Henk Vos
Opgetekend door Marco Bontje
Henk Vos is geboren in 1935 en groeide op in Amsterdam-Noord. Hier maakte hij als jongen de oorlog mee. Hij woont nu met zijn vrouw Ingrid in Purmerend, waar we over zijn herinneringen van tijdens en vlak na de oorlog praten. Door beginnende Alzheimer laat zijn geheugen hem wel eens in de steek, maar hij kan nog goed over de oorlog vertellen. Zijn schoondochter Irma Hoezee is ook bij het gesprek en helpt Henk zijn herinneringen op te halen door de goede vragen hierover te stellen. Twee gebeurtenissen hebben grote indruk op hem gemaakt: de bombardementen op de Fokkerfabriek in Amsterdam-Noord in 1943 en zijn verblijf van een half jaar vlak na de oorlog in Zwitserland.
De oorlogsjaren in Amsterdam-Noord
Henk Vos was 5 jaar toen de oorlog begon. “Ik heb de oorlog meegemaakt, ik heb wel gehad dat de bommen om mijn oren vlogen, en als kind zijnde dat ik m’n eigen rot moest rennen naar de schuilkelder op het Mosplein in Noord. Op de Ranonkelkade, daar woonde ik, tegenover de Fokker. Je hebt het Mosplein, dan krijg je de Distelkade, en dan krijg je de Ranonkelkade, daar woonde ik, in het hoekie. Daar had je een rederij Boekel, dat kent u waarschijnlijk wel, het bootje van Boekel?”
“Meneer Kroon lag dood in de tuin. De SD had hem doodgeschoten, in zijn voortuintje in de Distelvoorstraat. Daar moest hij de hele dag blijven liggen, en iedereen die erlangs kwam moest stilstaan en moest ernaar kijken dat hij doodgeschoten was. Dat waren bruten hoor, die Duitsers, oeh.”
“Aan de Ranonkelkade zijn ze nooit binnen geweest. Mijn vader heeft wel ondergedoken gezeten, boven op de vliering lag hij te slapen. Dat was angstig hoor. Dan lag hij op de vliering en toen begon hij te hoesten, mijn moeder schrikt en is als de dood dat die Duitsers het horen, weet je. Maar die hoorden niks.” Maar zijn vader werd toch nog een keer bijna meegenomen: “Ze hebben een razzia gehouden. Maar mijn vader is niet meegenomen. Toen kwamen ze hem tegen, maar hij zei ‘ich bin krank’. ‘Was haben Sie?’ ‘TBC’. ‘Ooohhh…’ Mijn vader zei: ‘Ik heb nog nooit een paar Duitsers zo snel naar buiten zien vliegen’. ‘Ik heb TBC’… Want een hoop Nederlanders hadden TBC in de oorlog, en die het niet hadden die zeiden dat ze TBC hadden.”
Henk Vos ging de eerste oorlogsjaren nog wel naar school, maar aan het einde van de oorlog kon dat niet meer. “Toen de oorlog op zijn end was, was de school gesloten. Want ik zat beneden in de klas en boven mijn kop zaten die Duitsers. Die zaten met een geschutskoepel op het dak. En wij moesten gewoon leren. Op een gegeven moment ging het niet meer, want het was te angstig. Toen hebben ze de school een half jaar gesloten. Geen les meer. Ik heb als kind een hoop angst gehad hoor. Dan lag je te slapen en dan hoorde je die bommenwerpers heel laag overkomen, ze gingen steeds lager, ze gingen allemaal naar de Fokkerfabriek. Ik heb wat angsten uitgestaan hoor. Ja, ik sliep al niet goed, ik was angstig, ik lag meer wakker dan ik sliep.”
