moest beschadigde Duitse oorlogsvliegtuigen repareren. De Fokker medewerkers werden daarom onmisbaar geacht voor de oorlogsinspanning en hoefden daarom niet naar Duitsland. Uiteraard werden de reparatiewerkzaamheden bij Fokker kalm en degelijk uitgevoerd zodat het weleens erg lang duurde voordat een beschadigd vliegtuig weer luchtwaardig verklaard kon worden.
Ook Frans is uit handen van de Duitse bezetter gebleven. In eerste instantie door bij toeval een razzia te ontlopen, later vanwege onmisbaarheid als medewerker van de Rijksverzekeringsbank.
Aanvraag paspoort voor Ludo Cram ten behoeve van dwangarbeid in Duitsland.
Ludo ontsprong de dans niet en werd eind 1942 opgeroepen zich te melden voor de “Arbeitseinsatz”. Voor de reis naar en het verblijf in Duitsland had hij een paspoort nodig dat kosteloos verstrekt werd. Hij vertrok begin november.
Ludo zei goede herinneringen te hebben aan zijn baas in Berlijn en aan de hospita bij wie hij woonde. Hij had ze allemaal aardige mensen gevonden. Zijn indruk was dat de inwoners van Berlijn ondanks de oorlog zo normaal mogelijk probeerden te leven. Op zonnige zondagmiddagen lagen er volgens hem dan ook de nodige mensen langs de oevers van de Spree, hoewel dat eind november begin december niet erg prettig geweest kan zijn.
Een artikel als zeep was in Duitsland door de oorlogseconomie niet meer te verkrijgen. De dames op het bedrijf waar Ludo werkte waren dan ook jaloers op het stuk zeep dat hij meegenomen had. “Schöne Seife” hadden ze gezegd. Berlijn werd in 1942 al gebombardeerd. Aanvankelijk werden er schuttingen rondom de getroffen huizenblokken gezet, maar dat was op den duur niet bij te houden zodat men daarmee maar gestopt is.
Eén van Berta’s kennissen had een zoon die in Berlijn in de gevangenis zat. Zijn familie had niets meer van hem vernomen. Omdat Ludo waarschijnlijk in Berlijn terecht zou komen hadden ze gevraagd of hij daar poolshoogte zou willen nemen om er achter te komen hoe het met hun kind ging. Ludo is daarom is op een zondagmiddag naar de betreffende gevangenis gegaan om dat te doen. Blijkbaar had niemand hem op dat moment te woord kunnen staan en is hij onverrichter zake weer vertrokken. De volgende dag had hij dit aan zijn baas verteld. Deze was hierdoor erg geschrokken en bezwoer hem dan ook: “Gehen Sie dort nie wieder”. Vrijwillig naar de Gestapo gaan om naar iemand te informeren was levensgevaarlijk. Als bekende van een gevangene was je natuurlijk zelf ook verdacht en kon je direct opgepakt worden. Later bleek de betreffende man gefusilleerd te zijn. Zijn ouders kregen nog wel een keurig pakketje met zijn kleren thuisgestuurd. De nazimisdadigers vonden blijkbaar dat ze hun vuile zaken correct af moesten handelen.
Er was regelmatige correspondentie tussen Ludo, de familie thuis en vriendin Henny Doesburg. Een deel van deze correspondentie is bewaard gebleven. Die brieven en kaarten geven enig inzicht in de toenmalige omstandigheden in Nederland en Duitsland. Brieven werden uiteraard gecensureerd hetgeen de inhoud ervan beïnvloed heeft, niet alles kon immers ongestraft geschreven worden. De censuur vertraagde ook de bezorging van de brieven wat de communicatie niet makkelijker maakte.
Behalve een envelop met een groot aantal postzegels uit nazi Duitsland is van de correspondentie uit Berlijn aan de familie Cram niets bewaard gebleven.
Uit de brieven van de familie Cram en Henny blijkt dat Ludo, voorzien van de nodige snoeperijen, op maandagochtend 9 november naar Duitsland vertrokken was samen met Jaap, blijkbaar een goede vriend van de familie. Ze werden uitgezwaaid door Henny en Hetty. De reis naar Berlijn had nog de hele nacht geduurd. Om onbekende reden werd Ludo na een paar dagen gedwongen naar Düsseldorf te gaan. Maar blijkbaar was daar toch niets voor hem te doen zodat hij na een dag weer naar Berlijn gegaan is. Hij is bij “Lochkarten GmbH” gaan werken dat aan de Müllerstrasse 151 gevestigd was. Hij woonde niet ver van zijn werk op een kamer in de Tegelerstrasse 24, bij hospita mevrouw Blust. Om onbekende reden was het idee ontstaan dat er in Chemnitz beter werk voorhanden zou kunnen zijn en Jaap en Ludo hadden overwogen daar naartoe te gaan.
Frans schreef in de brief van 22 november dat er meer bekenden naar Duitsland als dwangarbeider gedeporteerd waren, onder andere Hans die op tramlijn 5 in Hannover dienst moest doen. Hans had geschreven dat het tramlijnennet in die stad vergeleken moest worden met het spoorwegnet in Nederland en dat alles per tram vervoerd werd. Hij was in een barak gehuisvest en volgens Frans wist Ludo waarschijnlijk wel wat dat betekende.
Frans meldde dat het vorderen van jongens op dat moment wel erg makkelijk ging. “Ze” gingen gewoon de winkels af en als het kleine zaken waren als de firma Klimop & Co dan werd er opgebeld of je personeel had en werd je ten kantore ontboden. “Aardig hè” schreef hij er bij. Frans werkte op dat moment bij bloemenzaak Kolman aan het Singel om het vak te leren en op dezelfde dag dat Ludo vertrokken was waren “ze” daar geweest,. Ook hij zou dan “de sigaar” geweest zijn ware het niet dat hij net even weg was, “je moet maar masselen” voegde hij eraan toe. Tot slot schrijft hij dat het bij hun thuis gaat zoals ze denken dat het het beste voor hun is en dat het goed gaat met Ludo’s hond. Tommy zat meer op de tafel dan eronder en bij Pa bij wie hij dan in zijn binnenzak kroop. Frans vroeg zich af of het waar is dat ze in Berlijn op zoek moesten naar een nieuwe baas en ook wat zijn indrukken van die stad zijn. Hij had gehoord en gelezen dat Berlijn noord, waar Ludo een kamer had, nogal armoedig was met huurkazernes. Dat was zo’n beetje alles dat er hier gebeurd was zij het dat, maar ja, je natuurlijk niet alles kon vertellen wat ook niet mocht.
Oma van Bennekom had nog een PS onder de brief gezet om Ludo de groeten te doen en schrijft iets over de toestand van Henny’s zus Hetty met haar man die op dat moment hevige relatieperikelen hadden. Ze hoopt dat hij goed verdient, er wat leert en dat hij ook goed voor zijn gezondheid moet zorgen.
Op de 26ste schreef Berta een briefkaart waarin ze zich afvraagt of het nog wel gaat met het eten in Berlijn. In Amsterdam werd het namelijk steeds minder. De krant bestond nog maar uit één blaadje, biscuitjes waren er alleen nog voor kinderen, er waren geen peulvruchten meer, groente was op de bon en het was maar een geluk dat ze zelf tuinden. Bloemen waren er nog wel, maar ze waren erg duur en ze had nog geen idee hoe het de kerst zou gaan. Ze vroeg of Ludo kans zag dan te komen. Verder schrijft ze dat het schrijven haast niet meer lukte, vanwege de reuma, en dat Ludo’s hond Tommy het goed maakt. Ze eindigt met
“Alles gaat hier naar wensch, en met veel zoenen van ons allemaal”.
