Mia de Munnik- van Leur
Opgetekend door Petra Bontje
Mia de Munnik-van Leur werd in februari 1933 geboren in Oss. Ze woont daar nu, 93 jaar later, nog steeds. De ouders van Mia bestierden een café op de Molenstraat nummer 48, café Parkzicht. Mia is de jongste van het gezin, ze had vier broers boven zich. Ook haar 80-jarige opa woonde bij hen in.
Iedereen van jong tot oud hielp mee in het café. ‘Dat hoorde er gewoon bij,’ vertelt ze en laat een foto zien uit 1903 waar haar moeder voor café Parkzicht staat, samen met haar broers, moeder en de smid.
Het gezin sliep boven het café, haar broers in twee tweepersoonsbedden en Mia er tussenin. Later hebben haar ouders een kamer voor Mia tussen twee kasten ingemaakt.
Café Parkzicht in 1903. Mia’ s moeder, Henrica Kocken, staat links op de foto samen met haar moeder. De man met fiets en hoge hoed was de smid. De smederij was naast het café. (Bron: privécollectie Mia van Leur)
1935-Mia de Leur als 2-jarige voor café Parkzicht in Oss. (Bron: privécollectie Mia van Leur)
Toen de Tweede Wereldoorlog in Nederland uitbrak was Mia zeven jaar oud. Haar vroegste oorlogsherinneringen zijn aan twee Nederlandse soldaten die tijdens de mobilisatieperiode bij hen ingekwartierd zaten. ‘Omdat ze langere tijd bij ons in huis woonden, zagen we ze echt als huisgenoten. Een van hen kwam uit Zeeland, die is na de oorlog nog vaak bij ons langs geweest.’ Omdat ze in het centrum woonden, heeft Mia veel Duitsers en later ook geallieerde militairen langs hun café zien komen. ‘In de Molenstraat kwamen alle militairen langs die van- of naar het centrum liepen. Soms stopten er tanks of vrachtwagens voor de deur. Daar stond iedereen dan naar te kijken.’
Bent u zich in de oorlog wel eens angstig geweest?
‘Angstig eigenlijk niet. Het hoorde in de thuissituatie. We hadden een gezin en een zaak, dus het was altijd een beetje rommelig. Je moest jezelf vermaken. Ik voelde wel dat er van alles speelde. Naderhand begreep je de angst van je ouders ook beter, met de gedachte aan zonen die opgepakt konden worden.’
‘Mijn moeder ging ‘s nachts wel eens waken bij een tante die ernstig ziek was. Het jongste kind van dat 9-koppige gezin nam ze mee naar ons huis. Ik weet nog dat wij samen in een bed lagen en dat er een Duitser met een geweer boven bij de slaapkamer stond. Hij kwam de boel inspecteren. Dat was wel angstig, ja.’In 1940, was Mia’s oudste broer zeventien jaar oud en viel daarmee in de leeftijdscategorie waarin Duitsers jonge mannen opriepen voor de Arbeitseinsatz.
Heeft hij ooit moeten onderduiken?
‘Nee, dat niet. Mijn ouders hadden wel achter een vluchtweg gemaakt via de buren zodat de jongens altijd weg konden. Ze hebben er gelukkig nooit gebruik van hoeven maken. Mijn oudste broer heeft bij Philips gewerkt. Nummer twee was vijftien jaar toen de oorlog uitbrak. Broer nummer drie was bij ons degene die het voedsel moest verzorgen, die fietste alles af op een fiets met gladde banden.’
‘Als er buiten herrie was, moest je binnenblijven. Daar was iedereen goed in getraind. We konden schuilen in de kelder waar het bier werd opgeslagen.’
Mia en twee van haar broers. 1945.
Kon u de hele oorlog naar school?
‘Ja, maar de vijfde klas heb ik niet gehad. Toen werd onze school (St Raphaelschool aan de Arendsvlucht), net als andere scholen, gevorderd door de militairen. We werden toen voor lessen van de ene kant van de stad naar de andere gestuurd. Een tijd kregen we les in een winkel op de Heuvel. Daar hadden ze een trap met een bordes en daar zaten wij dan boven. Later in mijn leven merkte ik dat ik de vijfde klas toen gemist heb. De grootste gemene deler bijvoorbeeld, ik weet nog steeds niet wat dat is. Bij het toelatingsexamen voor de middelbare school kwam ik ook onderwerpen tegen waar ik nog nooit van gehoord had.’
