Familie Smits
22.10.1940 Maashees: Echtpaar Sjef Smits geboren 1.4.1912 overleden 10.1.2008 en Bertha Bekkers geboren 17.12.1915 overleden 4.3.1986De bruidsdames: zittend Tante An, zus van de bruid en staande Tante Marie, zus van de bruidegom
Opgetekend door (J) Sjeef Smeets
De oorlogsgeschiedenis van het echtpaar Sjef Smits en Bertha Bekkers werd te Heeze (N.Br.) op 15 april 2026, uitvoerig gedocumenteerd, door drie van hun kinderen aan ons overgedragen: door dochter Mariette (*17.6.1952), samen met Jeu (*21.10.1941), die ervoor uit Oss (N.Br.) was gekomen en Frans (*16.11.1942) uit Venray (L). Samen vertelden zij ons het indrukwekkende oorlogsverhaal van hun ouders.
Jeu Smits
Mariette Vorwerk-Smits
Frans Smits
Van hun negen kinderen, Jeu, Frans, Wim, Hans, Ineke, Thea, Mariette, Alfons en Joost zijn de eerste drie nog tijdens de oorlog geboren in Maashees (nu gemeente Land van Cuijk (N.Br.).
Onze Pap en Moe hadden in Maashees een prachtig huis gebouwd nabij het huidige Haventerrein, tegenover de toenmalige kerk. Hier trokken ze direct na hun huwelijk in. Maar van dit huis hebben ze niet lang kunnen genieten. Al snel moesten alle ramen geblindeerd zijn. Maar dat was lang niet het ergste. Dit relaas gaat over de langdurige evacuatiereis van het gezin langs een hele serie verblijfsplaatsen tot het einde van de oorlog. En ook over de finale verwoesting van hun huis in oktober 1944.
Tijdens de mobilisatie in 1939 lag er een grote verdedigingswal inclusief bunkers of te wel kazematten: ‘De Maaslinie”. (een Nederlandse verdedigingslinie langs de Maas, aangelegd in de periode 1936-1940, om bij een Duitse aanval oversteken van de rivier te bemoeilijken. Deze linie liep van de Belgische grens tot het Maas-Waalkanaal, met het Noord-Brabantse deel van Maashees tot Katwijk. J.S.)
In Maashees waren 800 militairen gelegerd die bij inwoners sliepen of in geïmproviseerde kazernes. Bij Opoe Bekkers woonden ook een aantal militairen en een administratief medewerkster: Lies, later bij ons bekend als: “Lies uit Oss”.
Opoe, Tante Leen, Tante An en onze moeder met ingekwartierde militairen
In mei 1940, tijdens de Duitse inval, bevond de omgeving van Maashees zich, vanwege die nabijgelegen Maaslinie, in een strategisch belangrijk gebied. De Maasstelling werd na enige schermutselingen al snel opgegeven omdat bij Mill de Duitsers al waren gevorderd tot de peellinie. Behalve het verplicht verduisteren, merkten we in de jaren daarna weinig van de oorlog, tot september 1944.
Eind september moesten de bewoners van Vierlingsbeek, Holthees, Vortum en Groeningen evacueren. Bewoners van Maashees (met evacués van bovengenoemde dorpen) woonden regelmatig in hun kelders. Op 1 oktober moesten ook de inwoners van Maashees weg. Onze ouders trokken, samen met de peuters Jeu, Frans en Wim naar de kelder van Piet Ome (Piet van den Heuvel), een Oom van mijn moeder, die in de Kalverstraat te Maashees woonde. Zesentwintig Personen zaten er zeker twee weken.
Op 15 oktober 1944 om 12.00 uur werd de kerk in Maashees en de graansilo door de Duitsers opgeblazen. De graansilo van het bedrijf “Havens” heeft nadat het getroffen was een week scheef gehangen. En is uiteindelijk in de nacht van 21/22 oktober onder zijn eigen gewicht bezweken. Het huis van Pap en Moe veranderde in die dagen ook in een puinhoop.