Op de 29ste werden er nog twee brieven vanaf de Aalsmeerweg geschreven, eentje van zijn moeder en eentje van zijn broers, afgaand op het handschrift beide door Frans geschreven. Ze vroegen zich af waarom als alles in Berlijn naar wens ging Jaap misschien naar Chemnitz zou gaan om te vragen of ze daar geplaatst konden worden. De familie thuis raadde het hem af ook al omdat Chemnitz nog honderden kilometers verder van Amsterdam was dan Berlijn en dat als er wat zou gebeuren het toch beter zou zijn om niet zo ver van huis te zijn. Maar daarbij dachten ze dat hij dat zelf ook wel zou inzien. Over Ludo’s hond Tommy werd geschreven dat hij nog steeds tierig was maar dat ze minder last van hem hadden omdat hij nu de hele nacht bleef slapen.
Ludo had eerder geschreven dat hij zes dagen per week van zeven uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds werkte en op woensdag zelfs tot half zeven. Thuis vonden ze dat een lange werkweek. Er werd gevreesd dat de kerst er wel hopeloos uit ging zien. Berta voorzag dat het allemaal droge stukjes zouden worden. Aan tulpen was niet te komen, “ze mogen onder geen voorwaarde getrokken en verkocht worden”. Ludo hoefde zich dus geen zorgen te maken over het zagen van stukjes hout. In de PS vroeg ze zich af op wat voor termijn hij in Berlijn aangenomen was en wat voor contract hij daar had en natuurlijk deed ze de groeten van oma.
De broers schreven dat het hun genoegen deed dat hij zo goed aan moe en pa dacht.
“Nou jongen, maak je je daar maar geen kopzorg over, want we zullen wel zorgen om het elkaar in deze rot tijd zo gemakkelijk mogelijk en genoeglijk mogelijk te maken”.
Ze vroegen zich af hij daar nog wel eens wat hoorde maar hun vermoeden was
“dat zal wel niet erg hè, nou maar hier horen [we] genoeg, snap je.”
Verder werd Ludo een beetje gemaand naar oom Frans Brand te schrijven
“of is het allemaal zo goed, dat je niet hoeft te schrijven, want van die kaart leek het wel niets.”
Ze sluiten af met
“Maar je doet maar kalm aan en je kijkt maar goed uit je doppen., Je liefhebbende Broers Frans en Frits.”
Ook de broers doen in een PS nog de groeten van oma die zijn kaart ontvangen heeft en er nog vele hoopte te ontvangen.
De correspondentie met Henny is een stuk uitgebreider en waarschijnlijk nog grotendeels compleet. Van haar zijn vier brieven bewaard gebleven waarin ze uitgebreid vertelt wat haar zoal overkomen is in de voorafgaande dagen. Ze had zich voorgenomen Ludo eens in de vier dagen een brief te sturen en dat is gelukt. Die brieven geven een aardig inzicht van hoe zij haar dagen doorbracht en hoe innig de relatie met Ludo’s familie was. Ze kwam regelmatig op de Aalsmeerweg of ’s avonds bij vrienden in de Hoofddorppleinbuurt. Ze sliep dan bij oma van Bennekom, per slot van rekening was het nog een heel eind fietsen naar de Vrolikstraat waar ze woonde en daarbij was het vanwege de verduistering ook nog stikdonker. De over en weer gestuurde brieven werden door alle familieleden gelezen zodat in de brieven van de familie Cram gereageerd werd op de aan Henny gestuurde brieven.
De eerste brief is van 14 november. Henny schrijft hierin dat oom Frans [Brand] een zeer ernstige kaakontsteking had. Ze was uitgenodigd voor een bijeenkomst van trekkersvrienden bij Jan uit de Weismullerstraat om over een feest op 28ste of 29ste te spreken. Dit feest zou ter gelegenheid van de verjaardagen van Jan en Fred zijn en om het trouwen van Fred en Mien te vieren.
“c.a. 8 uur begint de bespreking je begrijpt wel nu vier bonnen meebrengen. en of wij er zullen blijven eten of niet, want daar zijn ze het nog niet overeens. Als ik van de Weismullerstraat kom dan ga ik bij Oma slapen. want dat is in ieder geval niet zoo ver als naar mijn huis.”
Henny was met haar zus Hetty een paar keer mee geweest om naaiwerk op te halen. Op donderdag waren ze samen naar Betondorp geweest. Het was er natuurlijk stikdonker toen ze vandaar weer naar huis gingen en Hetty was met de koffer languit in een tuin gevallen waarna Henny de grootst mogelijke moeite gehad had om haar te vinden en vast te pakken om haar weer overeind te helpen. Met moeite hebben ze Middenweg gevonden om met de laatste tram naar huis te gaan. Toen ze dat gevonden hadden en binnen waren waar het licht was bleek Hetty onder de modder te zitten en waren haar kousen stuk wat het kostbaarst was. Henny’s schoen was aan een kant helemaal kaal gesleten omdat ze langs de trottoirrand gelopen waren om de weg te kunnen vinden. Ze schreef dat ze sinds Ludo’s vertrek haar goede gids na een paar dagen al miste. Ook wilde ze graag weten hoe Ludo de snoeperijen gevonden had, of de potten jam heel meegekomen waren en hoe het werk op de fabriek beviel. Natuurlijk meldt ze ook dat het met de familie op de Aalsmeerweg goed gaat en dat ze van de huisgenoten en ook van oma, oom Frans en tante Miep vele groeten moest doen. Ze sluit af met:
“Nu Ludo gaat je Henny weer eens eindigen want het is ondertusschen al half elf geworden. Ook moet ik je vele groeten doen van mijn vader en moeder en Zus schrijft je en het allerbeste toegewenst.
Nu liefe schat ga ik heus afscheid nemen en hoop op een gauw weerziens vele groeten en vele kussen van je liefhebbende Henny.“
De erbij gesloten brief van Hetty gaat over haar relatieperikelen waarvan ze niet geloofde dat die gunstig zouden aflopen. Ze was tijdelijk met haar zoontje Tom en poes Blackie bij haar ouders gaan wonen. Ze was die middag naar haar huis in de Van Ostadestraat gegaan waar ze haar man Jo trof. Hij had haar ronduit verteld dat hij met een ander uitging wat tot hele drama’s geleid had. Bovendien had hij bij die gelegenheid niet eens naar hun zoontje Tommy gevraagd. Die jongen hadden ze als goede Nederlanders trouwens voluit Winston George Tom genoemd, zeer Engels gezinde namen in een door nazi Duitsland bezet Nederland. Ze verwachtte dat ze zich ook zonder man wel kon bedruipen omdat ze genoeg naaiwerk had. Hetty sluit af met:
“Nu Luudje Fluudje ga ik weer eindigen. Blackie kijkt al onder m’n arm door naar wie ik zoo’n lange brief schrijf. kan je ’t lezen? Vele kusjes en de hartelijke groeten van Hetty en je neefje Tommy en de poes Blackie”.
