Sikko Scheltema

Opgetekend door Ingrid op den Velde

Sikko Scheltema is geboren in 1937 op de Reijnier Vinkeleskade 3 hoog in Amsterdam. Er waren 3 kinderen in het gezin: Carlos, Philippe en Sikko. De moeder van het gezin was Zwitserse. De vader van het gezin was geboren in 1895 en was meester in de rechten. Hij werkte bij de verzekeringskamer in Amsterdam. Hij is ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw geworden voor de vertaling van Verzekeringsrechten in het Duits, Frans en Engels.

Hij was veel liever artiest geworden en actief in de muziek op de vleugel. Maar zijn vader vond dat geen goed idee, dus hij moest een zinvolle studie gaan doen….Wel heeft hij later actief heel veel toneel gespeeld.

In de oorlog mocht toneelstukjes opvoeren niet van de moffen, dus dat noemden ze ‘Tussen de schuifdeuren’, en zo is het illegaal toch blijven bestaan! Ook bij Sikko thuis! Vlak na de oorlog werd toneelgroep de Plankeniers opgericht in modelboerderij Oud Bussem o.a. door zijn vader. Dit deed hij samen met Herman Planten, één van de oprichters van het Algemeen Handelsblad, die daar ook hoofdredacteur was. Sikko heeft later ook toneel gespeeld bij het Gooisch Miniatuurtheater.

Vader had een tweede huis in Bergen aan Zee. Een bevriende architect (Frans den Tex) had dat voor hem getekend en toen heeft hij het laten bouwen. In de oorlog werd dit 2e huis gevorderd en leeggeroofd door de moffen. Zodra de Duitsers weg waren, hebben Nederlanders het restant van de inboedel ingepikt. De Nederlandse regering vorderde dat huis om repatrianten uit Nederlands-Indië onderdak te geven. Uiteindelijk heeft Sikko’s vader het huis in Bergen aan Zee voor een habbekrats aan die repatrianten verkocht.

Vlak voor de oorlog is het gezin Scheltema nog bij familie (van moeders kant) in Zwitserland geweest. De terugreis weer naar Holland was een afschuwelijke reis voor moeder. Dit kwam door het uitbreken van de oorlog. Moeder mocht samen met de 3 kinderen, vanwege haar Zwitserse nationaliteit, met de trein via Duitsland terug reizen, maar vader (Hollander) mocht dat niet. Hij reisde via Frankrijk en België terug naar Holland, en had daarbij 20 verschillende soorten vervoer zei hij later altijd. Op een fiets, op een motorfiets, op een paard, met paard en wagen, met de trein en met de bus, etc. De relatie tussen vader en moeder was niet denderend en dus wilde moeder eigenlijk niet terug naar Amsterdam. Vader ging met Carlos wel terug naar het huurhuis in Amsterdam en moeder ging met Philippe en Sikko logeren bij familie in Baarn in de Malvahoeve. Maar vanwege het onderwater zetten van de Hollandse Waterlinie liep ook het land van Baarn onder water. Daarom moest de lokale bevolking Baarn verlaten en is het 3-tal bij een bevriende familie Guépin in Laren ondergebracht. Het huis aan de Reijnier Vinkeleskade werd weer verhuurd aan nieuwe mensen en vader huurde een huis in de Paulus Potterlaan in Naarden, waar hij gelijk met Carlos introk. Moeder is daar ook met beide andere kinderen naar toe gegaan. De ouders bespraken met elkaar dat ze hun relatie in verband met de oorlog nog een nieuwe kans zouden geven. Op de Paulus Potterlaan hebben de ouders geprobeerd hun kinderen zo goed mogelijk door de oorlog te loodsen.

De ramen van de huizen moesten ‘s avonds altijd verduisterd worden met teerpapier. Als je de ramen niet goed verduisterd had, kwam er een mof aanbellen en schreeuwde: “Verdunkeln, verdammt nochmal! Als er gebaad moest worden, werd er een ketel met water op de potkachel gezet. Dat hete water werd in de teil gegoten en dan moesten de jongetjes om de beurt in het water. Carlos eerst en Sikko als laatste (In het vuile, afgekoelde water van zijn broertjes….). Daar heeft hij dus niet zulke goede herinneringen aan….Vader had in de achtertuin een schuilkelder gebouwd. Met balken van een kolenput die in de garage zat. Die balken waren ingegraven in de tuin en daar kon je dan onder kruipen. Op die balken had vader een flinke laag zand gegooid. In geval van nood zou het gezin daar kunnen schuilen. Ze hebben dat echter nooit hoeven doen.

