Paul Weijts
Opgetekend door (J) Sjef Smeets
Vandaag, 9 juni 2026, noteerden we in Eindhoven de oorlogsherinneringen van de, aldaar ook op 24.1938 geboren, heer Paul Weijts: Ik was twee jaar en vier maanden, toen de oorlog uitbrak. Wij woonden in Eindhoven, op de hoek Barrierweg/Boschdijk. Ik herinner me dat over die doorgaande weg richting Best Duitse soldaten voorbij marcheerden met paarden, waarachter een karretje of een kanon hing. Het moet zal in die zomer geweest zijn. Dat is mijn oudste herinnering.
Ons gezin bestond uit vader, Fons Weijts, (geboren in Vught 22.12.1900 en overleden in 1977), moeder, Cato Helene (Corrie) Weijts – van der Heijden, (geboren in Nijmegen 27.9.1906 en overleden in 1994), mijn broer Hans (van 1936) en mijn zus Annelies (van 1939). In 1943 maakten wij een uitstapje naar de dierentuin in Tilburg. Mijn moeder liep met een dikke buik. Bij het ooievaarsverblijf, zongen we: “Ooievaar, lepelaar breng bij ons een kindje.” En in de paasvakantie, op 7 april, kwam inderdaad mijn broertje Fons erbij.
Van de oorlogssituatie merkten we eerder nog weinig. We gingen vaak op familiebezoek in het land. Bijvoorbeeld naar Rotterdam, waar een zus van mijn vader, tante Jopie, oftewel Marie van Stekenburg - Weijts woonde. Haar man, Alexander, kwam om het leven bij het 2e bombardement op Rotterdam (31 maart 1943 uitgevoerd door de geallieerden, specifiek gericht op de scheepswerven in Rotterdam-West en de wijk Delfshaven. J.S.). Tante Jopie woonde daarna als weduwe in een groot huis op de hoek ’s Gravendijkwal-Mathenesserlaan, het huis met een torentje waar een klok in hing. Ze had twee Joodse jongens in huis opgenomen, die zaten helemaal boven in dat torentje. Tante moest als weduwe zelf zien aan inkomsten te komen. Dus verhuurde zij kamers. En zo woonden op de verdieping onder dat torentje gedurende wel twee jaren twee Duitse marineofficieren. Tante woonde met de kinderen op zolder. En ze gebruikten zelf ook de keuken. Gedurende de hele oorlog heeft ze ook nog een oude Joodse dame, Frau Keitel, onderdak geboden. Hoe ze dat veilig uit elkaars’ zicht hield, is me nog een raadsel.
We gingen ook wel eens naar een zus van mijn moeder, die in Oss woonde. In de trein daarnaartoe kwam de Grüne Polizei langs: “Ausweis bitte”. Dat kan ik me nog wel herinneren. Mijn grootvader Weijts, afkomstig uit Vught, zat tijdens de oorlog met zijn vrouw in Son in een huis voor ouden van dagen. Grootvader fietste daarvandaan vaak naar Eindhoven, om bij ons de krant op te halen.
In Boxmeer bezochten we de oudste broer van mijn vader, Christ Weijts. Dat was een NSB-er. Zijn vrouw, Annie Weijts – van der Heijden, was ook fanatiek pro-Duits. Zij kwam uit Helmond. En in Amstelveen gingen we naar mijn tante en peetoom. En ook nog naar een tante in Maastricht reisden we. Haar man was kapitein geweest in het leger en in 1940 bij de capitulatie gevangengenomen. Toen ik ’n keer op weg was naar de noodkleuterschool in de Woenselsestraat, via wat wij het “zwarte pad” noemden, raakte ik gewond. Er was een luchtgevecht aan de gang toen we er liepen met een non en juffrouw Panhuizen. Er werd geroepen: “In de sloot, in de sloot.” Dus wij sprongen in de sloot. Toen ik daaruit kwam, was ik gewond aan mijn been. Toen was ik natuurlijk de held van de dag, wang ik had niet eens gehuild.
Ook nog in de oorlog, gingen we een keer met de trein naar Oss. Daar kreeg ik een konijn in een doosje met gaatjes erin. Mijn vader timmerde er een hokje voor. Maar het bleek een Vlaamse Reus te zijn. Dus hij groeide hard, knalde gemakkelijk uit dat hokje en ontsnapte regelmatig. We hadden thuis geen schuilkelder. Wel een kelder onder de trap. Als we de sirenes hoorden, dan gingen we daar zitten. Het was er een beetje vochtig. Mijn vader had er een houten vlonder in gemaakt. Daarop lagen wij met de drie kinderen te slapen. Mijn moeder zat op het trapje naar beneden met de baby. Mijn vader stond buiten naar de luchtgevechten te kijken.
Onderwijzer Fons Weijts
Mijn vader stond als onderwijzer aan de school in onze straat. Die school, de “H. Johannes Vianney”school”, werd geleid door hoofdonderwijzer Barts. (Vianney was een dorpje in Frankrijk, waar pastoor van Ars werkte voordat hij onze parochie stichtte.). Barts had twee dochters, Leida en José. Die laatste kreeg iets met een Luftwaffe-piloot van vliegveld Volkel. Ik weet nog wel dat mijn moeder mij meenam met de bus daarnaartoe, op visite. Daar kreeg ik twee houten speelgoedgeweertjes mee, een voor mij en een voor mijn broer Hans, met een gele loop en verder zwart geverfd. Er zat een slinger aan. Als je die ronddraaide, dan ratelde het. José is via mijn ouders naar mijn tante Jopie in Rotterdam gegaan, waar ze bevallen is van dochter Gisella. Haar Duitser hebben we later trouwens nooit meer gezien.