Op hetzelfde blaadje heeft moeder Doesburg op verzoek van Henny en Hetty nog een paar regeltjes voor Ludo gevoegd.
‘.. maar je weet wel dat het niet goed gaat. Ben je al wat uitgerust houw je maar taai hoor en de beste wensch van mijn Man en van mij gegroet H Doesburg”.
Enige correspondentie uit Berlijn met postzegels uit nazi Duitsland en registratie en stempels van de censoren.
In de tweede brief van 18 november krijgt Ludo de hartelijke groeten van de trekkers. Hun vrienden Fred en Mien hadden een ondertrouw- en trouwkaartje gegeven. Het huwelijk zou op 26 november plaatsvinden en ze zouden een feest geven op zaterdag de 28ste. Verder schrijft Henny weer uitgebreid over de relatieperikelen van Hetty. Er gebeurden zulke rare dingen schreef ze. Met een buurman waren ze bij de werkgever van Jo Floor geweest en die “hooge gast” had Hetty geraden maar weer naar huis te gaan. Dus Henny met Hetty naar de Van Ostadestraat om daar de boel netjes te maken en er het bedje en de stoel van Tom daar naartoe te laten brengen. Toen Henny de brief schreef was het al negen uur en ze was blij dat het eindelijk even rustig was. Ze had geprobeerd schapenwol om een trui voor Frits te breien te krijgen maar dat was niet gelukt. Voor de rest gaat de brief over hoe zwaar ze de hele situatie van haar zus vindt en de familie op de Aalsmeerweg waarmee het goed gaat en Ludo’s hond die nog springlevendig is. De kaak van oom Frans was inmiddels weer aan de beterende hand. Met haar ouders ging het goed, met haarzelf ging het ook wel,
”liever gezegd het moet maar [..] Ik heb al genoeg te denken mijn hoofd loopt mij op het ogenblik om van allemaal nare en vervelende dingen.”
Henny sluit af met vele groeten van alle familieleden en
“Vele groeten en Vele kusjes en veel liefs van je liefhebbende Henny. Dáááááááág.”
De derde brief van zondag 22 november opent met
“Eindelijk zit ik hier op mijn gemak aan de tafel. Ik heb weer een dag achter de rug wat je je eigen niet had kunnen begrijpen voor je weg ging. Hier zijn het voor mij thuis op het ogenblik verschrikkelijk drukke dagen.”
Zaterdag was Henny door de hele stad gereisd. Eerst naar haar mevrouw, bij wie ze kindermeisje was. Daar mocht ze weer vroeg weg en is vervolgens naar Ludo’s moeder gegaan en daarna naar huis om zich netjes aan te kleden. ’s Middags was ze naar het nieuwe Sloterdijk geweest om daar voor Hetty op informatie uit te gaan. Ze had ’s avonds Hetty naar huis gebracht en was bij haar blijven slapen. De volgende dag weer naar de Vrolikstraat om daar naaiwerk te doen. Hetty
“had zoveel dat zij mij vroeg of ik haar wat helpen wou. Je begrijpt dat ik het natuurlijk maar weer gedaan heb.”.
Intussen was Wim Elbers langs gekomen om afscheid te nemen, hij was als dwangarbeider naar Keulen verordonneerd en vroeg Henny namens hem Ludo de groeten te doen. Hij hoopte hem gauw weer te zien. Vervolgens met de tram naar de Aalsmeerweg om daar een jas van Berta te halen die vermaakt moest worden en terug naar de Vrolikstraat om te eten. Na eten gingen Henny met Hetty en Tommy naar de Van Ostadestraat.
Daar aangekomen bleek Hetty met haar sleutel niet naar binnen te kunnen want haar man Jo had met zijn sleutel afgesloten. Een buurman met een breekijzer heeft Hetty toegang tot de woning gegeven maar daarbij het nodige moeten slopen. Henny was uiteindelijk maar op haar
“gemak in het donker naar huis gegaan, is er aan deze ellendige zondag weer een einde gekomen. Het is al half twaalf, Moe en Pa zijn al naar bed gegaan, want die zijn net zoo gebroken als ik ben. Ik ben te moe dat ik op mijn eigen benen sta, dus ik hoop dat een nachtrustje mij weer goed doet”.
Ze hoopte maar dat alles op zijn pootjes terecht zou komen. Ze had ook nog wat in haar oog gekregen, wat dik geworden was, had vrij gekregen om naar de dokter te gaan maar dat toch maar niet gedaan want het werd vanzelf al beter.
“Nu lieveling van allemaal vele zoenen[?] maar in ’t bijzonder van je liefhebbende Henny.”.
De vierde en laatst overgebleven brief is van 26 november die hieronder geheel weergegeven wordt. De brieven geven een goede indruk van hoe Henny zich uitte, ze schreef namelijk net zo als ze praatte.
Donderdag 26 Nov ‘42
Lieve Ludo,
"Heel toevallig was ik vanmiddag bij je moeder en hoorde dat je al een paar briefkaarten en een brief aan haar gestuurd had. Maar aangezien het zoo donker is en Frans geen tijd had om naar mij toe komen kwam ik het natuurlijk nu pas vanmiddag aan de weet dat jij geschreven had. Ik vond het al gek dat ik maar niets van je hoorde want maandag ben je drie weken weg en heb nog maar een briefje ontvangen. Nu op het moment schrijf ik je in haast, want het is hier een hopeloze toestand thuis. Maar Henny heeft haar voor genomen iedere 4 dagen te schrijven dus dat vol breng ik ook. Ik hoop dat je geregeld mijn brieven ontvangt. Zoo je zult zien is dat het 4 briefje. Het is fijn als er weer 4 dagen om zijn en jou weer een lettertje kan schrijven. Wat ik hier thuis op het moment meemaak en Pa en Moe ook. dat is allemaal niet te beschrijven. De dagen duuren jaren en wij zijn ’s avonds doodmoe als wij bedwaarts keren. Zoo je uit mijn vorige brieven hebt kunnen lezen is Hetty op het moment in haar eigen huis. Hoe dat alles moet gaan weten wij niet het is een rare bedoening. Maar wij hebben gezegd dat ze alles maar zelf moet weten en wij ons er niet mee willen bemoeien. De heele week hebben wij eten gespaard, moeder overdag en ’s avonds was ik het pakezel. Zoo je wel zal begrijpen heeft zij op het moment een heele boel naaiwerk, maar dat moet allemaal weg gebracht en gepast worden. Henny is natuurlijk wel weer goed genoeg om dat te doen dus trek ik met moeie beenen er ’s avonds maar op uit.
Het is nu zeven uur en vanavond moet ik in het hardstikken donker nog naar betondorp. Zoodoende heb ik van deze week niet een avond naar jullie thuis kunnen gaan. Als ik een avond naar jullie thuis ga blijf ik ook slapen want dan hoef ik in het donker weer niet terug naar huis. Maar van deze week zal er wel niets meer van komen dat ik bij jullie thuis kom want morgen is het al Vrijdag en Zaterdag zou ik naar Blaricum om te weekenden dus dan komt er Zondag ook niets van. Afijn ik zal maar niet zoo ver spreken wie weet wat er een Zondag weer is. of Zaterdag. Je vroeg in het briefje hoe het met mijn baas ging, nou ik zal je zeggen dat het nog al gaat. Van de week heb ik thuis gezegd, als het zoo’n malle toestand blijft als het nu is dat ik het huis uit ga. Je weet hoe het gaat dat het nu op het moment weer een beetje bijgedraaid is. Mijn pen was leeg dus het was even pauze. Ik was vanmiddag al weer om half twee begonnen dus had een vreeselijk lange middag, toen ik bij je moeder weg ging heb ik nog een bestelling voor haar meegenomen want het was toch op de weg naar huis. Met pot en kinderwagen het stond wel aardig, het was niet zoo bar ver want het moest zijn op de Amstelveenscheweg.
