Dieuwertje Rustenburg

Opgetekend door Marco Bontje

Dieuwertje Rustenburg werd in 1943 geboren in de polder Geestmerambacht, een polder tussen Alkmaar, Heerhugowaard, Warmenhuizen en het Noordhollands Kanaal in. Die polder bestond toen nog uit veel kleine kavels, een soort eilandjes waar je bijna alleen met de boot kon komen. In een deel van de polder was een proefpolder aangelegd, als voorbereiding voor de latere ruilverkaveling die de landbouw veel grootschaliger zou maken. De vader van Dieuwertje was tuinder en ze woonden in een van de twee boerderijen van de proefpolder. In de oorlogsjaren hadden ze veel onderduikers en kwamen er veel mensen om eten vragen. Maar ook na de oorlog hebben ze nog veel mensen te eten gegeven of tijdelijk onderdak geboden. We spreken elkaar in Heiloo, waar ze sinds 9 jaar woont, over wat zij en haar ouders in de oorlog en de eerste jaren daarna meegemaakt hebben.

 

Geboren in de proefpolder

“Ik ben van ’43. Mijn ouders woonden in de proefpolder van het Geestmerambacht. Daar stond een huis alleen en een stukje verder ook nog een huis alleen. Maar alleen mijn ouders hadden onderduikers. Het huis was nog vrij nieuw, maar mijn vader heeft toen door een timmerman een schuilplaats laten maken, bovenin onder een schuin dak in een kast, en de deur zeg maar net als of het latten waren, en die kon wel open. Daar zaten ze dan, konden ze achter schuilen.”

Mevrouw Rustenburg was het enige kind van haar ouders: “Mijn ouders waren al heel blij dat ik er was, en voor de rest, dat ging niet meer. Maar ik heb een prachtige tijd gehad in de polder. De hele polder was mijn speeltuin. Mijn vader deed alles nog met de hand. Ja, er was geen geld om wat te kopen. Dan liep hij te schoffelen en te wieden, nou dan liep ik gezellig met hem mee, en ‘papa, vertel eens een verhaaltje’. En alle dieren waren voor mij ook heel interessant. Ik deed er nooit wat mee, maar ik observeerde altijd wel. Dat heb ik nu nog. Als ik een beetje problemen heb, dan ga ik het liefste naar buiten, hier ook, de natuur in! Nee, zonder de natuur, dat zou ik niet kunnen. Je vindt er alle rust, tenminste ik wel, en omdat ik altijd alles observeerde, dat heb ik nu nog.”

“Het is nu camping De Kolibrie. Het huis staat er nog. Ze hadden dat net verkaveld voordat de oorlog begon, toen zijn er twee huizen gebouwd. En die ene, daar woonden dan, die moesten de proefpolder beheren, en mijn vader pachtte het huis. Van de provincie uit ging dat allemaal. Andere buren woonden in de Diepsmeer, wat verderop, die konden alleen met een bootje bij de weg komen. Dat was een heel ander leven dan nu. Omdat we zo afgelegen woonden, waren het goede adressen voor onderduikers natuurlijk. Die andere buren wilden dat niet, maar mijn vader was heel sociaal, en mijn vader was ook een oprecht christen. Zonder flauwekul, maar dat dreef hem ook. Hij voelde zich daarover, ja, dat moest hij doen.” 

De boerderij van de familie Rustenburg in de proefpolder in Geestmerambacht, geschilderd door de vader van Dieuwertje Rustenburg.

 

“Mijn vader vertelde ook, in de oorlog werd het voedsel heel schaars, ook voor de Duitsers. Toen hebben ze de tuinders allemaal opgeroepen dat ze spullen moesten inleveren. Mijn vader had een beetje graan nog. Hij was halverwege, hij dacht ‘ik ben ook gek’, toen is hij toch teruggegaan en heeft hij het niet gedaan. Nee, maar verder gelukkig ook geen last van gehad. Mijn vader was tuinder. Kool verbouwden we het meest. Rode kool, witte kool… In die hele streek had je dat nog hè, ook in Langedijk. Wij hoorden bij de gemeente Oudkarspel. Mijn moeder kwam van Broek op Langedijk en mijn vader was geboren in Opperdoes.”

Onderduikers

“Mijn ouders hebben de hele oorlogstijd onderduikers gehad. Ook Nederlandse jongemannen af en toe. En mijn moeder vertelde over een Joods meisje van 14 jaar dat er een tijdje is geweest. En op het laatst een Joods echtpaar.” Ik vraag hoe de onderduikers wisten dat ze bij haar ouders aan het goede adres waren?