In de voortuin had de Arbeitseinsatz onder een heg een schuttersputje gemaakt. Als er gevochten zou gaan worden in de straat, konden de Duitsers vanuit dat schuttersputje redelijk verdekt opgesteld gaan schieten. Gelukkig is dat nooit echt gebruikt. Een buurvrouw op de hoek van de Jan Steenlaan en Paulus Potterlaan had een hele loopgraaf in de voortuin gekregen! Zij was woedend op de Duitsers, want haar keurige tuintje was helemaal naar de knoppen!

Om de hoek, in de Jan Steenlaan, woonde Fritsje Kaufmann, samen met zijn broer en ouders. Ze waren ineens weg, weet Sikko nog. Recentelijk heeft Sikko’s dochter opgezocht wat er gebeurd is met dat gezin. Het blijkt dat alle leden van het gezin Kaufmann uit Naarden in ‘43 op dezelfde dag in een gaskamer van een concentratiekamp zijn vermoord

Op een gegeven moment werd er bij Sikko thuis een Joods jongetje van ongeveer 8 jaar ter onderduik gebracht. Dat ventje ging aan het hek staan, grenzend aan de Paulus Potterlaan, en riep naar voorbijgangers:  “Ik ben lekker geen Jood meer! Ik ben nu een broertje van Carlos, Philippe en Sikko!”

Uit veiligheidsoverwegingen is hij toen weer naar een ander adres gebracht. Op 30 november ‘44 is de Duitse munitietrein bij Naarden ontploft. De munitietrein was al op weg naar Amsterdam toen hij werd beschoten door Engelse Spitfires. Daarop reden de Duitsers de trein zo snel mogelijk terug richting Naarden en parkeerden de trein vlak naast de huizen van de Juliana van Stolberglaan. In de veronderstelling dat de Britten hem dan wel niet zouden beschieten. Maar dat deden ze wel en de V1 en V2 raketten kwamen in de brandende trein tot ontploffing! Vervolgens werden er diverse huizen verwoest. Gelukkig waren de inwoners op tijd gewaarschuwd, dus vielen er geen doden. Sikko weet nog dat dit gebeurde en vooral door de enorme klappen die je toen hoorde. Ook weet hij nog dat de ramen eruit lagen van de Comeniusschool, waar ze toen in die tijd les kregen. Dus konden ze even niet naar school (maar dat vond Sikko niet erg).

Later heeft Sikko nog met wat vriendjes lopen vissen in de sloot langs de verwoeste huizen van Juliana van Stolberglaan. En dat was levensgevaarlijk. Er zijn toen ook wel diverse jongetjes wat vingers kwijt geraakt….Door brandstofgebrek en elektriciteitsuitval kwamen veel gemalen in Nederland in de winter van ‘44 en in ‘45 stil te liggen. Daardoor kwam het grondwater overal veel te hoog te staan en ook in het Gooi. Vele kelders liepen dus vol water.

Ondanks het hoge water in de kelder, schepte moeder regelmatig nog wat antraciet, dat onder de keldertrap lag, in de kolenkit en om dat te kunnen doen moest ze haar schoenen en sokken uitdoen en haar rok opstropen. Dat vochtige antraciet moest dan even drogen en werd vervolgens in de kachel gebruikt. Gelukkig werkte het nog steeds. Het gezin had ook een carbidlamp en diverse petroleumlampen.

Ze hadden ook diverse driehoekige stukjes blik met in elke hoek een kurkje. In het midden van het driehoekje zat een oogje met een pitje erdoor. Dit werd dan in een glas met wat petroleum of patentolie gelegd. En dan kon je het lontje aansteken. Zo had je een beetje licht.