Wij zijn blij dat je het nog al goed van eten getroffen hebt en dat je nog al goed met Jaap op kan schieten. Ook schreef je dat het werk je wel bevalt nou dat is dan wel fijn als alles zoo naar zin gaat. O ja mijn geheugen spreekt weer, ook moet ik je de groeten doen van Mijnheer Lulofs. je weet wel met die groene hoed. Hij vroeg waar je zat en of je het goed had. De volgende dag die Mijnheer mijn van Coller en van Os aangehouden die bij mij op de Linnaeusstraat woont boven die schoenwinkel. Jij weet wel wie ik bedoel, die was natuurlijk ook vol belangstelling naar jou. Na al zijn vragen beantwoord te hebben moest ik je de hartelijke groeten doen en hoopte dat hij je gauw weer zou zien, of als hij mij zag weer wat van je te hooren. Bij jou thuis is alles oké en Oma maakte het ook best, je hondje was stapel dol toen ik kwam en dus is ook zoo gezond als een visch dus het kan niet beter hé?
Nu Luudje ik moet heus eindigen want ik moet er jammer genoeg in de regen op uit. Ik hoop gauw weer eens een briefje van je te ontvangen hoe je het maakt en of je daar nog woont want ik schrijf maar naar dat adres in de hoop dat je het ontvangt. Vele groeten moet ik je doen van Pa en Moe ook van Hetty en Tommy, als zij ook weer eens tijd heb schrijft ze je weer. Nu lieverd vele groeten en vele kusjes van je liefhebbende Henny. Daaaaaaaag."
Dit is de laatst bewaard gebleven brief van Henny. Ze heeft er daarna waarschijnlijk nog wel een paar geschreven maar die hebben Ludo niet meer bereikt.
De brieven en kaarten die Ludo schreef zijn wat minder uitvoerig, maar hij schreef wel vaak. De eerste brief is van 14 november en is hieronder in zijn geheel weergegeven om een indruk te geven van zijn manier van schrijven.
Berlin 14 Nov 1942
Lieve Henny,
"Je zult wel smachten naar een bericht van mij, hopelijk ontvang je deze eerste brief in goede staat zoals je reeds bemerkt zult hebben aan de in het algemeen geschreven kaarten gaat het mij goed. Ik verlang wel erg naar je maar daar moeten we ons maar dapper doorheen slaan wat scheiden wil zeggen, dat wil zeggen van alles afstand nemen dat valt zwaar maar begrijpen doe je het pas als je onder de vreemden menschen bent. Nou lief kindje hopelijk gaat alles thuis goed ook met Hetty en Tommy. Je moet maar gauw schrijven hoe jij het maakt uit de brief naar mijn moeder zal je lezen dat mij alles goed gaat. Ik ben nog erg moe van mij laatste reis. Nou lieveling als ik terug kom moet je maar denken dan kan je me weer dresseeren en ik zal me dat makkelijker laten doen als voor heen. Wat mijn pension betreft heb ik het goed getroffen en ben bij een oud vrouwtje die wel goed voor mij zal zorgen. Uit de brief naar huis moet je maar veel lezen want dat is natuurlijk ook voor jou bestemd. Ik moet wel veel aan je denken dat zal jij natuurlijk ook wel doen is het niet nou lief vrouwtje ik ga je weer groeten en je moet natuurlijk de hartelijke groeten doen aan je ouders en Hetty en Tommy de volgende keer krijg je een heele lange brief van mij. Nou lieveling met groeten van mij en tienduizend kusjes neem ik afscheid van je liefhebbende
Ludo
Het volgende bericht aan Henny is een brief die op 19 november geschreven is. Ludo meldt
“Het werken bevalt mij uitstekend en als je dan maar steeds bezig bent vliegt de tijd, bezig ben je wel de heele [dag] van ’s morgens kwart over zes dan sta ik op en begin dan zeven uur tot ’s avonds zes uur behalve woensdag dan ’s avonds half zeven en de winkels sluiten om zeven uur en als ik dan nog wat boodschappen gedaan heb is het net zeven uur dus dan nog naar huis en dan eten en dan haast al weer naar bed want op straat is alles hardstikken donker net zoals bij jullie.”
Terwijl Ludo dit schreef was hij bij Jaap en zou direct weer naar huis gaan met de
“ondergrondsche trein jonge wat gaat dat ding hard van station tot station maar even goed ben ik dan nog een half uur onderweg dat je kan wel na gaan hoe groot het hier is.”
En vervolgt met:
“Hoe gaat het anders met je kindje gaat alles nogal naar de wensen is Hetty nog steeds thuis want breekt tenminste nog een beetje vind je niet of is het nog altijd te druk aan je lieve hoofdje nou maak je daar maar niet dik over want er zijn wel andere dingen om je dik over te maken is het niet.
Nu meisje ik ben naar ik meen weer uitgeschreven en hoop maar dat ik gauw bericht van je mag en goed bericht mag ontvangen van je dus ik ga maar weer van je scheiden met vele kussen en veel liefs voor jou en hartelijke groeten voor je thuis”
Dag Henny je liefhebbende Ludo
Op de kaart van 20 november schrijft Ludo dat hij alweer bijna twee weken weg is vraagt hij zich af of bij Henny de tijd net zo vlug gaat als dat hij het ervaart. Nadat hij gevraagd heeft hoe het met haar ging schrijft hij of Henny:
“nog al regelmatig bericht [ontvangt] dat zal wel Jaap ontving gisteren een brief en die was liefst maar 16 dagen onderweg geweest of heb ik dat al aan jou geschreven ik kan het haast niet bij houden al die schrijfboel, maar de hoofdzaak is toch dat jij bericht krijgt. Het gaat zeker thuis gewoon zijn gangetje is het niet Hetty nog thuis of alweer foetsie. Je zult wel gehoord hebben dat ik en Jaap het maar zo gezellig mogelijk maken. Je fiets zal wel zo onderhand door de jongens in orde gemaakt zijn. Je zult ook wel gehoord hebben dat Jaap voor een bespreking naar Chemnitz gaat gek he zoveel moeite gedaan om daarvandaan te blijven en dan gaan we misschien er toch nog eens naartoe. Maar afijn je moeder zou zeggen er kan nog zoveel water door de Rijn lopen is het niet. Ik zal tenminste maar aan nemen dat alles met jou goed is en dat hoop ik maar en dat is ook mijn eenigste verlangen je slaat je eigen er maar dapper door heen want het is een goede les voor bijde hé kleintje nou meisje ik ga weer scheiden en dan naar bed want het is alweer laat want ik heb Jaap nog even naar de ondergrondsche gebracht. Nou lieveling met vele kussen en vele hartelijken groeten thuis neem ik afscheid je liefhebbende Ludo”.
