Gré Rensen

Opgetekend door (J) Sjef Smeets

Vandaag, 2 april 2026, noteerden we in Geldrop de oorlogsherinneringen van, de op 9.7.1936 in Utrecht geboren, mevrouw Gré Rensen:

Om te beginnen moet ik zeggen dat ik buitengewoon wijze ouders had. Het ging thuis namelijk nooit over de oorlog, die aan de gang was. Mijn ouders, Wim Rensen en Mien Rensen – Molleman, klaagden niet en namen het leven zoals het kwam. Voor het einde van de oorlog hadden mijn ouders al drie kinderen: Rudi van 1935, ik dus en Pim van 1937. Later kwamen er nog vijf bij: Fred, Eric, José, Ton en Paul.

 

Voor ons huis 

Met mijn moeder

mijn vader en v.l.n.r. Rudi, Pim,(toen nog) Greetje en vooraan Eric

 

Wij woonden in Voorburg, bij Den Haag. Mijn vader was daar Rijksambtenaar bij de Dienst Zuiderzeewerken. Hij is daardoor niet naar Duitsland gemoeten voor de Arbeitseinstz.

Ik weet nog dat op een dag de buurkinderen bij ons kwamen. Mijn moeder verklaarde dat door tegen ons te zeggen dat de buurvrouw grote schoonmaak hield. Veel later heb ik vernomen dat mijn vader toen met de buurman en nog ander mannen in het huis van de buren onder de grond zat, omdat er een razzia was.

 

Wij hadden ook Joodse buren, de familie Hartog. Zij hadden twee kinderen, vier en twee jaar oud. Mijn moeder vertelde later dat de buurvrouw over de heg geroepen had: “Ik geef de kinderen door de heg aan jullie.” Dat is ook gebeurd. Zij zijn toen door mijn moeder in veiligheid gebracht. Met de kleinste in een kinderwagen liep ze helemaal van Voorburg naar Rijswijk. Het beeld is me bijgebleven dat de ouders op een handkar werden geladen.

De ouders zijn voorgoed verdwenen. Met de kinderen, Herman (“Herrie” zeiden wij) en Heleen, is het contact altijd heel goed geweest. Herman is opgegroeid bij een gezin in Rijswijk. En Heleen is uiteindelijk bij familie in Canada terecht gekomen.

Mijn ouders zijn op een gegeven moment uit Voorburg vertrokken. Uiteindelijk zijn beide in een verzorgingshuis in Zeist gaan wonen. Daar waren ’s middags vaak lezingen en andere optredens. Op ’n keer was mijn moeder niet fit en bleef ze in bed. Ze vroeg later aan een andere bewoner: “Wie was er eigenlijk deze keer?” Antwoord: “Dat was een kleine Joodse man, die over de oorlog vertelde”. Mijn moeder ging het ook aan de directrice van het huis vragen. En jawel, hoe kon het, het was Herman geweest. Mijn moeder heeft toen meteen zijn telefoonnummer gevraagd en hem opgebeld. De volgende dag is Herman gekomen. Toen heeft ze hem nog allerlei dingen kunnen vertellen. En administratie, die mijn vader voerde, onder andere met betrekking tot Heleens’ verblijf in een internaat, meegegeven. Mijn vader is daar ook geld gaan brengen. Maar daar weet ik het fijne niet van.

Herman en Heleen Hartog

 