“Nou ja, dat werd weer verzorgd door andere mensen die die onderduikers plekken gaven. Dat ging allemaal ondergronds natuurlijk. De verzetsmensen wisten van elkaar de adressen waar onderduikers terecht konden natuurlijk. En ja, mijn ouders, dat wisten ze, en er waren ook nog andere mensen van de kerk, die woonden helemaal afgelegen… Daar kon je alleen met een bootje komen. Daar hebben ze ook nog een klein tijdje die Joden, nadat bij ons die huiszoeking was geweest zijn ze daar een tijdje gebleven. Maar die vrouwen konden niet overweg met elkaar, toen kwamen ze weer bij ons, bij mijn ouders, en daar hebben ze de oorlog uitgezeten. En toen gingen ze weer terug naar Amsterdam.” 

Mevrouw Rustenburg laat me het geboortetegeltje zien dat aan de muur hangt: “We hebben ook nog eens, ja, een kunstschilder hadden ze ook nog. Ja, die heeft dat… daar heb ik nog een aandenken. Een geboortetegeltje van mijn geboorte. Dat hangt daar, dat is nog steeds bewaard gebleven. Dieuwertje, 22-8-43. Dat was een jongeman, die wilde niet voor de… Hij wilde kunstenaar worden. Die werden toen ook naar Duitsland gebracht. Vandaar dat hij ook een onderduikadres zocht. Maar hij is ook niet de hele oorlog… Het schoof altijd weer op hè.”

 

Geboortetegeltje voor Dieuwertje Rustenburg, gemaakt door een kunstenaar die bij de familie Rustenburg ondergedoken was.

 

Huiszoeking

“Ze hebben één keer huiszoeking gehad. Die kwamen heel gericht zoeken. Dus waarschijnlijk is het verraden. Ze waren dus al voorbereid en midden in de nacht werd er op de deur gebonsd, en op zijn Duits ‘open!’, en stonden er zo een paar Duitse soldaten voor de deur. Die kwamen huiszoeking doen. Eerst beneden. Ik was toen een jaar geloof ik dat dit gebeurde. En toen, ja, begon ik te huilen, en er was een jonge soldaat bij, die moest op mijn moeder letten. En die anderen gingen naar boven, daar zoeken. Toen zagen ze een dekbed overhoopgehaald. ‘Wie slaapt daar?’ Mijn vader zegt ‘ik, want mijn vrouw is niet lekker’. Maar goed, ze hebben daar even gerommeld, en o ja, ik denk dat eentje het wel in de gaten had. Want die zei ‘er is niemand’, maar die gaf mijn vader een knipoogje. En de soldaat die bij mijn moeder zat, dat was nog een vrij jonge man, en dat hij mij toen zag, begon hij te huilen. Want hij was geronseld om voor Duitsland te vechten. Hij kwam uit Dresden en hij wist niet of zijn kind en zijn vrouw… want toen waren ze al met die bombardementen begonnen. Dat geeft ook een heel andere kijk daarop hè, het zijn ook gewone mensen, en die jongemannen wilden dat ook helemaal niet, maar ze moesten.”

Hongerwinter

Ik vraag of er in de Hongerwinter veel mensen op zoek naar eten bij haar ouders langskwamen, omdat haar vader tuinder was?

“Ja, o ja, er kwamen ook heel veel mensen voor eten. Want dat vertelde mijn moeder, toen was ik nog een baby, toen waren er ook mensen, die had ze binnengelaten in de kamer. En er stond nog een potje met suiker op tafel. Dat was voor mij bedoeld. Nou, toen was mijn moeder even de kamer uit, was het suikerpotje leeg, vertelde ze. Dat vond ze wel erg. Ach, die mensen hadden honger. Nee, ze trokken nooit voor niks aan de bel. Altijd kreeg iemand wel wat. Die andere buren die in dat andere huis woonden, die stuurden ze geloof ik ook wel naar mijn ouders toe, daar heb ik wel een vermoeden van.”

Maar hoe ging het u en uw ouders zelf in die tijd?

“Nou ja, we hebben niet echt hongergeleden. Mijn vader teelde ook zelf graan, en dat verborg hij boven, daar had je een houten vloer met kieren erin en daar lag dat graan dan in. Dat ze dat niet konden vinden. Ja kijk, die Duitsers lieten de tuinders ook wel wat doen. Zij moesten zelf ook eten.”

“Met de Dodenherdenking denk ik: ik heb mijn ouders nog gehad, die hebben het overleefd. Als de Duitsers verkeerd hadden gewild, dan waren wij er alle drie denk ik niet meer geweest, ik weet het niet. Mijn moeder was niet zo sterk. Mijn moeder is nog een paar jaar na de oorlog, dat ze helemaal verzwakt was, opgenomen geweest in Heiloo, voor zes weken. Dat was de nasleep voor haar. Het is ook wat. Ze waren dat de oorlog begon net een half jaar getrouwd, en ik kwam dan drie jaar later. En dan was je blij als je een kind hebt, en als je dat dan allemaal overkomt, dat is ook wel heel heftig natuurlijk. Maar dat ze toen opgenomen is geweest, dat heb ik pas veel later gehoord van mijn vader. Daar werd nooit wat over gezegd thuis. Dat hoor je vaker, dat mensen als er iets heftigs is, dat ze er niet over praten. Mijn vader kon later het werk niet meer aan, het was heel zwaar werk, zware klei. Zijn hele rug was zo’n beetje op. Hij kon het land niet meer goed onderhouden, dus dan zeggen we de pacht op. Toen zijn ze in Oudkarspel terechtgekomen, toen heeft hij nog een tijdje klussen en zo gedaan.”   

