Albert Veldkamp

Opgetekend door Ingrid op den Velde

Albert Veldkamp is geboren op 31 mei 1934 in het dorp Oldehove ten noordwesten van de stad Groningen. Een dorp zoals er zovelen zijn, met dien verstande dat de structuur die vroeger in die dorpen zat een terp was met daaromheen boerderijen die langzamerhand daar ontstonden. De terp was afkomstig uit de tijd dat het hele land overstroomde en er geen dijken waren. Later zijn de dijken gebouwd en is die grond droog geworden. Maar de structuur is natuurlijk blijven bestaan en die zie je terug in zo’n dorp. Er zijn wel dorpen waar de terpen zijn afgegraven, vanwege de vruchtbare grond. In het nabijgelegen Ezinge, werd de terp door de professor Archeologie van Groningen van Giffen helemaal afgegraven. Bij deze opgravingen is veel ontdekt van de vroegere bewoning.

Naast het oude kerkje van Oldehove ligt de terp uit de 11e eeuw, en daar stond op loopafstand het huis van de familie Veldkamp. Daar is Albert geboren.Vele kerken hebben legenden en het kerkje van Oldehove heeft de legende dat er mensen in nood op de Noordzee waren die beloofden dat als ze heelhuids aan land kwamen, ze daar een kerk zouden stichten. Aan boord van dat schip waren drie zusters, en die hebben die kerk daar inderdaad neergezet. Die kerk had 3 nissen in de toren en werd dan ook ‘De Drie Zusters’ genoemd. Heel veel kerken uit de omgeving zijn allemaal ook zo oud en dat kun je zien aan de aparte extra ingang aan de noordkant van de kerk, die destijds door de Noormannen gemaakt is.

Albert was enig kind en woonde daar samen met zijn vader en moeder. Alberts vader was belastingambtenaar. Hij moest boeren ‘beschrijven’, zoals hij dat noemde. Die boeren vulden niet zelf hun belastingen in, maar dat deed Alberts vader in opdracht van het Departement van Financiën voor hen. Eerst ging hij op de fiets en later op de motorfiets, die hij van ‘Financiën’ kreeg. Door deze baan onttrok het gezin zich een beetje aan de dorpse gemeenschap.

Alberts vader had niet uit weelde voor die functie van belastingambtenaar gekozen. Hij kwam uit een molenaarsfamilie. Alberts overgrootvader had een molen in Bellingwolde en die bestaat nog steeds: ‘Veldkamp Molen’. Vanwege de ernstige crisis in 1929 in Nederland, vooral in de landbouw, kwam de molen ook in de problemen. Alberts vader was werkzaam als molenaarsknecht maar had geen werk meer. Dus moest hij iets anders zoeken en is bij de douane gekomen in Drieborg. Hij spoorde daar smokkelaars op, etc.

Toen de oorlog uitbrak was hij inmiddels belastingambtenaar en Albert was 5 jaar. Er was toen weinig te merken van de oorlog want de Duitsers keken niet naar het dorp Oldehove. Alberts vader is wel bij het Verzet gegaan en Albert werd daarvan weggehouden. Hij had wel in de gaten dat er allerlei gesprekken waren met diverse jongelieden uit de buurt en zijn vader. Alberts vader had ook een wapen, maar wat daarmee gebeurd is weet hij eigenlijk niet. De lokale veldwachter zat ook in het Verzet. Er was op een gegeven moment een overval op de Gemeenteadministratie. Toen is het bevolkingsregister in de regenbak van het Gemeentehuis gegooid.

Er waren ook heel veel mensen ondergedoken bij boeren op het platteland, en daar was de verzetsgroep van Alberts vader ook bij betrokken; vooral voor de voedselvoorziening. Heel veel Nederlandse mannen waren vertrokken naar de 'Arbeitseinsatz' in Duitsland, maar als je dat niet wilde, moest je onderduiken. En dan was men vaak ondergedoken op het platteland. Dat was wel lastig. Want die ‘mollen’ moesten wel eten. En de bonkaarten waren niet voor hen uitgegeven.

 

In het dorp was er één NSB'er, een boer. Hij had een uniform en trad soms op in dienstverband in de naburige dorpen. Er werd bovendien een NSB-burgemeester benoemd. Er waren geen Joodse mensen in het dorp en maar één Katholiek. Het was vrij overzichtelijk.Er was een sterke verdeling tussen godsdiensten: Gereformeerden en Nederlands Hervormden. Die laatste gingen dan vaak naar de kerk achter het huis van familie Veldkamp. Dat was een vrijzinnige kerk met een ‘moderne’ dominee. De Gereformeerden hadden een eigen kerk met veel strengere leer. Familie Veldkamp was niet erg kerkelijk; ze gingen alleen met Kerst naar de dienst met de vrije dominee. Er was ook gescheiden onderwijs: de Gereformeerden hadden hun eigen scholen met de bijbel en daarnaast had je de openbare scholen. Albert zat op de openbare. Er werd ook niet onderling gespeeld met vriendjes van de andere scholen.

