Magda Veenhof-Rensen
Opgetekend door Naomi Stern
Ik ben geboren 7 juli 1933 in Amsterdam. Ik was bijna zeven toen de oorlog begon. Wij verhuisden voor mijn vaders werk naar Amsterdam-Noord toen ik anderhalf jaar was. Het was een buurt waar veel communisten woonden, zoals Gerben Wagenaar bij ons aan de overkant. Zij deden veel om de Joden te helpen. We woonden ook naast de Fokkerfabriek. De Duitsers hadden die in beslag genomen. Ze hadden de fabriek als een soort bos gemaakt als camouflage. De geallieerden probeerden de fabriek te bombarderen. Door de camouflage konden ze niet precies zien waar de fabriek stond. Dus de bommen vielen er omheen, ook bij ons in de straten. Op 17 juli 1943, ik hing uit het raam en mijn overbuurmeisje ook. Ik riep: Jij moet toch naar de kerk toe? Ja, zei ze maar ik heb me verslapen.
Op een gegeven moment ging het luchtalarm. Ik dook onder mijn bed. We hoorden dreunen en klappen en bommen vallen. Het waren net groene erwten die naar beneden kwamen. En toen bleek dat die kerk waar zij had moeten zijn, helemaal (per ongeluk) was gebombardeerd. Er zaten allemaal kinderen voor de kinderdienst. Al die kinderen dood! Verschrikkelijk. Dat was het derde bombardement inmiddels. Wij werden hierdoor heel nerveus. Maar we hebben het gered.
In de hongerwinter 1944/’45 hadden we zo’n honger dat we tulpenbollen aten en suikerbietenpulp, werkelijk van alles hebben we gegeten want er was gewoon niks.
Een aantal jongetjes van onze voetbalclub Volewijckers mochten met de bus naar Friesland waar ze bij gastgezinnen werden ondergebracht. Ook de later bekende Abe Lenstra ving jongens op.
Er woonde een gezin met vijf kinderen bij ons in de straat. Die man werkte bij de gemeente. Toen daar een inval bij de gemeente was zeiden collega’s dat hij weg moest wezen. Maar hij was aan een kant doof en had het niet gehoord en is toen door de Duitsers opgepakt en gefusilleerd. Ik weet niet waarom. Zijn vrouw was net overleden waardoor hun vijf kinderen wees werden. Toen is de zus van die man in huis gekomen en heeft voor de kinderen gezorgd. Op de dag van de bevrijding kwam iedereen naar buiten. Ook een man. Het was een Joodse man die ze de hele oorlog had verborgen. Hij groette ons alsof we bekenden waren. Al die jaren had hij ons steeds gezien vanuit het zolderraampje. Later is ze met hem getrouwd.
Op 7 mei kwamen de Canadezen naar de Dam. Ik ging met mijn moeder en buurmeisje naar de Dam. Iedereen was blij, draaiorgels speelden en veel mensen zwaaiden met vlaggetjes. Toen kwam die schietpartij vanuit De Club. Overal stonden kinderwagens en kindertjes liepen er alleen in het rond, veel werden er doodgeschoten. Verschrikkelijk. We renden naar een schuilkelder op het Rokin. Daar moesten we weer uit want er zaten veel te veel mensen in. De Damstraat uit naar de Gelderse Kade en daar kwamen we de Canadezen tegen.
Mijn vader lag in het ziekenhuis omdat hij een grote operatie had ondergaan. Hij was helemaal niet ongerust toen ze hoorden van die schietpartij. Hij zei tegen zijn kamergenoten: Mijn vrouw gaat daar heus niet naar toe.
Als ik nu beelden zie van die schietpartij op tv, dan zie ik nog steeds die kinderwagens voor me en rennende moeders met hun baby. Het was echt verschrikkelijk. Dat hebben we dus overleefd. Alle festiviteiten zijn toen afgelast tot alle Duitsers waren ontwapend.
Wij hadden in Schoorl een zomerhuisje met een linnen dak. Met Pasen ging mijn vader dat huisje opzetten. De eerste oorlogsjaren konden we er nog wel in slapen. Af en toe gingen wij gewoon naar de Duitsers toe om een brood te vragen. En dat kregen we. Die Duitse soldaten moesten ook maar gewoon opkomen en als ze weigerden, dan werden ze doodgeschoten. In het bos was een abattoir waar we vlees haalden maar dat werd gebombardeerd.
In 1943 had mijn vader het huisje opgebouwd maar toen we in de grote vakantie kwamen hadden de Duitsers de daken van die huisjes groen geschilderd en mochten we er niet meer in. Ze hadden onze wollen dekens meegenomen en andere spullen. Mijn moeder sprak Duits, dat had ze op school geleerd. Zij ging naar het Duitse kamp en heeft gezegd: Geef de dekens terug. Toen hebben we wel dekens gekregen, maar het waren niet onze eigen dekens, dat waren wollen dekens. Het huisje was een puinhoop. We mochten er niet meer slapen i.v.m. de Atlanttikwal. Ze wisten niet waar de geallieerden zouden aan land zouden komen.
We sliepen nu bij mensen thuis. In het eerste jaar van de oorlog gingen we natuurlijk gewoon naar het strand. Op een gegeven moment hadden die Duitsers gedacht dat ze zo naar Engeland konden zwemmen, om te vechten tegen Engeland. ‘Wir fahren nach Engeland.’ Maar ja, dat lukte ze natuurlijk niet en dan spoelden ze dood op het strand aan. Lagen ze daar dood met opgezwollen gezichten.
In Schoorl in 1943 heb ik de treintjes daarboven bij de jeugdherberg gezien. Het was een navigatie station met een radiozendantenne. Hij stond op een duin van 54m hoogte en keek uit over zee. De antenne woog bijna 100 ton op een cirkelvormige spoorrail met een diameter van 30 meter, waardoor hij in 1 minuut volledig kon ronddraaien. Er werden daar ook bomvrije bunkers gebouwd en de duinen lagen vol met mijnen. Ook aan het strand. Toen werd het voor alle bewoners verboden terrein en zijn we ook niet meer op vakantie geweest. In 1944 werd het station gebombardeerd.
Later na de oorlog hebben we weer bij de mensen gelogeerd waar we tijdens de oorlog hebben geslapen.
Later kon ik een huisje (1964) in Groet kopen. en tot een paar jaar geleden zijn we daar altijd naar toegegaan.
Van de piano op de achtergrond is een stuk afgezaagd vanwege gaten door een bombardement op de Fokkerfabriek wat misging.