Jerrycan die van de moffen is geweest

 

Omdat vader al 45 jaar oud was aan het begin van de oorlog, hoefde hij in principe niet te gaan werken voor de 'arbeitseinsatz.' Maar omdat soms ook heren die net de leeftijdsgrens gepasseerd waren, werden meegenomen, ging vader al vrij snel onderduiken. Sikko weet nog dat hij regelmatig met zijn 2 broers op zolder moest gaan spelen met de trein. Ze moesten dan vooral veel lawaai gaan maken! Sikko snapte niet waarom ze lawaai moesten maken, maar de twee oudere broertjes wisten dat wel. Er zaten op die zolder namelijk in ‘44 en ‘45 naast vader ook andere onderduikers! Ze hadden op een hele slimme manier een ruimte gecreëerd die je zo niet kon zien! Je kon er zitten, er stond een tafel met stoelen, en er was een klein beetje eten aanwezig.

Zeker als er een onderduiker verkouden was, moest er door de 3 jongetjes veel lawaai gemaakt worden! Tijdens een razzia gebeurde het dat een mof de zoldertrap op kwam. Sikko herinnert zich nog dat hij over de balustrade hing en verlekkerd naar hen aan het kijken was, al zeggende: “Ach, du, kleinen kinder!” Mogelijk had hij zelf ook kleine kinderen…. Omdat de moeder van Sikko altijd gezegd had tegen de kinderen: ‘Les Boches, ils puent!’ (de moffen stinken; dit om de kinderen weg te houden bij de Duitsers), is Sikko, toen de mof weer weggegaan was, naar de balustrade gegaan en daaraan gaan ruiken. Het rook naar uniform en schoenpoets. En dat rook inderdaad niet lekker!

Op een avond, toen Sikko naar bed gebracht werd door zijn moeder, zei hij tegen haar: “Ik heb een hele beleefde vader, want ik hoor hem iedere avond de zoldertrap op sluipen op zijn sokken!” Later na de oorlog hoorde Sikko dat zijn vader stiekem naar de radio ging luisteren, wat natuurlijk verboden was. Hij had in de oude dienstbode-kamer op zolder een heel ingenieus systeem gemaakt om de radio te bedienen. Hij kon heel eenvoudig een plint weghalen en had de antenne goed verstopt. Hij kon de radio makkelijk bedienen met een elektrisch snoer voor het stopcontact.

Sikko weet nog dat op 21 en 30 maart ‘45 vliegtuigen van de Royal Air Force heel laag over de huizen kwamen vliegen, wat een hels kabaal maakte! De jongens gingen voor de ramen kijken want ze vonden het razend interessant! Ze moesten echter dekking gaan zoeken van moeder en dit kon niet in de kelder, want die stond immers een halve meter onder water. Dus zochten ze dekking elders. Na het lage overvliegen volgden er enorme bombardementen: op 21 maart Hotel Bosch van Bredius (de Generale Staf van de Duitsers had daarin gezeten, maar was net een week daarvoor naar hotel Jan Tabak overgestapt) en 9 dagen later, op 30 maart Jan Tabak (waar de Duitsers echter ook alweer uitgetrokken waren; mogelijk waren ze gewaarschuwd door de contraspionage).

Beide bombardementen waren hevig en niet alleen werden de beide grote gebouwen maar ook diverse omliggende woningen verwoest. 17 inwoners kwamen daarbij om het leven. Dat maakte diepe indruk op het kleine jongetje Sikko.

In de ruïnes van het Bosch van Bredius heeft Sikko na de oorlog nog wel gespeeld met zijn vriendjes. Op de Brediusweg was door de arbeitseinsatz, bevolen door de Duitsers, een tankwall gebouwd: Een vierkant object van dikke boomstammen met aan beide kanten een sloot. Fietsen en auto’s konden er door (auto’s als je heel voorzichtig reed), maar een tank kon er onmogelijk door. De Duitsers besloten om de ruimten tussen die palen van die wall vol te storten met huisvuil. Daar kwamen echter de ratten op af. Omdat daar enorm over geklaagd werd, hebben de Duitsers dat weer laten opruimen. Ze wilden immers ook geen epidemie. Uiteindelijk werden de holtes volgestort met zand.Sikko herinnert zich ook nog dat er volwassenen waren die soms ‘s avonds naar buiten mochten voor een speciale taak. Omdat er geen enkele verlichting was, hadden ze een soort fluorescerende speldjes op . Die laadden overdag op met daglicht en ‘s avonds in het donker gaven ze dan licht.