‘De Joodse kinderen van Oss zaten allemaal op een aparte school, in het gebouw van de (latere) muziekschool, op de Eikenboomgaard. Er woonden hier in Oss ontzettend veel Joodse mensen. Kijk maar in de Molenstraat, de Floraliastraat, de Ridderstraat. Daar liggen veel struikelstenen voor hen.’
‘Mijn oudste broer heeft de HBS gedaan en heeft nog van Titus Brandsma* les gehad. In 1945/1946 heeft hij eindexamen gedaan.’
‘De paters van de Paterskerk liepen ’s ochtends naar het TBL (middelbare school in Oss) en kwamen allemaal bij ons langs. De paters kwamen vaak even wat drinken in ons café. Dan kregen ze een kopje koffie en met of zonder ‘schuttelke’. Als er een schoteltje onder het kopje zat, moesten ze betalen. En als het er niet onder zat, dan kregen ze de koffie van het huis.’
[Titus Brandsma (1881-1942) was een karmelietenpater, hoogleraar, rector magnificus van de Katholieke Universiteit Nijmegen en publicist. Ook richtte hij in Oss een katholieke HBS op, dat tegenwoordig het Titus Brandsma Lyceum (TBL) heet. Brandsma stierf in het Duitse concentratiekamp Dachau, nadat hij zich openlijk tegen het nazisme had verzet. (Bron: https://historiek.net/titus-brandsma-leven-verzet-heiligverklaring/180056/)]
Is het café van uw ouders open gebleven in de oorlog?
‘Het café is al die tijd open gebleven, tot op een gegeven moment een V1 bom viel*. Toen vloog een hele grote ruit eruit, die ze hebben gerepareerd met glasplaten van allerlei schilderijen die er in ons huis hingen. Die hebben ze passend gemaakt met hout tot de ruit weer dicht was. ‘
[*Mogelijk was dit bombardement een V1 die op 31 januari 1945 om 11.45 uur neerkwam, of de V1 die op 22 februari 1945 om 22.44 uur in de Ussenstraat. Bij beide bombardementen wordt genoemd dat er glasschade was aan winkelruiten in o.a. de Molenstraat, de straat waaraan het café van Mia’s ouders lag. - Bron: https://www.bhic.nl/ontdekken/verhalen/bommen-op-oss-1944-1945 ]
Heeft u hongergeleden tijdens de oorlog?
‘Nee, honger hebben we gelukkig niet gehad. Ik herinner me wel het zwarte brood. Omdat mijn ouders het café hadden, werd er veel gehandeld en geruild. De directeur van de boterfabriek was een goede vriend, daarom hadden we altijd roomboter in huis. Ik weet nog goed dat we de wikkels van de boter moesten bewaren en terugbrengen naar de fabriek. Die werden opnieuw gebruikt zodat niemand zag dat de boter eerst naar ons ging. Het ging allemaal onderhands, natuurlijk.’
‘Ik weet ook nog dat ze een keer een geslacht varken van een boer hadden geruild tegen iets anders. Dat varken hing dan bij ons aan een ladder.’
‘Omdat ons café zo’n grote ruimte was met een ruime keuken, kookten militairen daar ook. We hebben Duitse militairen in het café gehad, Engelse, Franse, en Canadese. Soms aten we met ze mee. Af en toe aten we van de gaarkeuken, die achter ons café was. Daar was een aparte zaal had die achterom te bereiken was. Via Zwanenberg (vleesverwerkingsbedrijf in Oss) kwamen er dan grote ketels met eten naar de gaarkeuken. En dan kwamen mensen met pannetjes langs.’
‘De Duitsers hebben nog lang de fabrieken in Oss in stand gehouden, want er was vlees te halen. Daarom kwamen ze steeds terug, ook toen Oss al bevrijd was.’
‘Ik weet nog dat ik een keer bij mijn vader op de fiets zat. We gingen naar Schaijk om melk te halen bij kennissen van mijn vader, die boer waren. Halverwege de rit moesten we stoppen, omdat de trein beschoten werd. Overal om ons heen waren Spitfires die naar beneden doken. En wij fietsten daar. Langs de kant van de weg waren toen van die mangaten gegraven, diepe kuilen waarin je kon schuilen. Mijn vader zei: ‘Ga jij maar in dit gat schuilen, dan ga ik wel verderop’. Dat wilde ik echt niet. Uiteindelijk hebben mijn vader en ik samen in zo'n mangat had gezeten, wachtend tot het schieten ophield.’