Een lange brief is geschreven op maandagavond 23 november om 8 uur. Ludo schrijft onder andere:
“Ik weet natuurlijk niet dat of jullie al van alles op de hoogte zijn van hoe ik verder gevaren ben in Berlin en toen weer terug, ik heb dat wel uitvoerig beschreven maar ik zal Oom Frans een nog vollediger verslag doen dus dat horen jullie dan nog wel.”
Ludo schrijft vervolgens over de trouwerij van Fred en Mien:
“Zoo gaat die [toch nog] door je moet ze maar van mij veel geluk wensen en stuur maar wat bloemen of doen jullie iets gezamenlijks dat is natuurlijk wel aardig maar afijn ik doe ook mee hoor geld dat stuur ik wel over.
Maar niet eerder als na nieuwjaar want het geld vliegt uit je zak ik ben zondag bij Jaap wezen eten en ’s avonds in de stad en je bent zo maar vier gulden kwijt of het maar niets is maar dat komt allemaal wel goed als je eerst maar een beetje de weg weet”.
Hij vindt het leuk dat Henny zo vaak op de Aalsmeerweg komt en bij Oma gaat slapen, dat zou wat afleiding brengen. Ook vindt Ludo dat ze af en toe maar eens moet gaan weekenden
“ik zal wel betalen hoor als je krap zit”.
Naar aanleiding van het gestuntel van Hetty en Henny Betondorp in het donker in schrijft Ludo:
“nee dan moet hier komen je komt hartstikke donker de fabriek uit en dan natuurlijk weer natte sneeuw regenen kan het hier niet toen moest ik eerst even een aardappelsalade halen toen brood en toen naar het postkantoor, en toen was ik de weg kwijt en dan maar lekker lopen vloeken en dat helpt want je ziet ik zit nu weer naar jou te pennen”.
Henny en Hetty worden bedankt voor het snoep dat schitterend van pas gekomen was omdat hij een week zonder bonnen gezeten had en dan daar maar van gegeten had. Die bonnen had hij die middag gekregen met nog twee extra zodat Ludo vond dat hij weer bofte. De jam was heerlijk en hij had die zojuist nog op brood gegeten met wat havermout erover wat erg lekker was. Er waren wel plannen geweest om samen met Jaap te gaan wonen, maar Ludo had besloten daar maar te blijven zonder pottekijkers en zijn eigen gang te kunnen gaan. Over het werk schrijft hij
“Het werk is hier wel het erg leuk en de luitjes waar ik mee samen werk ook maar je het spreken en het omgaan met die lui is heel anders en dan daarbij ze zijn natuurlijk allen veel ouder als ik maar dat mag niet hinderen voorlopig heb ik zat werk en we zullen wel zien waar we dan weer terecht komen. Het is niet zo’n grote fabriek dus niet zo ongezellig en dan daarbij ben ik in de montage afdeling en daar werken misschien tien man dus dat valt erg mee is het niet.”.
Ludo sluit af met
“ik ben anders blij dat ik een bericht van je ontving want als je zo’n twee weken niets hoort dat valt ook vreemd. Je zult ondertussen wel meerderen kaarten of zo iets dergelijks ontvangen hebben want ik zal jullie om de beurt voorlopig bericht sturen . Nou engel ik ga weer van je scheiden met vele kussen en groeten en liefs van je liefhebbende Ludo Dáág.”
Tegelijkertijd met deze brief heeft Ludo ook eentje voor “Beste Hetty” geschreven met een berichtje voor zijn “beste toekomstige ouders”. Hij schrijft:
“Aller eerst hartelijke dank voor je schrijven en voor je jam want zo’n potje mag je mij nog eens wel geven het was werkelijk buitengewoon goed.
Zo als je wel gehoord zal hebben boter ik het hier nog al het valt niet mee zo heel alleen en dan met al die bonnen en dan als je een brood gehaald hebt om dan je deel voor morgen ook niet op te eten maar dat alles went van zelf denk je ook niet,
Over haar relatieperikelen schrijft Ludo dat het hem maar het beste lijkt dat ze uit elkaar zouden gaan, maar wil zich er niet mee bemoeien. Hij denkt dat Hetty zich alleen wel zal redden met het naaiwerk dat ze heeft.
“Als Henny nou slim is dan helpt die jou dan heeft die ten minste ook wat te doen en ze verdiend hoogstwaarschijnlijk nog wat.”
Hij vraagt zich verder af of ze nog samen op stap gaan en ouderwets de beest uithangen en of Hetty’s zoon Tommy zijn kies al heeft zodat die niet meer zoveel kwijlt. Ludo schrijft dat zijn werkdagen van zeven uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds ontzettend lang zijn met maar drie kwartier koffiedrinken.
De aanstaande ouders worden bedankt voor de mondvoorraad die ze hem mee gegeven hadden en voor het door vader Doesburg gerepareerde horloge. Het andere had namelijk het loodje gelegd.
In de brief van 25 november, geschreven om 9 uur ’s avonds, vertelt Ludo dat Jaap en hij naar de Berliner Scholsbräu geweest zijn en daar een onderhoud gehad hadden met leden van de partij die hun een volledig verslag gaven van wat Jaap aan zijn zaak moest doen om naar Amsterdam terug te kunnen keren. Jaap was namelijk hoogstwaarschijnlijk afgekeurd. Ludo vond dat niet leuk want dan zou hij alleen in Berlijn blijven, voorlopig echter logeerde Jaap bij hem en sliep op de divan. Verder schrijft Ludo dat Henny naar de Aalsmeerweg moet gaan om daar zijn plaats in te nemen. Hij vraagt ook hoe het met zijn kind, het hondje, is en hoe het met Hetty en haar zoon Tom gaat.
Het volgende bericht is een op 27 november geschreven kaartje waarin Ludo meldt dat hij Henny’s tweede brief ongeopend ontvangen heeft, maar nog niets van thuis maar hij dacht dat dat door de censuur gekomen was. Henny moet de groeten doen aan Hetty, want Ludo dacht dat die het wel zwaar had. Hij vond het werk nog steeds plezierig en het eten ging best. Hij en Jaap hadden een soort bloedworst gegeten wat goed smaakte.
Treinkaartje plus treintoeslag
Op maandagavond 30 november schreef Ludo:
“Hoe gaat alles nog zeker best he, nou met mij en Jaap ook hoor.
Tot mijn grote vreugde ontving ik zaterdagavond of liever gezegd nacht want wij kwamen erg laat thuis toen stond de brief hier op tafel erg leuk als je zo’n paar weken van huis niets gehoord hebt. Afijn daar werd in geschreven dat voor de brief nog een kaart was verzonden nou ik schreef gisterenavond een brief terug, een heel lange nogal waar ik onder andere natuurlijk in schreef dat ik die nog niet ontvangen had maar hij is toch aangekomen eerder verzonden en twee dagen later pas de aankomst maar beter zo als heelemaal niets vind je ook niet engeltje. Nou in de brief en op de kaart werd geschreven dat alles wel was en van jou ontving ik twee brieven dus dat gaat nogal tenminste steeds een teeken van leven.”
Hij en Jaap waren net in twee verschillende restaurants gaan eten en het was allebei “naadje”. Ze waren daarom van plan om in het vervolg hier en daar wat los eten te kopen bij een automatiek of iets dergelijks, het was toch allemaal duur, en dat dan op de kamer op te eten.