Het verwoeste huis naast de resten van de kerk
Toen de vuurgevechten tussen de Duitsers en Engelsen te heftig werden, zijn Pap en Moe met de kinderen gevlucht naar het bos in buurtschap De Weerd in Maashees. Hier hebben ze, steeds opgejaagd door de Duitsers, in het veld, in een kelder en een of twee dagen onder de grond in holen geleefd, samen met andere vluchtelingen, om daarna toch weer terug te keren bij Piet Ome.
Een Persbericht:
“Begin oktober moesten ook de dorpen Maashees en Holthees evacueren. De toestand werd steeds erger, mede doordat de graansilo in Maashees voortdurend door de Engelse vliegtuigen onder vuur werd genomen. Een groep evacuees probeerde uit Maashees door de Duitse linies te komen om Vierlingsbeek te bereiken. Dat was toen al bevrijd gebied. Ze moesten daarvoor zeven Duitse wachtposten passeren en dat lukte bijna. Maar de zevende Duitse post bleek niet te vermurwen en stuurde iedereen terug. Sjef en Bertha Smits met hun kinderen Jeu, Frans en Wim behoorden gedurende een paar dagen, ook tot deze groep. De groep, waaronder vele kleine kinderen, wilde niet terug naar Maashees en besloot zich in te graven op de Weerd. Ruim 14 dagen verbleef men hier in onderaardse holen, terwijl de granaten dag en nacht over gierden. In die dagen is er door de "holbewoners" veel tot Maria gebeden. En deed men de belofte, als ze gespaard zouden worden, uit dankbaarheid een kapelletje te bouwen.”
Het beloofde “Kapelletje” op de Weerd is er gekomen. Het werd in 1947 gebouwd. Nog ieder jaar op zondag 16 oktober, of de 1e zondag daarna, komen de mensen hier samen om die bange momenten te herdenken.
Jeu vertelt:
Toen “de Tommies’ kwamen (“Tommies” was een bijnaam voor de Britse militairen in de Tweede Wereldoorlog) en het nog gevaarlijker werd zijn onze ouders met Wim in de kinderwagen en Frans met mij in een kruiwagen naar Overloon gelopen. Dat was toch zeven km. We moesten in Overloon weer snel weg en werden toen met een Engelse militaire vrachtwagen “ergens” naartoe gebracht. De bestemming was bij ons helemaal niet bekend. Het bleek via Bakel waar we ontsmet werden, een evacuatieadres in Heeze te zijn. Daar zijn we enkele weken bij de familie Toemen gebleven, waar mijn ouders goed mee bevriend raakten. Toemen had een bakkerij, aldus de eerste herinneringen van Jeu als klein jochie. De bakker had geen keus. Hij kreeg te horen: “Deze mensen moet je opnemen”.
Sjef Smits was destijds niet de enige, die via de krant probeerde de verblijfsplaatsen van geëvacueerde familieleden te achterhalen:
(Voor de oorlog werd er door het Ministerie van Defensie op het land van van Kreij een grote schuur gebouwd. Tevens verzorgde de familie er negen maanden lang Nederlandse militairen. Op een gegeven moment hebben Duitsers alle waardevolle spullen uit de schuur meegenomen. De lege schuur werd toen snel bezet door evacuees. J.S.)
Vanuit Heeze, vertelt Jeu, zijn we vervolgens terecht gekomen bij de familie van Kreij in de Dorpsstraat te Geffen, waar we ongeveer een half jaar ingewoond hebben. Hun zoon Jan had verkering met de jongste zus van mijn moeder, Tante Leen. Daardoor waren wij er zeer welkom. “Kom alsjeblieft naar ons, we hebben plaats en eten genoeg”. Het was een mooie boerderij met een rieten kap. Ik zie het zo nog voor me. Achter in een lange gang was een opkamer. En daar woonden wij. ’s Morgens kwamen ze melk brengen. Er was ook een systeem ontwikkeld om het werk, zoals onder andere het koken, te verdelen. Ons Pap moest ook wat gaan doen. Hij was smid, dus ging hij naar Jos de smid in het dorp om er te helpen. Hij ruimde de smederij op, een werk waar Jos zelf niet toe kwam.