In de laatste oorlogsjaren was er steeds minder voedsel in de stad. De stadsbewoners maakten lange tochten door de Noord-Hollandse polders om eten te vinden. “Mijn vader ging met zijn broer lopend met een fiets, met twee damesfietsen, gingen ze helemaal naar Wieringerwerf. Moet je nagaan. Ze gingen eerst naar Purmerend, daar overnachtten ze, en daar gingen ze om vier uur ’s nachts uit bed en gingen ze de boer op. Ja, en dan gingen ze helemaal naar Wieringerwerf, lopen, naast de fiets! Allebei een damesfiets, met op de terugweg een grote zak aardappelen achterop, en nog eentje op het frame, en groenten… Die mensen hebben wat geploeterd hoor, oh…”
“En toen kwamen een paar mensen voorbijfietsen met een rotgang. ‘Vlieg de weg af, ga schuilen bij de boer, de moffen komen eraan! Ze nemen alles in beslag, alles!’ Dus die achterste mensen in de colonne, die hebben ze al die aardappelen afgepikt, peren, groenten. Waren die mensen maanden onderweg… Mijn vader kreeg een seintje van een man die op zijn fiets al die mensen waarschuwde, die reed vooruit. Toen zijn ze bij al die boeren op het erf gaan schuilen tot het voorbij was.”
De bombardementen van 1943
“De Fokkerfabriek is gebombardeerd, hè? Dan kwam er een bommenwerper, die hoorde je dan heel hoog, en dan zag je al die zoeklichten gekruist, dan waren ze het vliegtuig aan het zoeken. Maar die zat helemaal in de wolken, heel hoog.”
Op 17, 25 en 28 juli 1943 werd Amsterdam-Noord getroffen door bombardementen van de geallieerden. Doelwit was de Fokkerfabriek aan de Papaverweg. Maar bij het eerste bombardement werd de fabriek niet geraakt. De bommen vielen op de woonbuurten en in het water om de fabriek heen, met veel burgerslachtoffers als gevolg. Veel slachtoffers vielen in de Sint Ritakerk, waar honderden gelovigen waren om het jubileum van de parochie te vieren, en in de wachtkamer van een huisartsenpraktijk. Irma Hoezee hoorde ook een verhaal over een bruiloft die door een van de bommen geraakt zou zijn, Henk Vos bevestigt dit: “Dat is gebeurd op de Heggerankweg, daar is een bom neergekomen ja. Daar praten ze nou nog over.” Bij het tweede bombardement werd de fabriek wél geraakt, maar bij het derde bombardement vielen de meeste bommen weer op de woonbuurten. Bij de drie bombardementen samenvielen er 206 dodelijke slachtoffers en 142 zwaargewonden.
De Fokkerfabriek was aan het begin van de oorlog door de Duitsers overgenomen en moest voor de Duitse Luftwaffe gaan werken. Daarom werd de fabriek doelwit van de bombardementen. De Duitsers hadden de fabriek gecamoufleerd: “Over alle daken hadden ze gaas gespannen, kippengaas, en daar hadden ze kunstgras op gegooid, en dat hadden ze groen gespoten. Dus vanuit de lucht was het net een weiland. En allemaal rieten huisjes hadden ze erop gebouwd, een heel dorp. Dus vanuit de lucht leek het een plaatsje. Dus de geallieerden gooiden er geen bommen op. Dat hadden ze heel vernuftig gedaan.”
In bronnen over de bombardementen worden verschillende redenen genoemd waarom de meeste bommen niet op de Fokkerfabriek maar op de omliggende woonwijken of in het water neerkwamen. De geallieerden wisten ondanks de camouflage wel waar de fabriek was. Maar vooral bij het eerste bombardement, waarbij de meeste burgerslachtoffers vielen, ging er veel mis: de onervaren bemanningen hadden slecht zicht vanaf grote hoogte. Ook bij het derde bombardement waren de vliegtuigbemanningen onervaren. Alleen bij het tweede bombardement werden ervaren bemanningen ingezet, die de fabriek wél wisten te raken.
Tijdens de bombardementen schuilden veel bewoners in hun eigen huis, ook de familie Vos. “Het gebeurde ‘s nachts na twaalven. We zijn niet weggevlucht, nee, we gingen in de trapkast zitten. Al die mensen die er woonden, die zaten allemaal in de trapkast. Dat was namelijk bewezen dat de trapkast de meest veilige plaats was voor een bombardement. Van een huis dat platgegooid werd stond altijd de trap nog overeind, heel gek, heel gek! En er werd ook gezegd dat je daar moest schuilen in je huis. Als het nodig was zaten we er met zijn zessen of zevenen in.”