Over het werk schrijft Ludo:
“Ik heb van daag weer een ander karwei gekregen dat zal ook wel weer een week duren voor ik daarmee klaar ben het is wat klein monteerings werk ik zou vandaag feitelijk aan een machine gaan werken maar bij gebrek aan onderdelen is dat maar weer uitgesteld wel jammer maar dat komt straks dan wel weer.”
In de brief naar huis had Ludo geschreven dat Jaap en hij naar een ijsrevue geweest waren
“nou dat was toch iets wonderbaarlijks. Het rijden is natuurlijk heel wat anders als het rijden van ons dit rijden is schoonrijden en dansen alles op het ijs werkelijk iets schoons. Er zal wel bij jullie in de krant een resentie over staan het is van de wereldberoemde rijder Karl Schäfer ja het is jammer dat je niet mee kon want het is werkelijk iets wat je maar eenmaal in je leven te zien krijgt je moet na gaan, in dat Sport Palast gaan duizende mensen dus je kunt na gaan wat een indruk zoiets maakt en dan de ijsbaan op zich is al ontzettend groot het is natuurlijk wel kunstijs.”
Ludo sluit af met:
‘Ik zou op het oogenblik niet weten wat ik je nog meer moet schrijven hoe gaat het met de beesten heeft Hetty die weer meegenomen of hebben jullie die nog, je moet haar maar de hartelijke groeten doen van mij en ook aan je ouders natuurlijk. En schrijf maar hoe je weekend is geweest of het leuk was en wie er waren enz. nou meisje morgen zal ik deze brief maar weer posten en dan weer een naar huis schrijven. Nou liefje ik ga groeten met vele kussen en veel liefs van je
Liefhebbende Ludo
Op de kaart van 2 december schrijft Ludo dat hij Henny’s brief van de 22ste ontvangen heeft en gelooft dat Henny het nogal druk aan haar winkeltje had en gaat verder over op Hetty’s relatiemoeilijkheden
“Hettje nog steeds thuis want wat ik uit jou schrijven kan begrijpen is dat Jo daar niet meer thuis is nu Hetty daar weer is afijn het zaakje zal heus wel een eind hebben je moet maar zo rekenen er is nog niet genoeg herrie in de wereld dus dat beetje kan er ook nog wel bij zou je ook niet denken.”
Jaap had al vier dagen bij Ludo op de divan geslapen. Het had alweer “gezellig” gesneeuwd in Berlijn, ze waren die avond helemaal wit thuisgekomen, en Ludo vroeg zich af of het in Amsterdam ook al gesneeuwd had. Hij eindigt met de hartelijke groeten aan ouders en Hetty met haar menagerie en Henny
“veel liefs en vele kusjes van je Liefhebbende Ludo Dáág”.
In de brief van vrijdagavond 4 december schrijft Ludo dat het nog steeds goed gaat en hopelijk bij Henny thuis en met haarzelf ook. Hij had:
“deze week niet veel post ontvangen maar ik hoop morgen of anders volgende week wat van jullie te horen, het is ook zo hopeloos met de post en nu vooral van wegen de Sint-Nicolaas en de Kerst, het zal anders wel een dooie boel zijn met 5 Dec denk je ook niet want bij jullie zal er ook wel niet aangedaan worden dit keer.”
Hij vraagt zich af of Hetty nog thuis is en hoopte dat met de menagerie ook alles nog “kits” was. Hij had gisteren nog naar huis geschreven en naar Oom Frans en Tante Miep
“het was wel niet veel wat ik te schrijven had want zo’n paar brieven en je kan moeilijk steeds hetzelfde schrijven”
En daarom vertelt Ludo maar wat over de kachel die was anders dan thuis in Amsterdam, het was een tot het plafond lopende vierkante koker waar je tegenaan kon leunen om je rug te warmen. Het ding werd gestookt met briketten op een stookplaatje onderin, maar Ludo vroeg zich af of dat ding in staat zou zijn bij 25 à 30 graden vorst de kamer nog warm zou krijgen want het was die avond al behoorlijk koud en je moest er al in kruipen om het warm te krijgen. Hij hoefde zelf niet voor de kachel te zorgen, dat deed zijn “wijfje”. Hij geloofde dat ze ook de groente haalde, zij het dat het welgeteld maar een klein kooltje was. Het bed was ook niet onaardig
“dekens dat schijnt hier onbekent te zijn ze hebben hier al[s] matras een soortement linnen zak gevult met kapok of zoiets dergelijks en als dek heb je net zo iets en daar kruip je maar onder en het slaapt best.”
Jaap, die op de divan moest “maffen” was wel jaloers op Ludo’s bed. Jaap had een “abonnement” bij hem genomen want hij er was al vanaf de vorige zaterdag bij hem wat wel prettig voor hun beiden was. Meer wist Ludo Henny niet wijs te maken
“dus gaat je luudje maar weer scheiden doe vooral de hartelijke groeten aan je oude lui Hetty Tommy en de menagerie en doe ook de hartelijke groeten aan mijn moeder en ook voor Oma en voor jou vele kusje[s] en hartelijke groeten je liefhebbende Ludo Daag”.
Dit was tevens de laatst verstuurde brief want hoewel Ludo zich positief uitliet over zijn verblijf in Berlijn en het werk aldaar hield hij het de week daarna voor gezien en besloot weer naar huis te gaan. Op vrijdag 11 december kocht hij een kaartje naar Rheine voor de trein waarvan hij dacht dat de bestemming Nijmegen zou zijn want in die stad was hij enigszins bekend. In die trein is hij ergens gaan zitten. Na verloop van tijd leek het hem echter verstandiger om onder de wagon plaats te nemen om ontdekking te voorkomen. Uiterst oncomfortabel, half liggend en half zittend op een paar remkabels maar blijkbaar stabiel genoeg om er niet af te vallen tijdens de rit. Gelukkig stopte de trein onderweg diverse keren, al dan niet wegens luchtalarm, zodat hij de benen kon strekken. Tijdens die nachtelijke stops werden de wielen een aantal malen gecontroleerd door iemand die langs de trein liep en er met een hamer tegenaan sloeg. Aan het geluid was te horen of er scheuren in de wielen ontstaan waren. De betreffende persoon was er niet op bedacht dat er zich iemand onder de trein kon bevinden en Ludo werd niet betrapt. Van te voren is te horen dat een trein weer gaat rijden zodat Ludo op tijd zijn plaats weer kon innemen als de reis voortgezet werd. Het was een lange en waarschijnlijk ook erg koude reis. In Nederland bleek dat de trein niet naar Nijmegen gereden was, maar naar Utrecht. Het lukte Ludo ongezien op het perron te komen en de rugzak die hij in de trein had laten staan te pakken. Niemand had er acht op geslagen zodat die rugzak gedurende de reis gewoon was blijven staan. Destijds was er kaartcontrole bij de uitgang van stations. Ludo had echter geen kaartje voor Utrecht en kon daarom niet zomaar het station uit. Gelukkig vond hij iemand in het station bereid voor hem een kaartje te kopen zodat dat probleem ook opgelost was. Na die lange reis onder de trein vanaf Berlijn moet hij er verfomfaaid en behoorlijk smerig uitgezien hebben. Er zat in ieder geval een grote slijtplek op zijn jas, want hij had deels tegen een wiel aan gelegen, maar blijkbaar vond niemand dat een reden om hem daarop aan te spreken. In Amsterdam gearriveerd heeft hij oom Frans Brand gebeld die hem opgehaald heeft.
