Lalla Weiss
Opgetekend door (J) Sjef Smeets
Maandag 4 mei 2026 b.g.v. de Nationale Herdenking op de Dam in Amsterdam sprak Lalla Weiss namens de Sinti- en Romagemeenschappen in Nederland.
Niet eerder kreeg bij deze jaarlijkse plechtigheid een spreker namens deze gemeenschappen het woord.
Zij zei daar o.a.:
“Vandaag zijn we verbonden in de herinnering aan de mensen die ons door oorlog en vervolging ontvallen zijn.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn er miljoenen mensen in de vernietigingskampen vermoord.
Het is minder bekend dat hier ook vijfhonderdduizend Sinti en Roma het slachtoffer van waren.
Aan mijn moeders kant keerden vierentwintig familieleden niet terug uit de concentratiekampen en aan mijn vaderskant tweeëntwintig.
Ik ben Lalla Weiss, dochter van Hannes Weiss”
Elf dagen later, op 15 mei 2026, bezochten we, de op 7.12.1961 in Den Haag geboren, mevrouw Lalla Weiss in Best (N.Br.). Haar officiële Sinti-voornaam is “Zielwa”
Die twee namen, dat komt zo:
Voor de buitenwereld heet ik Zielwa, dat wordt uitgesproken als Silva. Mijn oudste broer was invalide, hij kon niet praten. Toen mijn moeder uit het ziekenhuis kwam en mij aan hem liet zien, toen zei hij “Lalla” En dat ben ik gebleven.
Ons verzoek om een interview voor STIBO resulteerde in een fijne ontmoeting. Onze vraag was: “Wat zou vader Hannes Weiss ons vertellen als hij nu hier bij ons zou zitten?”
Lalla, vaders’ jongste dochter, heeft hem beloofd om, wanneer hij dat zelf niet meer kon, de oorlogsgeschiedenis van de familie Weiss te blijven vertellen. Dat indrukwekkende, gedetailleerde levensverhaal werd zorgvuldig en zonder overdrijving door Lalla aan ons overgedragen: Mijn vader is geboren in Rotterdam op 24 april 1928 en overleden op 19 juli 2011. Mijn moeder, Jozefien Weiss, op 10 mei 1928 geboren in Duitsland. Zij overleed al in 1976.
Mijn vader woonde in Den Haag toen de oorlog uitbrak. Toen is het gezin al snel - eind 1942, begin 1943 - met een handkar, rond gaan trekken. Als ze te lang op een plek bleven, dan zouden ze gevonden kunnen worden. De Duitsers waren onderhand “klaar” met de Joden. En toen hebben ze de pijlen op die van ons gericht. Wij werden door de Duitsers als “Untermenschen’ gezien. (Deze term werd destijds gebruikt om de vervolging, slavernij en massamoord (zoals de Holocaust) op Joden, Roma, Sinti, Slavische volkeren en politieke tegenstanders te verklaren. J.S.)
Hannes Weiss was pas vijftien toen in Nederland de jacht op “zigeuners” begon. Zijn vader was toen al overleden en zijn oudste broer was longziek. Dus Hannes werd automatisch “de man” in huis. Hij zag er vrij volwassen uit en moest het gezin draaiende houden. Hij heeft dus niet lang echt kind kunnen zijn. Die van ons kregen van de overheid geen voedselbonnen. Hij moest zorgen voor eten en zorgen dat de kinderen en mijn Oma veilig waren. Dat heeft hem veel spanning opgeleverd en energie gekost. Vader werkte veel bij de boeren op het veld voor een stuk kaas of spek, of voor een kip. Oma deed handlezen, toekomst voorspellen, ging met Brusselse Kant langs de deuren. Maar ze kon in die tijd niet meer naar België toe om dat materiaal te kopen. Ze vlocht ook poppetjes van stro en kleedde die aan. Die verkocht ze voor een paar centen. Ze waren al blij als er dagelijks brood was. Maar de familie heeft ook gras gegeten tegen de honger.
