Kees Orij

Opgetekend door Kees Orij

Onderstaand het persoonlijke verhaal van Kees Orij uit Bergen NH. Ondanks zijn nog zeer jonge leeftijd tijdens de oorlogsjaren kan Kees zich bepaalde gebeurtenissen nog goed herinneren

Ik werd geboren op 26 september 1942 in het Lidwina Ziekenhuis in Den Helder. Met mijn ouders en oudere broer woonden we in de Basstraat. Den Helder werd voortdurend gebombardeerd door de Geallieerden. Ook de huizen in de Basstraat waren niet veilig en werden getroffen.

Kort na mijn geboorte evacueerde ons gezin naar mijn grootouders van vaders kant. Mijn grootouders woonden op “De Bleek”, een kleine buurtschap tegen de duinen, ten westen van Rinnegom, een gehucht tussen Egmond Binnen en Egmond aan den Hoef.

Vader bleef voorlopig werken in Den Helder en fietste enkele malen per week van De Bleek naar Koegras, waar mijn oom zetbaas was op een groot stuk bollenland.

In Egmond Binnen stonden huizen leeg en na enkele maanden verhuisden we naar de “Hollanderweg” in Egmond Binnen in een arbeiderswoning die eigendom was van de “Boerenleenbank”. Vader zocht werk als landarbeider in de omgeving van Rinnegom. Ons huis aan de Hollanderweg, stond met de voorzijde aan een doodlopende weg langs een stuk bollenland dat grensde aan de weg naar de Abdij van de Benedictijnen in Egmond Binnen. Langs de weg naar de Abdij stonden 2 huisjes. In een ervan waren Duitse soldaten gehuisvest. Vanuit ons huis keken we op de huisjes en hadden zicht op de soldaten en zij dus ook op ons huis.

Het zal in de winter van 1944 zijn geweest, dat op een zondagmiddag aan de deur werd geklopt.

Ik liep naar de bijkeuken en deed voorzichtig de deur open. Moeder was direct achter mij aangekomen en we stonden oog in oog met 3 of 4 Duitse soldaten in volle uitrusting en met geweren. Na de eerste schrik verwerkt te hebben vroeg moeder wat ze wilden. Ze waren moe en verkleumd en wilden graag even binnenkomen en als het kon iets drinken!! Moeder liet ze binnen en de soldaten zetten hun geweren naast de kachel en moeder bood ze een stoel aan. Vader en broer Wim schoven wat op om de soldaten ruimte te geven. Ik bleef dicht bij moeder staan.

Het gesprek ging in gebroken Duits/Nederlands, maar de toon was vast gemoedelijk. De soldaten vertelden dat ze recht tegenover ons woonden, waren opgeroepen om te vechten, maar daar niets voor voelden. Ze snakten ernaar dat de oorlog zou zijn afgelopen en dat ze weer terug naar huis konden. Een van de soldaten zei dat hij een zoontje had dat ongeveer zo oud zou zijn als ik en vroeg aan mijn ouders of ik even bij hem op schoot mocht. Zijn zoontje had hij nog nooit gezien. Mijn ouders vonden het goed en zo belandde ik als klein jongetje van ruim 2 jaar oud op schoot van een Duitse soldaat.

Ik weet me dit nog goed te herinneren, ondanks mijn jonge leeftijd. Kennelijk heeft dit grote indruk op mij gemaakt. Na de oorlog werd er bij ons thuis weinig over de oorlog gesproken, maar nog wel over die bijzondere zondagmiddag.

Mijn ouders raakten gelukkig niet in paniek en hebben die jonge soldaten waarschijnlijk een fijne middag bezorgd.