Naarmate de oorlog voortkroop, kwamen de Geallieerde luchtaanvallen op Duitsland op gang. Vooral ‘s nachts vlogen er vele vliegtuigen over, waarvan er enkele naar beneden werden geschoten. Eentje kwam neer op de bodem van de polder vlakbij. Daar ontstond een enorm gat. De Amerikaanse piloten en soldaten die erin hadden gezeten werden begraven op de begraafplaats van Oldehove. Later zijn die bemanningsleden herbegraven in mogelijk Margraten, meer een centrale begraafplaats.

Er was een bonkaarten-systeem:

 

De lokale bakker was niet geïnteresseerd in bonnen en bestelde gewoon zijn meel bij de molenaar. Je had twee molens in Oldehove. Naast een graanmolen, ook een oliemolen. De bakkers namen wel de bonnen van de afnemers maar wisselden ze niet in. Ze moesten wel wat bonnen laten zien als ze gecontroleerd werden en dat konden ze dan ook zo. Hetzelfde met de kruidenier. Niemand trok zich erg van dat bonnensysteem aan. Eigenlijk een soort onbezet gebied, terwijl het natuurlijk officieel wel bezet was. Oldehove kende dus ook geen honger, zoals een groot deel van Nederland. De mensen in de stad Groningen kenden wel honger. Maar Oldehove had genoeg voedsel dat om hen heen verbouwd werd. Dat was voor veel ‘Stadjers’ dan ook de voedselbron. Ze kenden ook geen kou in de winter, want de bomen werden gewoon gekapt en in de houtkachels en haarden opgestookt.

Aan het eind van de oorlog begonnen ze wel wat meer te merken in Oldehove dat het oorlog was. Toen trokken Duitse troepen zich terug naar Duitsland en kwamen vanuit heel Europa marcherend door het land richting Duitsland. Een enkele keer werden die soldaten dan ook ondergebracht in Oldehove, zoals overal elders. Dan sliepen ze in een school of werden ondergebracht bij particulieren. Als je een rang had in het leger dan werd je ingekwartierd bij burgers.

Zo kreeg de familie Veldkamp aan het eind van de oorlog nog een Duitser in huis. Een ‘Feldwebel’ (vergelijkbaar met sergeant-majoor). En die Duitser was anti-Hitler, en dat liet hij ook merken. Dat was een moeilijke positie, vooral ook omdat hij een hoge rang had en gedwongen was om in dienst te gaan. Hij was toch voorzichtig met het uiten daarvan, want voordat hij het wist zou hij gepakt kunnen worden! Hij was vrij slordig met zijn wapens. Die hingen bij de familie gewoon aan de kapstok!

Veel meer zorgen had Alberts moeder over haar oom en tante die in de stad Groningen woonden. Die hadden veel minder eten en liepen veel meer gevaar! En de stad werd ook flink beschadigd door gevechtshandelingen bij de bevrijding door de Canadezen! De Duitsers pasten in de stad ‘de verschroeide aarde’ toe, zoals aan de Grote Markt.

 

 

 

Ook gebeurde het een aantal keren dat terugtrekkende Duitsers op weg naar Duitsland door Oldehove marcheerden. Dan konden de kinderen ook niet naar school, want die werd bezet. Dan werd school verplaatst naar de kerk en kregen ze daar les. Die onderwijzers waren zeer vindingrijk in het vinden van plekken.

In Oost-Groningen, waar Alberts grootouders woonden, werd nog vrij ernstig gevochten. De Duitsers trokken via Delfzijl terug naar hun vaderland. Daar stond een groot afweergeschut op een klein eilandje Fiemel, en daar schoten ze mee naar overvliegende vliegtuigen van de geallieerden. Dit afweergeschut werd later gebruikt om de binnentrekkende gevechtswagens van de Polen en Canadezen te hinderen. Dat heeft ook wel slachtoffers gekost.

Allerlei NSB’ers uit dorpen in de omgeving en ook uit het dorp waar de grootouders woonden, verrieden die posities van de geallieerden. Dan werd er met het afweergeschut vanuit Delfzijl geschoten op de gevechtswagens in die dorpen. Eén daarvan werd getroffen voor het huis van Alberts grootouders en één voor het huis daarnaast. Dat buurhuis is helemaal opgebrand. Er zijn toen ook drie slachtoffers gevallen. Voor deze dorpelingen is ook een klein monument geplaatst in het dorpje.

Alberts grootouders zijn tijdig uit huis gevlucht en een paar kilometer verderop landinwaarts getrokken en ondergebracht in een boerderij. Na de bevrijding was er natuurlijk grote blijdschap in Oldehove en omgeving! Er werd ook een feest met optocht georganiseerd. Maar die waren dan wel weer totaal gescheiden: de Gereformeerden en de niet-Gereformeerden! De NSB’ers werden opgepakt door de Binnenlandse Veiligheidsdienst.

Albert heeft in de oorlog allerlei kranten bewaard met oorlogsinhoud. Velen waren propaganda van de Duitsers zoals foto’s uit het tijdschrift ‘Het Leven’. Maar sommigen waren verzetskranten, zoals ‘De Vliegende Hollander’ en ‘Het Parool’, die door de Geallieerden uit hun vliegtuigen werden afgeworpen. Als je die in bezit had en gepakt werd, werd je direct afgevoerd.