Er waren tijdens de oorlog al zes kinderen in het gezin: Ome Janus, mijn vader, Ome Pienda, Tante Marietje, Tante Greta en Tante Miela. De oudste was van 1926.
Mijn vader liep op een avond op staat en zag allemaal Duitse militairen en politie voor de bioscoop staan. Hij wist dat vrienden en familieleden binnen waren. Een dag tevoren had hij bij een Duitse soldaat een hakenkruis kunnen “organiseren” en dat op zijn revers gestoken. Dus hij liep naar die Duitsers toe, deed de Hitlergroet en zei: “Binnen zitten muzikanten, die moeten gelijk meekomen om op te treden voor een hoge persoon”. Hij liep naar binnen en haalde iedereen uit de zaal, liep de Duitsers buiten voorbij en zei voor de vorm tegen de mensen die hij gered had: “Ihr Schweinehunde, raus”. Toen hij halverwege de straat uit was, riep hij: “Jongens, nu iedereen voor zichzelf”. De een ging met zijn meisje in een hoek staan zoenen, anderen renden weg. Mijn vader is naar huis gelopen. Hij is in de oorlog ook een tijdje als vrouw, op hakken, door het leven gegaan. Dan had je het gemakkelijker. In zo’n moeilijke situatie word je vanzelf vindingrijk.
Mijn moeder kwam uit Duitsland en mijn vader was gewoon Nederlander en had een Nederlands paspoort. Daarmee was hij veilig tot 16 mei 1944. Toen is er een bevel uitgegaan van de hoogste politiefunctionaris in ons land dat iedereen met zigeunerachtige gezichtstrekken, of wie leefde als zigeuners, die dag tussen ’s morgens 07.00 uur en
’s Avonds 20.00 opgepakt en naar Westerbork vervoerd moest worden. Toen begon de zigeunerrazzia. Die dag zijn er meer dan 500 mensen opgepakt en daar is geen Duitser aan te pas gekomen. Het waren allemaal Nederlandse politieagenten, die de order uitvoerden.
Zij deden dat zo grondig, dat ze zelfs meer dan 200 mensen, die gewoon in een woonwagen woonden, maar geen Sinti of Roma waren, meenamen. Die zijn in Westerbork weer vrijgelaten. Een groep Roma mocht ook weer naar huis, omdat zij papieren hadden uit Guatamala (centraal Amerika). Zo bleef er een groep van 245 mensen over, merendeels Sinti en enkele Roma. Op 16 mei gingen ze naar Westerbork en op 19 mei daarvandaan naar Auschwitz. Daar arriveerden ze, na een mensonterende reis van drie dagen, op 21 mei.
Mijn vaders’ familie was daar gelukkig niet bij. Oma was met de kinderen ondergedoken bij een boer in de Achterhoek. Op zijn land had hij een schuurtje staan, waar hooi of stro in lag. Daar ging Oma met de kinderen naar binnen. Ze had ook een neefje bij zich, Zoni. Toen ze er drie dagen zaten, was het eten op. De kinderen kregen honger, dus mijn vader moest naar buiten om ergens iets te “organiseren” (te stelen dus). Toen is hij door de politie gepakt. Hij werd op het politiebureau geslagen met stokken en met stalen pijpen onder zijn voeten. Maar hij hield zijn mond. Oma was zich ervan bewust, dat ze het niet zouden redden als mijn vader niet terugkwam. Dus is ze met de kinderen het politiebureau ingelopen en heeft zich overgegeven. Dat moet in Zutphen of Apeldoorn zijn geweest. Maar daar was ook een “goeie” politieagent. Hij gaf Oma een homp donker brood en stopte haar met de kinderen bij vader in de cel. Zij werden ’s morgens vroeg naar Assen gebracht, waar de trein kwam naar Westerbork. Die “goeie” agent was daar ook weer. Hij had gezegd: “Als ik op het perron mijn pet afneem, dan gaan jullie rennen. Waar naartoe moet je zelf maar zien. Maar je moet niet in de trein stappen, die aankomt. Het beste is dat jullie in de trein springen, die aan de andere kant van het perron staat”.