Jan van Kreij (*25.5.1919) is bij een zogenaamd “vergisbombardement” (bombardement op een verkeerde locatie) ernstig gewond geraakt. Zoals meerdere mensen verklaren, heeft hij zijn situatie vanaf het eerste moment zeer dapper verdragen. Hij heeft bijvoorbeeld tegen de ambulancebroeders gezegd: “Neem die vrouw daar maar eerst mee, want die is er erger aan toe dan ik”. Helaas echter heeft Jan het zelf niet overleefd. Hij is op 25 februari 1944 overleden en in Geffen door de familie begraven. Zijn verloofde, Leentje Bekkers, onze Tante Leen dus , die toen ze het nieuws vernam, op de fiets met houten banden van Geffen naar Nijmegen ging, heeft later verteld:
“Toen ik hevig overstuur de ziekenkamer binnenkwam probeerde een zuster de ontbrekende arm met het laken te camoufleren. Maar Jan trok het laken weg en zei dat hij met één arm ook de kost kon verdienen. Toen ik weer naar huis wilde gaan, gaf een zuster me zijn schoenen mee. Ze zaten helemaal onder het bloed. Die middag om vijf uur kwamen Jans’ ouders pas in het ziekenhuis aan. Ze waren met de taxi van Toon Groos uit Geffen gekomen. Die auto liep op houtskool en moest onderweg steeds brandende worden gehouden. Diezelfde nacht kreeg Jan hoge koorts. De verwonding aan zijn heup had buikvliesontsteking veroorzaakt”
Een persbericht zegt:
“Jan van Kreij , zoon van Petrus C. van Kreij en Maria A. van Erp, was verloofd met Leentje Bekkers uit Maashees. Jan was in Maashees geweest voor de carnavalsfeesten en nam een trein eerder naar huis om de verjaardag van zijn vader mee te vieren. Op het station in Nijmegen kwam hij in het bombardement terecht. Het wachthuisje waar hij stond kreeg een voltreffer en Jan raakte ernstig gewond. Enkele dagen later is hij overleden”.
In een ander bericht staat:
“In een zogenaamde "Big Week" in februari '44 wilden de Amerikaans Air Force en de Royal Air Force de Duitse oorlogsindustrie een genadeslag toebrengen door massale zware bombardementen. Op 22 februari '44 liep dat mis door plotseling verslechterende weersomstandigheden. De eskaders moesten terugkeren naar hun basis en toen ontstond een chaos in het luchtruim boven Duitsland en Nederland. Om hun bommen kwijt te raken zochten de vliegers conform hun instructies een "target of opportunity". Helaas voor Enschede, Deventer, Arnhem en Nijmegen zagen ze deze steden aan als mogelijk doel, zonder te beseffen dat deze steden niet in Duitsland lagen. Vooral Nijmegen en Enschede werden zwaar getroffen”
Jans’ moeder heeft dit nooit kunnen verwerken. Kort na de oorlog trof haar een hersenbloeding met blijvend ernstige spraak- en bewegingsbeperkingen tot gevolg.Leentje Bekkers is alleen gebleven en nooit meer getrouwd. Zij stierf 4 juni 2009 op 91-jarige leeftijd in Maashees.Onze relatie met de familie van Kreij is tot op de dag van vandaag altijd goed gebleven.Ook Frans herinnert zich de tijd in Geffen nog en ook de terugkomst in Maashees:
De toegezegde noodwoning was begin 1945 nog niet klaar. Nog wel enkele maanden hebben we daarom met ons gezin op twee kamers bij Ome Jan en Tante Maria Verstralen ( zus van ons moeder) gewoond aan de Holtheseweg, nu Antoniusstraat. Pap was al eerder hiernaartoe gegaan om het huis bewoonbaar te maken, zodat we daar konden wonen totdat de noodwoning gereed was.
Het was er druk met ons en de eigen kinderen van ome Jan en tante Maria. Allemaal niet zo prettig als in Geffen. Hier is trouwens op 20.10.1945 Hans, het vierde kind van onze ouders, geboren. Ome Jan heeft voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland gemoeten. En is daar in heel slechte conditie van thuis gekomen. Tante Maria, die met drie of vier kinderen, net als wij, in Heeze verbleef, mocht daarom bij de nonnen in het klooster langer blijven. In elk geval totdat haar man weer enigszins zijn gezondheid had herwonnen. Ome Jan was weer thuis toen onze ouders daar met ons arriveerden. Ons Pap hielp (deed) in die tijd zoveel als hij kon om de noodwoning aan het Heilig Hartplein bewoonbaar te maken.