Naar Zwitserland
Toen de oorlog nog maar net afgelopen was, mochten tienduizenden kinderen uit Nederland en andere door de Duitsers bezette landen naar Engeland, Denemarken, Zweden of Zwitserland. Ze mochten daar drie of zes maanden bijkomen van de oorlog, werden behandeld als ze ziek waren, en kregen goed te eten om van de honger te herstellen. Huisartsen maakten lijsten van kinderen die hiervoor het meest in aanmerking kwamen. De meeste kinderen kwamen drie maanden bij pleeggezinnen, maar de kinderen met de zwakste gezondheid gingen zes maanden naar een kindertehuis.
Henk Vos mocht zes maanden naar Zwitserland, naar het dorpje Brissago, aan het Lago Maggiore, vlak bij de grens met Italië. Al voordat het interview begint laat hij mij een schilderij aan de muur zien dat hij geschilderd heeft van het dorpje, het meer en de bergen.
Brissago aan het Lago Maggiore, geschilderd door Henk Vos
“Na de oorlog werden kinderen uit hongergebieden door het Internationale Rode Kruis een paar maanden naar Zwitserland gestuurd. Je had een ploeg van drie maanden en een ploeg van zes maanden. Ik mocht kiezen, Groningen of Zwitserland. Zwitserland! De dokter zei: dat zou ik ook gedaan hebben. Ik was zo mager dat die dokter zei: ‘Jij gaat een half jaar. Ga jij maar lekker genieten, Zwitserland is zo mooi, ga jij maar lekker genieten’. Dus ik ben een half jaar naar Zwitserland geweest.”
“Alle kinderen die naar Zwitserland gingen moesten via Utrecht. Van Amsterdam Centraal naar Utrecht ging ik ook met de trein. De intercity stond daar te wachten met Rode Kruis vlaggen op de zijkanten en op het dak. Want het was eigenlijk net oorlog geweest. Dus er waren waarschijnlijk Duitsers die nog niet eens wisten dat er vrede was. Het was een heel rare tijd hoor, net na de oorlog, angstig! Dus dan reden de treinen met die Rode Kruis vlaggen er op, dat ze konden zien dat ze niet moesten bombarderen omdat er kinderen in zaten. Er gingen Hollandse leidsters mee, vrijwilligsters van het Rode Kruis.
De kinderen en leidsters zaten met zijn twaalven in een coupé. Liggen kon ook om te slapen, maar het was wel behelpen: “Twee kinderen lagen in een net, twee kinderen lagen op de bank, en twee op de grond. We zijn helemaal via België en Frankrijk… We moesten helemaal omrijden, want heel Europa was platgegooid dat er oorlog was, platgebombardeerd.” De treinreizen naar Zwitserland waren lang en moeizaam. Tijdens de oorlog waren stations, sporen, bruggen en treinen vaak doelwit, dus veel treinroutes waren onbegaanbaar. Veel van de treinen die er nog wel waren, werden door geallieerde troepen voor troepenverplaatsingen gebruikt of voor andere transporten van bijvoorbeeld krijgsgevangenen of overlevenden van concentratiekampen. Ondanks alle beperkingen slaagde het Rode Kruis erin om duizenden kinderen naar Zwitserland te brengen, hoewel dus met omwegen door België en Frankrijk, reizen die dagen konden duren.
Een prachtige tijd in Brissago
De Zwitserse opvangcentra bleken nog niet allemaal klaar om deze kinderen op te vangen. Dat was ook zo toen Henk aankwam in Brissago. De kindertehuizen waar de kinderen uit Nederland en andere landen aankwamen waren eerst nog door de Duitsers bezet: “Er zaten eerst nog Duitse kinderen in, logisch natuurlijk. De Duitsers hadden het ingenomen en al die kinderen die erin zaten, ook buitenlandse kinderen… toen hebben ze eerst Duitse kinderen in die instellingen gehad, die de oorlogsgebieden meegemaakt hadden. Nou ja, dat had ik ook gedaan als het van mij was, je vecht toch voor je eigen mensen. Maar toen kwamen wij met de trein.” De vrouwen uit het dorp kwamen in opstand en hebben de leiding van het kindertehuis overgenomen. Toen hij aankwam werd het kindertehuis eerst nog door Duitse vrouwen geleid: “Er was er eentje, die begon me te slaan weet je wel, en toen zag een Zwitserse vrouw het en die is aan het vechten geweest met die vrouw, ze heeft haar toch geslagen… En ze moest weg en ze mocht er nooit meer terugkomen op die plek. Dat was echt een SS-wijf, zo’n Gestapofiguur.”