Na thuiskomst heeft Ludo de eerste dagen bij oma van Bennekom op nummer 16 gelogeerd, maar kort daarna is hij weer op nummer 14 gaan wonen. In het schot tussen de balkons van de nummers 14 en 16 was verdekt een scharnier aangebracht zodat hij in geval van een huiszoeking ongemerkt van de ene naar de andere woning had kunnen vluchten. De hospita, tegen wie Ludo uiteraard niets gezegd had over zijn aanstaande vertrek, heeft nog geschreven en gevraagd of de huissleutel teruggestuurd kon worden, waarop zijn moeder als antwoord gaf dat ze Ludo helaas nog niet gezien hadden. Daarmee was de kous af. Er zijn nog enkele bezoeken aan huis van Duitse instanties geweest voor nadere inlichtingen, maar ook dat stopte.
Van echt onderduiken was geen sprake. Ludo ging gewoon de straat op, en is op de een of andere manier altijd voorzichtig en onopvallend genoeg geweest om uit handen van de Duitse bezetter te blijven. Een vals persoonsbewijs was geregeld door de man van Hetty, Jo Floor. Blijkbaar was er tussen hem en Hetty weer iets van vrede ontstaan. Tussen Hetty en Jo is het uiteindelijk niet meer goed gekomen want hun huwelijk eindigde begin 1948 in een scheiding. Ludo heeft zich decennia later nog positief over die Jo Floor uitgelaten. Hij had hem een echte heer gevonden, heel wat beter dan de mannen waar Hetty later relaties mee had.
Ludo’s situatie als deserteur uit de Arbeitseinsatz was precair. Als hij met Henny door de stad fietste reed zij ver voorop. Als er ergens controle of een razzia was keerde ze om zo Ludo te waarschuwen. Bij de Zeilstraatbrug over de Schinkel was regelmatig zo’n actie van de Duitsers. Henny fietste dan terug zodat Ludo wist dat hij om moest rijden naar het pontje bij de Schinkelhavenstraat om daar de overkant te bereiken zonder in handen van de Duitsers te vallen.
Ondanks het gevaar dat hij liep is hij een aantal keren met een vrachtwagen van de firma Kaspers naar de Betuwe gereden om daar een lading appels op te halen. Zelf vonden ze dat blijkbaar te gevaarlijk om te doen. Tijdens zulke reizen werd de lading een aantal keren gecontroleerd maar blijkbaar werd daarbij niet speciaal naar de chauffeur gekeken.
Die ritten vereisten de nodige voorbereiding van de transporteur. De vrachtwagens reden op een gasgenerator die op steenkool werkte. Onderweg moest zo’n gasgenerator natuurlijk bijgevuld worden. Vooraf was dan ook geregeld dat er ergens in Utrecht een zakje kolen langs de kant van de weg klaarstond. Het is een keer voorgekomen dat hij door twee Duitse soldaten aangehouden werd, maar die bleken echter alleen een lift naar Utrecht te willen hebben. De route naar en van de Betuwe liep langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Ludo kwam daar een keer een vrachtschip tegen dat beschoten was. Op dat schip was niemand meer. Een deel van de lading bleek uit dozen met chocola te bestaan waarvan Ludo er een paar meegenomen heeft. Hachelijker was het als er geallieerde bommenwerpers overvlogen. Toen dat een keer gebeurde was Ludo voorzichtigheidshalve gestopt en een weiland in gevlucht. Bij een andere gelegenheid vloog er een jachtvliegtuig over terwijl hij met een vrachtwagen op een pont over de Lek stond. Gelukkig werd er toen niet geschoten.
Een van de vrienden van Ludo en Henny, de eind 1942 met Mien getrouwde Fred Winter, was ook in Duitsland tewerkgesteld als dwangarbeider en enkele kaarten die hij in 1944 aan Henny en Ludo stuurde zijn bewaard gebleven. Aanvankelijk was hij terechtgekomen in Graffenstade in de buurt van Straatsburg maar was toen hij de kaarten schreef overgeplaatst naar Rheinfelden (Baden), bij de Zwitserse grens in de buurt van Bazel. Op de kaart van 2 april schrijft hij dat hij van “Vacantieoord” was overgeplaatst. Wat voor bedrijf het was waar hij werkte is door de censuur weggekrast. Fred schrijft dat het met hem goed ging en dat het een prachtige omgeving was alleen
“kunnen we daar niet van genieten en dat laat wel eens wat te wensen over en dan de jongens die achter de Öfen moeten werken bij een hitte van 600 gr, en dan niet genoeg te eten dus die hebben pech, maar ja alles is nu eenmaal niet rozegeur en maneschijn op de wereld gaat verder alles goed met jullui ik wens jullui het toe, want wij jongeren moeten al zwaar genoeg boeten voor deze Oorlog en vooral als ik nu ook weer aan den velen onvergetenlijken paasdagen denk, dan stroomt mijn bloed nog sneller in mijn adren en de wens van een zo’n spoedig mogelijke vreden is dan dubbel zo vurig. Nu lui ik moet weer langzamerhand eindigen en jullui beiden en allen verder bekenden en vrinden een prettige paas toe en wij zullen wel ploeteren voor de Sieg”.
Op de kaart van 7 mei geeft Fred zijn mening over de gang van zaken in de wereld.
“Beste Vrinden met grote vreugde jullie brief ontvangen , en mijn hartelijken dank daarvoor; ja als je wat Post krijgt is wel gezellig en dan heb je tenminsten niet het gevoel dat je helemaal alleen zit in die NEGORIJ, ja de post gaat niet snel, en dan raakt er nog veel zoek ook door die beschavings taktiek die van beiden kanten word uitgeoefend, maar ook daar komt eens een eind aan en kunnen wij weer allemaal vereende krachten ons Ideaal verder gaan bouwen., en hopenlijk word dan niet meer alles kapot gemaakt door een stelletje Plutocraten die het alleen maar gaat om de toepassing en uitwerking van hun uitvindingen op onwenselijke manier te zien verwezenlijken.”
Fred schrijft dat Mien veel op stap is omdat ze heel alleen is en dat ze als ze wilden komen ze haar een briefje moesten schrijven. Ook vraagt hij of Ludo hem niet eens persoonlijk kan schrijven. Het briefpapier was op, zodat Fred alleen nog maar kaartjes kon sturen. Hij sluit af met
“hopelijk dan tot kijks en anders zeker tot schrijfs niet [,] met vele groeten aan je zus en ouders en verderen bekenden en voor jullie beiden een stevige Trekkerspoot van je ouden gek Fred”
Het laatste kaartje is van 20 juni. Hij schrijft dat hij de brief van Henny en Ludo niet in goede gezondheid ontvangen had, maar wel met grote vreugde, omdat hij in het ziekenhuis lag. Waarschijnlijk had hij geelzucht, maar er scheen meer aan de hand te zijn te zijn zodat hij volkomen rust moest hebben, zelfs veel lezen en schrijven mocht daarom niet. “onkruid vergaat niet” schreef hij er nog bij.
Hij is er over teleurgesteld dat hij van veel van hun vrienden niets hoort, hij schreef alleen regelmatig met Henny en Elly en met Henny en Ludo.