Sikko heeft in het begin van de oorlog niet veel honger meegemaakt, maar de laatste 2 oorlogsjaren wel. Zeker in de hongerwinter. Vanaf het begin van de oorlog sprak Sikko’s moeder altijd keihard Frans met hem als ze samen boodschappen gingen doen. Want iedereen die een accent had, kon immers Duits zijn. En Sikko’s moeder wilde natuurlijk absoluut niet voor Duitse aangezien worden. Sikko schaamde zich hiervoor. Op de Brediusweg, vlak bij de Paulus Potterlaan, woonde de familie Huese. Deze familie was goed bevriend met de familie Scheltema.

De vader des huizes heette Ben en Sikko noemde hem ‘Oom Ben’. Sikko kwam daar altijd met het kleinkind van Oom Ben spelen. Ben had de fabriek ‘Tyresoles’, dat in Bussum op het industrieterrein zat. Zij zorgden ervoor dat versleten banden weer een nieuw profiel kregen. Omdat de Duitsers daarin erg geïnteresseerd waren, heeft Ben dat op alle mogelijke manieren gesaboteerd. Zo lagen de mallen die ze nodig hadden om de nieuwe profielen op de banden te maken, op de zolder van de garage van familie Scheltema op de Paulus Potterlaan. Dat er gesaboteerd werd is ontdekt door de Duitsers en daarom is Ben opgepakt en naar Kamp Amersfoort gebracht waar hij ook overleden is.

Sikko’s moeder is toen gevraagd om te gaan kijken of hij een beetje toonbaar was (na alle marteling) en gelukkig was dat zo. Toen is het stoffelijk overschot van Ben naar zijn woonhuis overgebracht en vrij snel daarna begraven. De zoon van Ben, Tjebbe Huese, een jongen die een jaar of vijftien was, heeft een lange tijd bij Sikko op zolder ondergedoken gezeten. De Duitsers hielden het gezin Huese in de gaten en deze puberzoon moest niet ook opgepakt worden.

Ook Carlos naderde de leeftijd dat hij interessant werd voor de Arbeitseinsatz en bleef daarom meer binnen. Als er Duitsers aan de deur kwamen zei moeder altijd: “Ich bin Schweizerin!” , en dan gingen de moffen meestal weer naar een volgend huis. Moeder hield zo de Duitsers weg van hun huis, want Zwitserland was immers een neutraal land! Soms gebeurde het dat als er Duitsers in de straat actief waren, Philippe en Sikko op een onbewaakt moment op de ramen aan het bonzen waren en “Rotmof!” riepen. Als er dan een Duitsers het tuinpad op kwam lopen, rende Sikko gillend naar moeder en kroop huilend in haar armen met de mededeling dat “ze het gezien hadden!” “Wat hebben ze gezien?”, vroeg moeder dan natuurlijk. Waarop Sikko uitlegde dat ze vast gezien hadden dat ze “Rotmoffen!” riepen!! Moeder kon hem dan geruststellen dat ze dat niet gehoord hadden, hoor. En als er vervolgens aangebeld werd, deed ze weer open met: “Ich bin Schweizerin!” Ze was een moedige vrouw die niet snel van slag raakte. Als de mof dan vroeg of er deserteurs bij hen binnen waren, gaf ze aan dat die er bij hen niet binnenkwamen! En dan ging de mof weer weg.

Door de hongerwinter en het gebrek aan eten, kreeg Sikko langzamerhand steeds meer een hongeroedeem buikje. Philippe was zo mager als een lat. Carlos kwam gelukkig iets beter door de oorlog heen. Op de Brediusweg was een gaarkeuken. Vlakbij woonde de familie Brikkenaar van Dijk, waarvan Sikko alleen nog moeder met haar 2 zoons Jan en Pim herinnert. Pim was 15 en dus een stuk ouder dan Sikko.