Het werd uiteindelijk een heel gezellig huis. De buitenmuren waren wit gekalkt en de kap was met riet bedekt. De ligging was op de plaats waar het gebombardeerde huis had gestaan. Het had een centrale huiskamer met daaromheen drie slaapkamers, een keuken en een bijkeuken met toilet. Er was elektriciteit maar geen riolering, gas of waterleiding. In de keuken hadden we een koperen pomp en een fornuis, dat gestookt werd met bruinkoolbriketten en turf. Tijdens deze periode hebben onze ouders een nieuw huis gebouwd aan de Dorpsstraat B18a, nu Mgr. Geurtsstraat 6 in Maashees. Hier is Thea geboren.
Jeu en Frans herinneren zich nog twee dingen:
Dat buiten een varken werd geslacht dat gedood werd met een messteek in het hart. Tante Dien uit Holthees kwam dan “worsten”, zoals dat toen heette. Het duurde de hele dag. In een grote teil vol bloed werd de balkenbrij gemaakt. Dezelfde avond at Pap de hersenen op, die in de pan werden gebakken. Het beste stuk vlees werd naar de pastoor gebracht. Wekenlang aten we elke dag balkenbrij, daarna was de leverworst aan de beurt en uiteindelijk de gedroogde worst en ham. Ander vlees werd ingemaakt, evenals de groente uit de eigen tuin. En ook dat ze speelden in de ruïnes van de huizen, die plat waren gebombardeerd. Het was voor de jongens een uitdagende omgeving. Later toen we wat ouder waren, werd bij Jo de Kuper geknald met Carbid in een melkbus. Met stenen bouwden we daarbij een beschermingsmuur.
Hoewel de geallieerden het dorp Maashees in de herfst van 1944 al naderden, werd Noord-Limburg in zijn geheel pas op 3 maart 1945 volledig bevrijd. Het gebied rond de Maas heeft zwaar geleden onder de "bevrijding in twee fases", na het mislukken van Operatie Market Garden.
(Vanaf 15 oktober 1944 bereikten Engelse troepen de omgeving van Maashees, waarna een frontlijn ontstond die ruim 5,5 week standhield. Door de intense artilleriebeschietingen en bombardementen in dit grensgebied raakte Maashees net als nabijgelegen plaatsen als Overloon en Venray, zwaar beschadigd en grotendeels vernield. Maashees lag maandenlang in de vuurlinie, wat leidde tot erbarmelijke omstandigheden voor de achterblijvers, die vaak in kelders moesten leven. J.S.)
De Tantes An en Leentje, zusjes van ons moeder, waren samen met Pap en Moe, en veel andere inwoners van Maashees, gevlucht naar de Weerd. Zij zijn van daaruit verder getrokken naar Sambeek, op zoek naar hun oudste zus Gien en haar gezin. Ze troffen een verwoest huis maar geen familieleden. Terug mocht niet. Aan de overkant van de Maas kregen ze onderdak bij de familie Sjef Huijbers. Op de fatale dag,2l oktober 1944, werd aan de kinderen Huijbers gevraagd om brood bij de bakker te halen. Ongeveer 200 meter van de plaats waar An en Leentje geëvacueerd waren. An gaf aan dat zij dat wel wilde doen. Op de terugweg naar de boerderij is zij geraakt door een Engelse granaatscherf. Zij is nog bediend en overleden in het huis van de familie Huijbers. Zij is tíjdelijk begraven op het kerkhof, naast de boerderij. Op 27 april 1945 is zij herbegraven in Maashees. Tante Leen is in het geheim met een roeibootje over de Maas gezet zodat ze weer bij haar familie in de kelder bij Piet Ome kon, waar toch nog een grote groep zat, waaronder het gezin van Sjeng Smits, de broer van pap.
Vader Jozef Smits
Winter 1947 - 1948 Moeder Bertha Smits – Bekkers met
achteraan staand Jeu. Vooraan v.l.n.r. Wim, Ineke, Hans, Frans