Sintifamilies hadden de gewoonte tijdens het rondtrekken tekens achter te laten op de weg. Sommige families stapelden dan bepaalde stenen op elkaar, of legden stenen in een bepaalde vorm op de grond. Anderen knoopten gras op het draad om het land van een boer. Mijn familie deed dat met kleuren. Een dag voor de razzia was Zoni, het neefje wiens ouders toen ook met een woonwagen daar in de buurt in het bos stonden, bij Oma gekomen. Hij wilde bij haar blijven om met zijn neefjes te kunnen spelen.
De vader van Zoni had tussen de tralies van een raampje van de veewagon, waar zij in stonden het kleurige vestje van Zoni gestopt. “Dus als er familie op dat station zou zijn, dan zagen ze waar ik zat.” Oma en Zoni’s vader zagen elkaar inderdaad. Hij riep naar Oma: “Moesla, let goed op mijn jongen”. Op dat moment had die “goeie” agent zijn pet afgezet. In de chaos renden Oma en de kinderen, zoals was aangeraden, naar de trein aan de andere kant van het perron. Zo zijn zij de dans ontsprongen en toen niet in Westerbork of Auschwitz terecht gekomen. Bij de razzia is echter het hele gezin van Zoni’s ouders meegenomen en was Zoni de enige overlevende van dat gezin.
De familie van mijn moeder stond op het station van een dorpje bij Arnhem. Die zouden daarvandaan weggevoerd worden naar Assen. Zij hadden vijftien kinderen, twaalf jongens en drie meiden. Alle zonen waren muzikant. Mijn grootvader was Tata Mirando van het Koninklijk Zigeunerorkest, met die naam. Een van de zonen pakte op het perron zijn viool en begon te spelen. Toen kwam Toni Boltini van het gelijknamige circus aangelopen. Zijn hele orkest, allemaal Joodse mensen, was een paar dagen eerder op transport gezet naar Auschwitz. Dus kon hij ook niet meer voor de Duitsers optreden. Hij liep op het station naar een bevelhebber van de politie en vertelde dat. Mijn grootvader had tegen hem gezegd: “Ik heb een heel groot orkest”. Boltini zei tegen de politieman dat hij met Tata’s orkest zou kunnen optreden om ook de Duitsers te amuseren. Dus toen mocht hij alle muzikanten van Tata’s orkest meenemen. Opa ging bij Boltini met twaalf jongens in de muziekbak aan het werk en Oma hiepl met de jongste dochter in de keuken. Mijn moeder werd de assistente van een slangenmens en een van mijn Tantes was assistente van een acrobaat. Zij hebben ontzettend veel geluk gehad om zodoende in leven te kunnen blijven. Het hele gezin met 15 kinderen kwam namelijk levend door de oorlog heen.
In betere tijden
Lalla’s grootvader van moeders’ kant was Joseph Weiss, de beroemde 'Tata Mirando. Hij was een Sinto die werd geboren op 6 maart 1895 te Opfikon, Zwitserland, als zoon van Johann Weiss en Magdalena Krems.
Om de zoveel dagen moest de familie verder trekken. Soms verspreidden ze zich omdat de groep met 15 kinderen plus vader en moeder te groot was. Het liefst bleven ze bij elkaar natuurlijk. Ze hadden twee woonwagens met stapelbedden en matrassen in de woonkamer. En de jongens gingen onder de wagens in de bagagebakken liggen met wat stro. Maar ze moesten wel in Nederland blijven. Een van de wagens is in beslag genomen, net als de paarden. Toen had Oma alleen nog maar een handkar, een soort kruiwagen, maar dan iets groter en dieper. Daar zaten de kleinste kinderen op.