Ook in de strenge hongerwinter, die we aan den lijve ondervonden hebben, klaagden mijn ouders niet. Dat vind ik nog steeds heel sterk. Mijn broertje Rudi en ik moesten toen vaak de boodschappen doen. Daarvoor kregen we bonnenboekjes mee. Het werd ons goed uitgelegd hoe we daarmee de boodschappen moesten doen. Dan stonden er lange rijen bij de winkels. Op het laatst moesten we elke dag naar de gaarkeuken, waar bijna elke dag hetzelfde grijze soepachtige iets te krijgen was. Het was best nog een eind lopen daarnaartoe en terug. Ik herinner me dat ik een keer een zware pan naar huis droeg met iets dat op soep leek erin. Bij zowat elke stap klotste dat over mijn kleren heen. Maar ook toen werden mijn ouders niet boos. Het laatste jaar hebben we vaak suikerbieten gegeten. Die geur is me altijd bijgebleven. Het zal misschien tien jaar geleden geweest zijn, dat ik bij een vriend ergens in het Gelderse was, waar we langs de IJssel liepen. Toen riep ik opeens uit: “Ik ruik oorlog”. Wat bleek, daar lag een berg gerooide suikerbieten. Ik had ze niet zien liggen, maar rook ze. Of we ze lekker vonden in die hongerwinter, toen we ze zo vaak moesten eten, ook daar ging het thuis niet over. Er was gewoon niets anders. Doordat onze ouders nooit klaagden, waren wij kinderen ook nooit bang. En hebben we geen nare herinneringen aan die tijd overgehouden.

 

Duitse militairen hebben wel eens voor het raam gestaan. En zijn wel eens door ons huis gelopen en naar achter, waar de kolen lagen. Maar wij hadden geen inkwartiering, zoals op veel plaatsen gebeurde.

We hadden een groot huis. In de hongerwinter heeft er ook nog een Joods echtpaar beneden in ons huis gezeten, terwijl het daar heel kaal was. Wij zaten zelf vooral boven op een van de kleine slaapkamers aan de achterkant. Daar stond een Majo-kacheltje. Als het gestookt werd, kreeg het een heel rood buikje. (Een Majo-kacheltje was een noodkacheltje waarop in de hongerwinter toch gekookt kon worden, omdat het kon branden op klein gemaakte stukjes hout, in plaats van de schaars geworden brandstoffen. Het dankte zijn naam aan de eerste letters van Marie en Johan, de voornamen van de ontwerper Johan Bubberman en diens vrouw. J.S.) Ik herinner me dat mijn vader er samen met de buurman ook stroop op maakte. De knollen werden gekookt en dan in washandjes uitgeknepen. Het leek op stroop en ik vond het nog lekker ook. Ik ging ook wel eens met een bruin pannetje-met-een-oortje naar school. Dan kregen we daar eten.

 

’s Nachts werd alles verplicht met zwart papier verduisterd om voor vliegtuigen te oriëntatie te bemoeilijken. Licht werd gemaakt met een knijpkat.

Majo kacheltje

Knijpkat

Mijn vader is toen ook wel eens op de fiets met houten banden helemaal van Voorburg naar Gelderland gegaan en kwam terug met aardappelen.

We hebben ook nog een Joodse vrouw in huis gehad voor hulp. Hoe het met haar gegaan is weet ik niet. In een boek, dat na de oorlog is verschenen, worden mijn ouders genoemd in verband met hulp aan Joodse onderduikers.

Later heb ik ook gehoord dat mijn vader ’s avonds in mijn bed naar de radio heeft liggen luisteren.

Herinneringen heb ik ook nog aan de herrie van V1’s en V2’s, die overvlogen. (De V1 was een onbemand vliegend bommetje met een kenmerkend motorgeluid, gelanceerd vanaf een katapult. De V2 was een snelle, onstuitbare langeafstandsraket die verticaal insloeg. J.S.). 

 

Op een gegeven moment stond er opeens een piano in huis. Die zou wel eens uit het huis van de buren kunnen zijn gekomen, denk ik. Rudy en ik kregen heel streng les van een oudere dame, waar we naartoe moesten. Moeder vergat als we terugkwamen nooit te vragen: “En?”. Dan moesten we vertellen welk punt we hadden gekregen. Een zes was trouwens het hoogst haalbare.

Bij de bevrijding stonden we met z’n allen langs een oplopende weg in de buurt van het station, toen de bevrijders binnen kwamen. (Op 9 mei 1945 reden de Canadezen en Engelsen vanuit Rotterdam via Voorburg naar Den Haag. J.S.)

1996 De ouders Wilhelmus Rensen en Wilhelmina Rensen - Molleman