“in de nood leert men zijn vrinden kennen, onthoud dat lui”.
Het schrijven van dit kaartje was al te veel. Hij moest een dieet volgen en verrekte dus van de honger. Hij vond de behandeling die hij kreeg verder prima, maar miste bezoek want de jongens moesten werken en kregen geen vrij daarvoor. Hij sluit af met “een stevigen poot van Fred”.
Deze briefwisselingen laten zien dat in ieder geval Henny een trouwe vriendin van de krijgsgevangen Ernst Bouwknegt en dwangarbeider Fred was en hun regelmatig schreef. Beiden zijn na de oorlog weer in Amsterdam teruggekeerd.
De vervolging en deportatie van Joodse mensen ging niet ongemerkt voorbij. Ludo was toevallig getuige van de deportatie van een Joods gezin uit de Leimuidenstraat door de Grüne Polizei. De zoon was niet thuis toen de Grüne Polizei het huis van het gezin binnen ging. Hij kwam aanlopen op het moment dat zijn familieleden in de auto moesten stappen. Hij kon niet laten merken dat het zijn familie was die weggevoerd werd en ook de ouders en de andere familieleden hadden het niet kunnen laten merken als ze hem al gezien hadden. Die jongen was op dat moment zowel zijn familie als zijn huis kwijt, wat een bijzonder schrijnende situatie was.
Een Joodse familie die een van de woningen van Ameland huurde kreeg een oproep zich te melden bij het politiebureau op de Overtoom. Frans en Ludo hebben hen daar naartoe gebracht. Na de oorlog kwam een zoon van dat gezin die overleefd had bij Frans in de winkel om te informeren of ze iets van zijn familieleden gehoord hadden. Toen dat niet het geval bleek te zijn is hij zonder een woord te zeggen weer vertrokken.
Het naziregime was misdadig, wat niet wil zeggen dat alle Duitsers zich privé onbehouwen gedroegen. Frans heeft weleens gezegd dat de officieren die in de winkel van Kolman een bosje bloemen voor hun Nederlandse vriendinnen kochten echte beschaafde heren waren. Ook twee soldaten die in de winkel kwamen en die naar het “Abort” vroegen dropen weer zonder amok te maken af toen ze er niet in slaagden hem duidelijk te maken dat dat de WC was.
Na afloop van leertijd bij Kolman is Frans weer op een kantoor gaan werken. Wegens zijn functie als kantoorbediende bij de Rijksverzekeringsbank had hij in 1943 vrijstelling gekregen van de Arbeitseinsatz.
Om te voorkomen dat boeren onderhands agrarische producten aan particulieren verkochten waren er geregeld controles langs de weg waarbij clandestien verkregen etenswaren in beslag genomen werden. Vooral aan het eind van de oorlog, tijdens de Hongerwinter, waren die controles schering en inslag. Het in beslag genomen voedsel kwam ten goede aan Duitsers en NSB’ers, die veelal aan deze controles deelnamen. Bij het viaduct van de ringspoorbaan over de Haagseweg was zo’n controlepost. Vanuit Sloten moest daar langs gefietst worden, andere wegen naar de Hoofddorppleinbuurt waren er niet. Aardappels, bieten en andere etenswaren die op het stukje land van Frits sr verbouwd werden konden daarom niet veilig met de fiets opgehaald worden. Om die controles te vermijden fietste Ludo naar Sloten waar hij de roeiboot leende van de boer bij wie zijn vader het stukje land gepacht had. Vervolgens roeide hij via de Nieuwe Meer naar de Schinkel en bracht vandaar de etenswaren naar de Aalsmeerweg. Daarna roeide hij weer naar Sloten om de boot terug te brengen. Al met al was het op zo’n dag uren roeien met als gevolg blaren op handen en achterwerk. De aardappels en de bieten werden in zandbakken in de kelder opgeslagen en bleven zo een tijdlang goed. In het begin van de oorlog was er nog een partij eieren ingeslagen die in een grote pot in gelei geconserveerd was. Ze bleven op die manier erg lang goed zodat het gezin nog geruime tijd de beschikking over eieren had. Desondanks werd het eten tijdens die Hongerwinter toch ook voor de familie Cram schaars en Frans vertelde dat hij weleens in de polder waar nu het Amsterdamse Bos is spruitjes “gejat” had en over een fles met water aangelengde melk die ze voor fl. 1000,- gekocht hadden.
In de laatste maanden van de oorlog was ook de energielevering sterk ingeperkt. Er was niet de hele dag elektriciteit, zij het dat winkels daarvan uitgezonderd waren. Er werd dan ook snel een draadje naar de eerste verdieping getrokken, zodat de familie Cram ’s avonds licht had. Andere mensen behielpen zich door op een fiets met dynamo elektrische energie op te wekken voor licht. Sommigen hadden een propeller met dynamo op het dak gezet wat voor de nodige geluidsoverlast zorgde. Een enkele slimmerik had een kleine waterturbine met daaraan gekoppeld een dynamo gemaakt. Die werd aangesloten op een kraan en leverde zo stroom. Er waren toen nog geen individuele watermeters dus de op deze wijze opgewekte energie was “gratis”.
Tevens was de gasleverantie beperkt, er stond niet altijd druk op het gasnet. Maar ook zonder druk waren de buizen nog met gas gevuld. Ludo had bedacht dat dat gas gebruikt kon worden door het met een stofzuigermotor uit de buizen te zuigen. Het gas werd gebruikt voor de brander waarop de wasketel stond. Deze opstelling moest de hele tijd in de gaten gehouden worden, want zo nu en dan ontstonden gasvlammetjes in de elektromotor die dan snel uitgeschakeld moest worden.
Door de onderlinge solidariteit van de winkeliers was er wat betreft etenswaren wel eens wat te regelen. Het voordeel van een bloemenwinkel in tijden van schaarste was dat er gedurende de bezettingsperiode tenminste nog wat te verkopen viel. De familie Kasdorp, die op nummer 16 een elektrawinkel hadden, hadden het wat dat betreft erg zwaar. Zij hadden immers niets meer om te verkopen en tijdens de Hongerwinter hebben ze het dan ook heel slecht gehad, Zo had de vader van het gezin hongeroedeem.
De winkeliers hadden niet alleen privileges. Ze moesten het afweergeschut dat op de ringspoordijk stond ’s nachts beschermen tegen mogelijke sabotage. Een gevaarlijke opdracht, aangezien ze onbeschermd waren en niet bewapend. Ook Frans werd daarbij ingeschakeld. Tijdens een van die nachten kwamen er geallieerde bommenwerpers overvliegen waarop geschoten werd. Frans hoorde in het donker de granaatscherven van het afweerschut om zich heen vallen. Hij wilde er eentje oprapen en brandde zijn vingers aan die nog bloedhete scherf.
Gelukkig is het gezin de oorlog zonder al te grote schade doorgekomen, maar na de oorlog zou het langzamerhand uit elkaar vallen.
Persoonsbewijs Frans Cram met aantekening inlevering zes biljetten van f. 100,- in verband met geldzuivering na de tweede wereldoorlog.
Distributiestamkaart
Als de eerste stamkaart vol was werd een nieuwe uitgereikt.
Frans had als kantoorbediende bij de Rijksverzekeringsbank vrijstelling van de Arbeitseinsatz.