Om vijf, zes uur werd het donker en dan gingen ze kijken of ze ergens bij een boer terecht konden. Belangrijk was ook daarbij: is het een katholieke of een protestantse boer? Hing er een kruis in huis met het lichaam van Jezus, dan waren ze katholiek, En anders waren ze protestant. Om kans te maken binnen te mogen komen ging de familie dan katholieke of protestantse liedjes zingen. Straatslim, he.
Ik herinner me ook nog een verhaal, dat een Ome Kokallo uit Arnhem, een broer van mijn moeder, vaak vertelde. Hij zag in de stad ergens een paar kinderschoentjes liggen en dacht natuurlijk: “die neem ik mee naar huis voor onze kleinste”. Maar de ene schoen was zwaarder dan de andere. In die ene zat nog een kindervoetje.
In die tijd hebben mensen dingen meegemaakt, die wij ons niet kunnen voorstellen. Mijn moeder kwam op een gegeven moment op het idee om van het hele gezin de haren te verven. Ze dacht “Als ze allemaal blond zijn, dan vallen ze niet meer op. Maar ze hadden een hele donkere huid. En zwarte haren kun je niet blond maken, die werden allemaal oranje. Toen vielen ze nog meer op.
Mijn Oma heeft ook regelmatig tijd bij een sloot gezeten. Als er vliegtuigen overkwamen of er reden tanks voorbij, dan gingen ze in de sloot staan. Dus door de knieën, hoofd onder water en ademen door een rietje. Maar ze had ook een kleine baby bij zich. Ze hield de neus en de mond van het kindje dicht, telde tot tien en dan kwam ze weer boven water, in de hoop dat er niemand aan de rand stond en hen zou zien. Ze ademde ook door dat holle rietje in, liet het neusje van het kind los en blies in het neusje, zodat het toch adem kreeg.
De oudste zoon van mijn grootvader aan moeders’ kant is nog wel even in België geweest, maar daar was het niet beter dan hier. Ook daar werden de Sinti opgejaagd.
Lalla vervolgt: Hier in Nederland was iemand in een overheidsfunctie, van Doorn heette die man. In de oorlog was hij al fout, d.w.z. hij had iets tegen mensen die in een woonwagen woonden. Van hem was ook een artikel over “Die nutteloze eters”, (vertaling van de Duitse term “Nutzlose Esser”, die door het naziregime werd gebruikt tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een denigrerend label voor mensen die door de nazi's als economisch of biologisch overbodig of minderwaardig werden beschouwd en daarom werden uitgesloten van voedseldistributie, of doelbewust werden vermoord. J.S.). Het regime schreef toen voor dat er een slagboom bij het woonwagenkamp kwam met een politieman daarbij. Die registreerde wie er af ging of erop wilde, er waren scholen op het kamp, want onze kinderen mochten niet naar gewone scholen.
Mijn vader heeft zijn oorlogservaringen nooit achter zich kunnen laten. Hij is uiteindelijk erg verbitterd geraakt en met reden. Hij heeft in een noodsituatie een Duitse militair vermoord. Het was rond de bevrijding, dat hij ergens gesnapt werd, waar hij aardappelen had gestolen. De Duitser had de revolver tegen zijn hoofd gezet. Mijn vader was heel lenig doordat hij veel aan acrobatiek deed. Hij maakte een salto en daarbij sneed hij in een beweging de keel van de Duitser door. Daar had hij het ontzettend moeilijk mee.
Tegen de bevrijding zwierf de familie van mijn moeder rond in de regio Gelderland. En die van vaders’ kant waren weer langzaam richting Den Haag en Rotterdam gegaan. Op onze vraag of er sinds de bevrijding veel ten goede gekeerd is voor de Sinti, citeert Lalla haar vader, die zei: “Wij, Sinti en Roma, zijn niet bevrijd geworden”.