Na de oorlog

Ook in de eerste jaren na de oorlog kwamen er nog vaak mensen op zoek naar eten naar de boerderij van de familie Rustenburg:

“Heel lang nog na de oorlog, want heel veel mensen waren geronseld dat ze in Duitsland moesten werken. En ik kan me herinneren dat, geregeld kwamen er mannen aan de deur en vroegen ze om eten. En die zagen er altijd heel sjofel en niet zo schoon uit. Maar ze kregen altijd eten van mijn ouders. En ook was er een man bij, die was zo ziek en die kon niet meer. Dus had mijn vader een plek gemaakt in de schuur, dat hij daaruit kon rusten. Die mannen die thuiskwamen, er was niks, en ze werden ook niet geholpen. Dat was armoede toen hoor voor die mensen.”

“En nog, toen was ik vier, en ik zat te schommelen, en toen zag ik op ons weggetje, van de grote weg af richting kolen, twee kinderen met zo’n ouderwetse kinderwagen. Die liepen naar ons huis. Dus ik mijn ouders geroepen natuurlijk. Mijn vader vroeg ‘zijn jullie alleen?’ Nee… O ja, ze hadden havermout bij, of mijn moedermelk had, dan konden ze pap koken. ‘Maar jullie zijn toch niet alleen?’ Nee, hun ouders waren nog bij de grote weg gebleven. Want die dachten, we sturen de kinderen eerst maar. Nou, toen heeft mijn vader die ouders ook opgehaald, en het was begin van de zomer, en die vrouw die kon niet meer, die was ook heel slap en ziek. Dus toen heeft mijn vader, de koolschuur was leeg, heeft hij daar een appartementje afgesloten, met zakken en weet ik het. En hij is naar de diaconie gegaan dat hij spullen nodig had, en de dokter gehaald voor die vrouw. Die man hielp later mijn vader. Ze zijn de hele zomer nog gebleven. Ze kwamen oorspronkelijk uit Rotterdam, ze hadden een hele tijd gezworven met die kinderwagen en de kinderen. Dus toen heeft mijn vader ook alles helpen regelen tot eind van de zomer, toen konden ze een huis in Rotterdam krijgen.”

“Ik was wel weer blij met dat jongetje, die was bijna even oud als ik. En ik had geen broertjes of zusjes. Dan had ik de hele zomer iemand om mee te spelen! Dat vond ik wel jammer later dat hij weer wegging.”
“Dat is één verhaal, maar zulke mensen waren er meer natuurlijk. Maar dat heeft altijd wel indruk op me gemaakt. Ja, dat ging best wel heel lang zo door, ook nog later dat er weer een arme man langs de deuren kwam. Maar daar hoorde je nooit over natuurlijk, want dat waren geen dappere verhalen. Ik had ook een vriendinnetje op de lagere school, die vader was ook in Duitsland geweest. Hij kon eigenlijk niet werken, maar ja, hij moest wel wat. Dat was heel erge armoe.”  

Yad Vashem

“Kunt u Engels lezen? Dat is wel interessant om te laten zien. Mijn ouders hebben later de Yad Vashem onderscheiding gekregen. Het was in het Frans geschreven, maar dat is vertaald in het Engels. Dat is van het Joodse echtpaar, dat verhaal. Ja, dat was al een hele tijd alweer achter de oorlog, mijn zoon was toen 12 jaar. Dat werd toen gedaan in Utrecht, en daar zijn we ook allemaal naar toe gegaan natuurlijk.” Mevrouw Rustenburg laat me de tekst zien waarin het verhaal van het Joodse echtpaar Zwaaf wordt verteld, die vanuit Amsterdam moesten vluchten en op veel verschillende plekken moesten onderduiken. Uiteindelijk vonden ze van juni 1944 tot januari 1945 onderdak bij de familie Rustenburg. Haar ouders kregen hiervoor de Yad Vashem onderscheiding in 1978.

Het verhaal van het Joodse echtpaar Zwaaf en hun onderduikadressen, waaronder de boerderij van de familie Rustenburg. In 1978 kregen de ouders van Dieuwertje Rustenburg de Yad Vashem onderscheiding omdat ze dit Joodse echtpaar in hun boerderij hadden laten onderduiken.

Na het interview laat mevrouw Rustenburg me ook nog op haar computerscherm foto’s zien van de Yad Vashem medaille die haar ouders kregen en van de herinneringsmuur waar de namen van haar ouders op staan.

 

Foto’s van de Yad Vashem medaille voor de ouders van Dieuwertje Rustenburg en de Yad Vashem herinneringsmuur waar de namen van haar ouders op staan.