Joop Heijstra
Opgetekend door Joop Heijstra
“Ik was erbij”
Herinneringen van Joop Heijstra, destijds een jongen van acht jaar oud.
Het was 1944 toen we uit Bergen NH moesten evacueren naar Alkmaar. Vader, moeder mijn broer en ik. We hadden een huisje toegewezen gekregen aan de Fabrieksweg nr. 15 E. Dat was vlak naast de conservenfabriek van Hoogenstraaten. Het was een klein vrijstaand huisje, met nog bedsteden erin. Kennelijk stond het al een tijd leeg. Dat bleek al gauw toen we erin kwamen. Er zat een houten vloer in waar we af en toe doorheen zakten. De vloerplanken waren gedeeltelijk vergaan. Ook hingen er lampen die op gas moesten branden. Die lampen waren versierd met kralen gordijntjes. Er zaten ook nog gaskousjes in. Het sanitair was een tonnetje in een soort kast buiten, naast het schuurtje achter het huis. In het schuurtje fokte mijn vader konijnen om op te eten. We konden zo niet wonen in het huisje met de gare vloerplanken, zodoende werd er op de begane grond een betonnen vloer gestort. De houten vloeren eruit, zand erin en toen het beton er bovenop.
Er was één kraan in het huis. Af en toe werd door de ‘overheid’ de waterleiding afgesloten. Op zich was dat erg vervelend, maar wij hadden geluk vlak bij de watertoren te wonen, Zodoende hadden wij nog vrij lang water uit de leeglopende waterleiding van de watertoren, Weliswaar zonder druk op de leiding maar het ging. Naast ons huisje hoorde een klein stukje grond dat vol stond met grote brandnetelplanten. Omdat voedsel schaars was heeft mijn vader de brandnetelplanten gerooid met een bijltje en er aardappelen gepoot. Naderhand bleken die aardappelen niet goed eetbaar te zijn want het was een soort kriel van een raar ras. Achter het huis stond een perenboom met een soort stoofperen. Toe ze bijna rijp waren werd de boom geplunderd door de buurtjongens.
Het was op een zaterdagmiddag, mijn moeder was naar een vriendin in de stad, toen er een luchtaanval kwam op het station van Alkmaar vlak bij ons huis. Een vliegtuig kwam met mitrailleurvuur een keer of drie naar beneden gedoken. Ons huis liep diverse schoten op. We hadden negen kogels geteld die ons huis hadden getroffen. Bij de eerste aanval zaten we er nog in en mijn broer en ik moesten met mijn vader plat tegen de muur gaan staan. De kalk stoof langs je hoofd maar we werden niet geraakt. Vlak na de eerste aanval renden we de weg op naar de fabriek Hoogenstraaten naast ons huis. Daar hadden ze een schuilkelder waar we in mochten. Er zaten nog meer mensen in, mannen, vrouwen en kinderen. De kogels waren bij ons door de muren en door de ramen gegaan. In de houten strijkplank zat er ook eentje en in een winterjas van mijn moeder met een flink schroeigat. Na de luchtaanval hadden we de kogels (scherven) opgezocht en bewaard. Jaren later lagen ze nog bij mijn moeder in het naaimachinevakje. We hebben destijds nog wel een schadevergoeding gekregen.
Het was Hongerwinter en in de conservenfabriek was een noodkeuken gevestigd. We noemden het de gaarkeuken. Rijen mensen stonden daar met een pannetje te wachten op voedsel.
Een enkele keer was er iemand die geen pannetje had en kwam bij ons een pannetje lenen. Maar niet iedereen was eerlijk en bracht het pannetje niet terug. Daarna vroeg mijn moeder een onderpand als iemand een pannetje ter leen vroeg. Bijvoorbeeld een horloge of een portemonnee. Dan bracht men wel het pannetje terug. Soms hadden mensen in de rij hoge nood en vroegen ze of ze bij ons op het toilet mochten. Daar waren we niet blij mee want we hadden een tonnetje dat één keer in de week geleegd werd door de gemeente en dat zat dus zo vol. Mijn vader moest dan een kuil graven in het tuintje naast het huis om de ton te legen. Geen prettig werkje, ook al omdat het natuurlijk niet hygiënisch is. Het was immers oorlog. Af en toe was er een razzia, maar mijn vader was toen al ondergedoken bij zijn schoonouders.
Naast ons in de fabriek was een woning op de eerste verdieping en daar woonde de familie Driessen en ik denk ook uit Bergen. Ze hoorden waarschijnlijk bij de fabriek hoorden. Er waren geen kinderen bij.
Bij de fabriek hoorde ook nog een soort gashouder. Een groot rond en zwart ding waar je omheen kon lopen. Dat ding had een diameter, naar ik nu schat, van ongeveer een meter of zes en een hoogte van ook zoiets.
Naast ons, naast het aardappeltuintje, woonde de familie Pool met twee dochters van rond de zestien jaar oud. Mijn broertje Martien was toen zes jaar oud en de meisjes Pool vonden hem net kabouter Pim en noemde hem zo. Die bijnaam heeft hij zijn hele verdere leven gehouden, Velen kenden hem alleen met de naam Pim.
Verderop in de straat gerekend vanaf ons huis, woonde o.a. de familie Kooger. Ik herinner me Henk en nog verder woonde de familie Sluis, waarvan ik me de naam Riet herinner. Riet was een meisje van twaalf jaar die mij wel aardig scheen te vinden. Ikzelf was toen acht jaar.
Iets verder woonden in een van de lage huisjes twee oude mannetjes. Naderhand woonde Erkamp in dat huis. Nog weer verder woonde van Saase en daarna Staps waarvan ik de me de zoon Aad herinner die had ongeveer mijn leeftijd. Aad had een zwarte hond die wij wel mochten hebben maar mijn moeder wilde dat niet. In het laatste huis woonde de Familie Pronk.
Achter onze straat liep de Wognumse buurt, waarvan ik mij melkhandel Peperkamp herinner. Mijn broertje en ik gingen naar de lagere school op het einde van de Oude Gracht, alle dagen lopend heen en terug. Ik zat in de derde klas bij meneer De Ree. Vlak voordat we geëvacueerd werden zaten we al op school in Alkmaar in Cafetaria De Top in de Langestraat. Dat was een soort filiaal van de Bergense Adelbertusschool. Twee dagen in de week, zonder verwarming. Maar dat heeft niet lang geduurd.
De Fabrieksweg was een straat met plaveisel van kasseien, de zo genoemde “ kinderhoofdjes”.
Tot zover mijn herinneringen aan de Fabrieksweg tot zomer 1945.