Ze kregen geen hulp en trokken zich terug, meestal in een bos. Om te kunnen slapen hadden ze oude lakens en doeken met lijmzaad ingesmeerd, zodat het water er als het regende niet doorheen kwam. Ze stookten een vuurtje. En als het vuur uitgebrand was, verspreidden ze de kolen, zodat de grond warm werd. Daar ging, onder die lakens, stro op en dan hadden ze een warme slaapplaats. Langzaamaan bouwden ze helemaal zelf weer wat op, zodat ze een woonwagentje konden kopen. Ze zijn een hele tijd in Nederland blijven reizen. Totdat in de jaren zestig de Woonwagenwet kwam. (De 'Woonwagenwet - van Doorn 1968 - verwijst naar het beruchte plan "De woonwagens moeten verdwijnen" uit 1941, geschreven door de Nederlandse ambtenaar Laurus van Doorn. Het document vormde een historisch dieptepunt in het Nederlandse woonwagenbeleid, waarin werd gepleit voor de algehele vernietiging van de woonwagencultuur. In zijn voorstel drong Van Doorn er bij zowel de Nederlandse regering als de Duitse bezetter op aan om de woonwagenbevolking, waaronder veel Roma en Sinti, hard aan te pakken. Zijn doel was om de woonwagens volledig te laten verdwijnen en de cultuur van het rondtrekken definitief de kop in te drukken. J.S.)
Het huis in Dieren was helemaal aangepast met verlaagde plafonds en houten wanden. Maar mijn moeder kon niet aarden. Dus kochten we in 1970 toch maar weer een woonwagen en gingen naar het woonwagencentrum in Best. Daar waren b.v. geen toiletten. Daarvoor moest je letterlijk en figuurlijk het bos in. Er was één pomp, waar je water kon halen. En ook maar één stroompaal. Dus regelmatig brandden de zekeringen door. De straat was er onverhard, dus als het geregend had, was het een grote modderpoel. Er was zoveel onrechtvaardigheid. Toen we nog in Dieren woonden, ging ik op normale tijden naar school. Maar toen we hier in Best kwamen, konden wij, de kinderen van de Terraweg (waar het woonwagencentrum is), pas om kwart over drie naar school. Wij mochten daar pas komen als de burgerkinderen naar huis waren. Dan heb ik het over het jaar 1972.
Toen heeft mijn vader zich opgeworpen als belangenbehartiger voor de Sinti en Roma. Eerst werd hij “inspreker” hier in Best, ook voor de kleinere centra hieromheen. Hij bereikte dat het kamp verhard werd en dat er vervoer kwam naar school.
Hij zette vanaf 1982 ook de jaarlijkse bedevaart op naar De Kapel van “O.L. Vrouw in ’t Zand” in Roermond. (Jaarlijks komen Sinti uit de hele Euregio naar Kapel in 't Zand om elkaar te ontmoeten, muziek te maken en samen te bidden.) Mede daardoor werd hij steeds meer landelijk en zelfs Europees het aanspreekpunt voor belangenbehartiging.
Mijn vader heeft ons ook wel belast met zijn oorlogstrauma. Hij had een heel arsenaal wapens verzameld voor het geval we ons weer zelf zouden moeten beschermen en verdedigen. Landmijnen en handgranaten zaten verstopt in de banden van onze woonwagens. Als het hem weer eens te veel benauwde, werd hij schreeuwend wakker. Dan moesten we als kinderen alle zeven in de rij gaan staan. En moesten we herhalen wat we zouden moeten doen als het weer fout zou lopen. Hij gaf ons dan wapens en leerde ons hoe we daarmee om moesten gaan. Allerlei opdrachten uitvoeren dus, in de houding gaan staan, altijd alert zijn en achteromkijken. Altijd in de buurt van een uitgang blijven als je ergens binnen was. Dat is mijn erfenis, de “Rugzak vol wantrouwen”, waar ook de theatervoorstelling over gaat. (Zie hieronder). Ik begon die alleen met vertellen, maar er is een Trio bijgekomen van mijn neef uit Arnhem, “Koninklijk Roma Heina Mirando Trio”, violist, bassist en gitarist. Die laatste zingt ook. Cillia Mies danst en zegt gedichten op. Zij beeldt uit wat ik in de voorstelling vertel.