Iedere dag ging Pim met zijn swanee whistle (een fluitje met een stokje erin dat je kon aantrekken en vieren waardoor de toon hoger of lager werd), al fluitend door de wijk om de bewoners te waarschuwen dat ze met een pan naar de gaarkeuken konden komen. Regelmatig ging Sikko met hem mee. Sikko vond Pim met zijn swanee whistle razend interessant. Soms fietste de vader van Sikko samen met Sikko voorop in het fietsstoeltje op de stang, naar Hilversum naar zijn ouders om ze op te zoeken. Die fiets had 1 houten band en Sikko voelde dat gigantisch in zijn billen! Sikko duwde vaders benen naar beneden, en dacht zowat te helpen als ze een heuvel op gingen. Als ze omlaaggingen, gingen ze behoorlijk hard! Dat vonden ze beiden wel spannend en leuk! Maar als het te hard ging remde Sikko’s vader af, want ze moesten natuurlijk niet onderuitgaan, en dat gebeurde makkelijk met zo'n houten band.

In de oorlog is grootvader Scheltema overleden door een flinke infectie. Zijn teen was bevroren geweest en vervolgens ontstoken geraakt. Vanwege niet tijdige en juiste behandeling is hij aan de infectie overleden, wat natuurlijk een groot verdriet was. In april en mei ‘45 werden er diverse voedseldroppings gehouden op de hei in Bussum en Sikko vond dat enorm indrukwekkend. Je zag de vliegtuigen overkomen en vervolgens flink veel pakketten aan parachutes naar beneden komen. Dat ging echter met een enorme snelheid waardoor die grote pakketten keihard op de grond klapten. Erin zaten vele blikken die dichtgesoldeerd waren. Sikko heeft nog steeds 1 zo’n blik in zijn huidige werkplaats waar hij cementpoeder in bewaard.

Aan het einde van de oorlog vond Sikko een suikerbiet op straat; mogelijk van de kar gevallen. Hij bracht hem naar moeder en die was er reuzeblij mee! Ze ging gelijk de biet in stukjes hakken en met een pan water op de noodkachel op de kachel zetten. Zie foto.

Noodkachel op kachel

 

Maar vanwege het veel te vochtige hout in de noodkachel, zag de hele kamer in no time blauw van de rook! Dus helaas moest het maken van suiker worden gestaakt.Sikko weet nog dat hij soms pulpkoekjes kreeg bij andere mensen. Die hadden ze gemaakt van het restant suikerbiet na het suiker koken…

Op een ochtend werd Sikko wakker gemaakt door Philippe. Hij zei tegen zijn jongere broertje dat hij onder zijn bed moest kijken. Sikko doet dat en ziet een heleboel resten van het karige eten van de hongerwinter, maar dan feestelijk opgemaakt! Sikko snapt er niks van en vraagt aan Philippe: “Waar is dat voor?” Philippe antwoordt: “De oorlog is afgelopen! We zijn bevrijd!” De reactie van Sikko was: "Gatverdamme, dan moet ik weer naar school!” Doordat beide jongste zoontjes flink ondervoed waren, Philippe zo dun als een lat en Sikko met een bolle buik van hongeroedeem, werden ze vlak na de oorlog met 1 van de eerste Rode Kruis-treinen naar Zwitserland gestuurd om daar bij familie bijgevoed te worden.

Over de reis deden ze 48 uur, want het spoor lag overal overhoop. Ze moesten ook over noodbruggen o.a. over de Rijn. Toen ze met de trein door Keulen kwamen was heel Keulen platgebombardeerd, behalve de Dom! Sikko weet nog steeds hoe die gebombardeerde stad eruit zag! In Duitsland moesten ze gaan overnachten in een school. Sikko plaste nog vaak in zijn bed en hij lag daar samen met Philippe in 1 bed….Je kunt de rest wel raden….Bij de grens van Zwitserland werden alle kinderen opgevangen en onder de douche gezet. Philippe mocht al alleen en daarna Sikko. Omdat hij nog wat te klein was, werd hij gewassen door een verpleegster. Dat vond Sikko toch zalig! Douchen met echte zeep! Daarna gingen de kleertjes weer aan en met een DDT-pomp in de korte broekspijpen werd poeier naar binnen geblazen! Sikko vond dat een lekker kriebelend gevoel.

In Zwitserland was het één en al luxe bij de familie thuis. De andere kinderen uit de Rode Kruis-trein moesten ondergebracht worden bij vreemde mensen thuis. Maar Philippe en Sikko hadden het heerlijk want werden flink verwend door hun familie!