“Het is de mooiste tijd van mijn jeugd geweest, oh! Ik was helemaal gek op de natuur hè. Ik was een natuurliefhebber en ik had veel gelezen over Zwitserland. Zo’n mooi land, prachtig mooi! En toen hoorde ik van de dokter, ga jij maar een paar maanden naar Zwitserland, een beetje flink eten, dat je een beetje vet op je lijf krijgt. Ik hoor het hem nog zo zeggen. Ik was mager!”
“De Zwitserse dames waren huismoeders die het werk pro deo deden. Ik heb het vreselijk goed gehad daar. Ik kwam toen in Zwitserland, ik weet het nog goed, we kwamen uit Nederland en we waren broodmager. Nou, we hebben het goed gehad, oh! Dan zeiden ze “Heinrich, du musst essen!’ Nou, dat hoefden ze niet twee keer te zeggen, ik kon goed eten.”
“Ik ben daar zo goed ontvangen, schitterend! Die mensen zijn zo lief, die Zwitsers. De kinderen werden vertroeteld, want die hadden die oorlog meegemaakt. Er was een vrouwtje, die was de kokkin, de kokkin van de keuken, en toen kwamen we voor het eerst in een hele rij uit de bus en dan moest je achter in de keuken staan en dan kreeg je een eerste bordje eten uitgereikt... Nou, of ik goud op mijn bord had! Ik vond het zonde om te beginnen, het zag er zo lekker uit!” Bij een van de vrouwen in het kindertehuis leek Henk een streepje voor te hebben: “Dat is heel gek, ik weet niet waarom. Die streek over mijn bol, en … ‘Wie heisst du?’ Ik zei: ‘Heinrich’. Ah, schöne Name!’ Dat was zo’n lieve vrouw, daar heb ik zo’n klik mee gehad later ook. Dan deed ze de ramen open ‘s morgens: ‘Oh, komm Jungs, kommen Sie schnell, was schön, was ist die Schweiz schön!’ Die vrouw kwam uit Basel en de eerste dag was ze dus met de kinderen op sjouw. Dat mens was zo lief. Toen gingen we na een half jaar terug, en ik hing nog buiten het raampje van de trein, toen zegt ze: ‘Heinzi, Heini, sagen Sie, mich schreiben?’ Ik zeg: “Gib mir deine Adresse’. Maar zij zoekt in die tas… Maar die trein begon al te rijden. Ik zeg: ‘Sag mir, sag mir, sag mir!’” De vrouw riep haar adres naar Henk en hij is het nooit meer vergeten.
Niet voor alle kinderen was het verblijf in Zwitserland zo fijn: “Mijn oudste zus is bij pleegouders geweest. Die had zo’n heimwee. Oh, dat vond ik heel erg. Die is doodziek geworden van de heimwee. Die hebben ze teruggestuurd naar Nederland. En ik had helemaal geen heimwee. Ik vond het prachtig. Hele vriendelijke mensen, de Zwitsers. Ik was met mijn jongste zus, die was vier, en ik was net tien. Mijn zusje was vier, ja en dan ga je helemaal naar Zwitserland…“
Met zijn vrouw is hij later nog vaak teruggegaan naar Zwitserland: “Als we op vakantie gingen, gingen we altijd naar Zwitserland, die mensen opzoeken. Dat vond ik zo mooi, dat ze bij de deur stond en ‘O lieber Heinrich, das Sie uns nicht vergessen sind!’” Ze zijn ook op bezoek geweest bij de vrouw uit Basel en ze is ook nog bij Henk en zijn vrouw op bezoek geweest.
Terug naar Amsterdam-Noord
Hoe was het om na dat half jaar weer terug te komen in Nederland?
“Toen ik thuiskwam hoorde ik mijn buurjongetje roepen ‘moeder, kijk eens wie er aankomt!’ Ik had van die grote Zwitserse bergschoenen aan met noppen eronder, ik was net een militair. Ik was apetrots. Ik heb gehuild toen ik terugkwam, want ik kwam van de regen in de drup. Ik had het daar goed, en in Nederland had ik het arm.”