We spraken over wat je vader gedaan heeft. “Op welke manier heb jij zijn rol overgenomen?” was onze vraag. Ik heb zijn vertegenwoordigende functie geleidelijk overgenomen. Zo kwam ik o.a. bij de Raad van Europa en heb ik in de negentiger jaren de Verenigde Naties mogen toespreken in New Tork.
Twee jaar geleden ben ik met het Nederlands Auschwitz Comité naar de concentratiekampen in Polen geweest. Wij waren toen ook in Majdanek, bij de grens met Kroatië, daar hoorde je de bominslagen. Ik was van plan om reizen te gaan organiseren naar concentratiekamp Auschwitz.
Sommige Fondsen wilden die groepsreizen mede financieren. De eerste keer, in 1992 of 1993 was ik er helemaal alleen naartoe gegaan om te ervaren wat het met mij zou doen. Het kon natuurlijk niet zo zijn dat ik als reisleidster tegen de grond zou gaan. Het was heftig. Enfin, de tweede keer was ik er met een klein groepje jongeren, om te zien wat het met hen zou doen. En toen is Jack Grishaver meegegaan, de toenmalige voorzitter van het Nederlands Auschwitz Comité. Omdat ik niet door die poort met het opschrift “Arbeit macht Frei” durfde, pakte hij me toen onder zijn arm en zei: “Kom op, er onderdoor. En nu gaan we weer terug en dan doen we dat nog ’n keer. Het is ze niet gelukt, wij zijn er nog, Lalla. Ze waren bang voor ons, daarom wilden ze ons uitmoorden. Wij zijn sterk en daarom staan we nu hier”
Dat heeft me zoveel moed opgeleverd, dat ik een maand later met een bus met drieënvijftig mensen er naartoe ben gegaan, ouderen en jongeren. Die reizen heb ik acht jaar achter elkaar gedaan. Ik zoek ook nu weer de nodige financiën om zo’n reis te kunnen bekostigen, bij voorkeur met Sinti en Roma. Zijn er plaatsen over, dan kunnen ook andere mensen mee. Een vriendin, Carla Hardy, kwam bij me op bezoek en zag de schriften op tafel liggen, waarin ik veel heb opgeschreven. Zij stelde vast dat we van mijn aantekeningen een heel mooi theaterstuk konden maken. Zo is het gekomen dat ik nu de theaters af ga met de theatervoorstelling “Een rugzak vol wantrouwen”. Door middel van oral history, muziek en theater wordt het publiek meegenomen in verhalen over identiteit, herinnering en de impact van generaties lang wantrouwen en uitsluiting.
Met deze voorstelling wil o.a. het Herinneringscentrum Hornemann in Eindhoven (31 mei 2026) ruimte bieden aan verhalen die een belangrijke plaats innemen in de Europese geschiedenis. Door kunst en herinnering samen te brengen ontstaat ruimte voor bewustwording, dialoog en reflectie, toen en nu.
De voorstelling wordt gemaakt door een betrokken team van kunstenaars. Het script en de regie zijn in handen van theatermaker Carla Hardy, met een vertellende rol voor Lalla Weiss. Dans en spel worden verzorgd door Cillia Mies-Holzken en de live muziek wordt uitgevoerd door het Koninklijk Roma Heina Mirando Trio.
Het is niet gebruikelijk om eigen gevoelens aan de STIBO-interviews mee te geven. Maar bij hoge uitzondering past mijnerzijds hier heel veel bewondering en diep respect. Ik wens Lalla en de haren veel sterkte en kracht in de huidige onzekere wereldtijd”. Ook de voorstelling maakte diepe indruk op mij.