‘Mijn vader ging vaak bij de Maaskant jagen. In de oorlog mocht dat natuurlijk niet. Geweren mocht je ook niet hebben, die stonden daarom ergens verdekt opgesteld. Ik ben altijd nog bang van geweren. Dat heeft met de oorlog te maken en het jagen van mijn vader. Hij vroeg wel eens aan me of ik meeging, maar dat wilde ik niet. Ik zei dan dat ik alleen meeging, als hij die dag geen beesten neer zou schieten.’
Koper begraven in de grond
In de woonkamer van Mia staan verschillende koperen voorwerpen, zoals potten en een kruik. ‘Dat heeft allemaal in de grond gezeten,’ vertelt ze. ‘Omdat mijn opa smid was, hadden we natuurlijk veel koperen spulletjes thuis die iedere week gepoetst moesten worden. In de oorlog moest je koper inleveren, omdat ze daar kogels van konden maken. Mijn ouders hebben zich daar niet aan gehouden en hebben al het koper bij een broer van mijn moeder in de grond verstopt. Die woonde in de Hazenakkerstraat, toen nog buitengebied. Na de oorlog hebben mijn ouders het koper weer opgegraven. Uiteindelijk zijn alle koperen spullen van de familie bij mij gekomen. Mooi vind ik het niet en poetsen doe ik het ook niet, maar het zijn voor mij nog steeds relikwieën.’
Distributiekaart
Mia laat haar distributiestamkaart zien, waarop ook schoenen aangekruist staan. ‘Op een gegeven moment hadden we van die klompschoenen, een houten zool eigenlijk waar mijn moeder een bovenkant op haakte. Dan had je van die kleppers aan.’
Distributiekaart van Mia van Leur
Foto’s Leo van den Bergh
De (in Oss en regio) bekende fotograaf Leo van den Bergh was Mia’s buurman. Tijdens de oorlog heeft hij in Oss en omgeving veel foto’s geschoten. Zijn jongste broer, Ad(je), was even oud als Mia. Ze trokken in de oorlog vaak samen op.
‘Leo mocht natuurlijk niet fotograferen, maar hij deed het wel, van huis uit. Dit is op de hoek Molenstraat-Boterstraat tegenover zijn- en ons huis. Er werd door Duitsers vanaf de spoorwegoverweg geschoten. Deze Engelse militair werd neergeschoten. Die hebben ze bij Leo thuis in de gang gelegd. Dat heb ik als kind gezien. Je schrok er niet van, het was gewoon de situatie.’
Engelse militairen op hoek Boterstraat-Molenstraat, gadegeslagen door een nieuwsgierige Ossenaar. Een van de Engelsen werd neergeschoten en werd in de gang bij de familie vanden Bergh gelegd. (Bron: foto Leo van den Bergh, uit privécollectie Mia van Leur)
Geallieerde militairen voor het café van Mia’s ouders, café Parkzicht. (Bron: foto Leo van den Bergh, uit privécollectie Mia van Leur)
Geallieerde tank in Oss, hoek Klaphekkenstraat-Molenstraat. De fiets links stond voor de deur van het café van Mia’s ouders. (Bron: foto Leo van den Bergh, uit privécollectie Mia van Leur)
V1s en slapen in het gemeentehuis.
‘Die V1s, die hoor ik in gedachten nog. Eerst hoorde je een bom-bom-bom-bom geluid, maar op een gegeven moment hoorde je niets meer. Dan moest je uitkijken want dan kwam hij naar beneden. Dat wist iedereen.’
‘Op het eind van de oorlog, toen die V1s allemaal op Oss vielen, toen hebben wij op het gemeentehuis geslapen, het Jan Cunen. Matrassen waren er wel, maar die lagen helemaal bovenin. Toen hebben wij als kinderen met zijn allen die matrassen vanaf het balkon naar beneden gegooid. Dan moest je een matras over de reling gooien en hoorde je ‘Plof!’. Dat vergeet je nooit.’
‘Overdag was je gewoon in huis en ’s avonds gingen we dan naar het gemeentehuis. Ik sliep met mijn broers in het archief. Behalve onze familie sliepen er nog andere gezinnen in het Jan Cunen.’
Zijn er evacuees bij uw ouders in huis geweest?
‘We hebben mensen in huis gehad die uit Nuland kwamen. En we hebben nog een opa en oma opgevangen, die een tijd bij ons in huis zijn geweest. Je ving gewoon mensen op als dat nodig was.’