“Mijn vader sprak nooit over de oorlog, mijn moeder ook niet. Er werd niet over gesproken, nee, vooral niet als je kinderen hebt, want die worden er angstig door.”
“Duitsland is een prachtig mooi land. Ik kom er graag. In het begin niet hoor. Heel lang heeft het bij mij gespookt hoor, de oorlog. Nou ja, ik hoop dat het nooit meer gebeurt. Ik hoop het nooit meer mee te maken. Nee, oorlog is verschrikkelijk. En zo zinloos, het is zo zinloos, oorlog.”
Het putdekselmonument
Na het interview zoek ik meer informatie op over de bombardementen van 1943: wat er bij de bombardementen mis is gegaan, waar de bommen vielen, en hoe dit in Amsterdam-Noord nog steeds herdacht wordt. Zestig jaar later, in 2003, is een monument voor de slachtoffers van de drie bombardementen onthuld op de Noorderbegraafplaats. Hier is jaarlijks op 17 juli, de datum van het eerste bombardement, een herdenking. Later heeft stadsdeel Amsterdam-Noord nog een tweede monument laten maken: het putdekselmonument ‘Friendly Fire’. Dit zijn 12 putdeksels in de Vogelbuurt, Van der Pekbuurt en Disteldorp, de buurten rondom de Fokkerfabriek waar de meeste bommen vielen. Het monument is ontworpen door kunstenares Hester Oerlemans. Het waren eerst 11 putdeksels, maar later is er nog twaalfde bijgekomen op de plek waar de huisartsenpraktijk werd getroffen. Een paar dagen na het interview heb ik de rondwandeling langs de putdeksels gemaakt. Op de website van het Historisch Centrum Amsterdam Noord (zie bronnen hieronder) staat een kaart van deze rondwandeling met de verhalen bij elk van de putdeksels, voor wie de wandeling ook eens wil maken. Een van de putdeksels ligt op de Ranonkelkade, waar Henk Vos de oorlog heeft meegemaakt.
Vier van de twaalf putdeksels van het putdekselmonument in Amsterdam-Noord. Het putdeksel rechts ligt op de Ranonkelkade.
Bronnen en aanvullende informatie:
Fokkerfabriek in Amsterdam-Noord:
https://amsterdam750.nl/verhaal/de-fokker-fabriek-in-amsterdam-noord/
https://hcan.nl/noord-1940-45/de-fokkerfabriek-aan-de-papaverweg/
Bombardementen Amsterdam-Noord, juli 1943:
https://hcan.nl/getuigenverhalen/geallieerde-bombardementen-op-noord-juli-1943/
https://onsamsterdam.nl/artikelen/de-geallieerden-bombarderen-amsterdam-noord
https://onh.nl/verhaal/het-drama-van-de-sint-ritakerk/
https://www.niod.nl/blog/het-bombardement-van-amsterdam-noord-kinderdagboeken
Putdekselmonument Friendly Fire:
https://friendly-fire-amsterdam.nl/
https://hcan.nl/noord-1940-45/putdekselmonument/
https://hcan.nl/home/wandelkaart-oorlogsmonumenten-noord-vergeet-niet-het-putdekselmonument/ met o.a. kaart van wandelroute langs 11 van de 12 putdeksels
‘Bleekneusjes’ naar Zwitserland, Engeland, Denemarken en Zweden, 1945:
https://nos.nl/bevrijdingsjaar/bericht/2334673 : over kinderen die naar Zwitserland gingen
https://anderetijden.nl/aflevering/493/Bleekneusjes-van-1945 : over kinderen die naar Engeland, Denemarken en Zweden gingen
https://deblommenfamilie.com/bob-in-zwitserland/ : herinneringen van Bob de Groot die als kind twee jaar naar Zwitserland ging. Zijn eerste bestemming in Zwitserland was Brissago, het dorp waar Henk Vos ook een half jaar geweest is.
https://www.plusonline.nl/kunst-en-cultuur/de-bleekneusjes-van-1945 : herinneringen van vier ‘bleekneusjes’ die in 1945 naar Engeland, Zwitserland, Denemarken en Zweden gingen.