In 1942 gingen we met het gezin naar de Sinterklaasviering in het Rembrandt Theater in het centrum van Eindhoven. Net toen we wilden vertrekken, schoten alle knopen van de jas van mijn zus Annelies eraf. Mijn moeder vond dat die er eerst weer aangezet moesten worden. Ik liep alvast met mijn vader en broer naar de stad. Vlak bij het centrum ging ineens het luchtalarm af. We moesten snel schuilen. We renden een tuin in en doken achter de bosjes. We hoorden explosies en zagen even later dat de Philipsfabrieken in brand stonden. Mijn vader, broer en ik renden terug naar huis. Onderweg kwamen we mijn moeder en zus tegen. Door het aanzetten van de knopen, waren we vertraagd en nog niet in het theater aangekomen. Daardoor hebben we het overleefd. Bij dat “Sinterklaas-bombardement” zijn 140 burgers omgekomen. Na dat bombardement op het centrum van Eindhoven kwamen bij ons mevrouw en meneer Verleg in huis. Zij kregen de voorkamer boven, wat mijn slaapkamer was. En ze kookten op een gasstel in de aangrenzende badkamer. Theo Verleg was chauffeur op de stadsbus. Als mijn moeder hem later in functie achter het stuur aantrof, dan gaf ze een dubbeltje of zoiets extra. Zijn vrouw had een klein hondje. Op ’n gegeven moment hadden we ook twee Tommies (bijnaam voor Britse soldaten) in huis, die op zolder sliepen. Toen ze ’n keer bij ons aan tafel zaten, viel er een V1-bom in de Kruisstraat. Het hondje begon te keffen en de Tommies doken onder de tafel. Dat hondje had de nadering van de bom gehoord.
Mijn vader was al vanaf de twintiger jaren lid van de St. Vincentiusvereniging. (“Vincentiusvereniging Nederland” was er voor mensen die hulp nodig hadden bij armoede, eenzaamheid of andere problemen. J.S.) Die vereniging werd door de Duitsers opgeheven. Toen kwam de NSB-oom uit Boxmeer en spoorde mijn vader aan om voor de Winterhulp te gaan werken. (De “Stichting Winterhulp Nederland” was de nationaalsocialistische organisatie, die tijdens de Tweede Wereldoorlog alle maatschappelijke hulp, zoals verleend werd door de overheid, particuliere en kerkelijke organisaties in Nederland moest overnemen. J.S.) Mijn vader is inderdaad bij de Winterhulp gaan werken, naast zijn onderwijzersbaan op school. Het lukte alsmaar niet om ergens hoofdonderwijzer te worden. In 1943 werd hij gevraagd voor het “Opvoedersgilde”. (Een NSB-organisatie, opgericht op 21 september 1940 met het streven opvoeding en onderwijs te herzien in nationaalsocialistische zin, m.a.w. ter politieke indoctrinatie van de jeugd. J.S.). Mijn oom uit Boxmeer suggereerde dat mijn vader daar misschien wel regiohoofd kon worden. Na zijn inschrijving is hij er van 1943 tot aan de bevrijding werkzaam gebleven. Hij had er geen hoge functie, maar hoopt e.e.a. in goede banen te kunnen leiden. Dat lidmaatschap is hem later zwaar aangerekend. Hij heeft daarvoor n.l. twee jaren in interneringskamp Vught gezeten.
De P.A.N.-lui (“Partizanen Actie Nederland” tijdens de bevrijding actief in de regio Eindhoven, met name in Woensel-West) in hun blauwe uniformen, met oranjeband om de arm, helm op en stenguns in de hand, kwamen mijn vader halen op 18 september 1944, de dag dat Eindhoven bevrijd werd. Mijn vader begroette ze vriendelijk. Er waren twee jongens bij die bij hem op school hadden gezeten. “Wij komen U halen, meneer Weijts.” Mijn vader zette zijn hoed op, gaf mijn moeder een kusje en werd de straat uit afgemarcheerd, richting Eindhoven centrum. Hij werd daar naar de Don Boscoschool gebracht. Wij zijn er ’n keer naartoe gegaan om hem in een klein koffertje kleding te brengen. Hij stond daar achter een hek.
Grappig om hierbij te vertellen, in Oss bij mijn tante was een neef, Gerard Jansen, die voor de oorlog twee jaar bij mijn ouders had gewoond, omdat ze bij hem thuis erg arm waren. Direct na de bevrijding ging hij bij de Royal Air Force, die hier toen jongelui aanwierven. Hij had een hele korte opleiding gekregen, kreeg een soldatenuniform en werkte voor de bevrijders bij de Don Boscoschool. Hij sprak goed Engels en moest gedetineerden ondervragen over hun gedrag in de bezettingstijd. Mijn vader werd overgebracht naar Kamp Vught, waar hij officieel twee jaar is gebleven. Omdat hij uit Vught kwam, kende hij daar iedereen, b.v. mensen die er in de keuken werkten. Zijn broer Sjef was in het Kamp onderhoudsmonteur. Vader moest van alles doen, b.v. in Den Bosch gaan schilderen en behangen. Ik ben ook een of twee keer met moeder bij het Kamp geweest. Daar vlakbij is een grote recreatieplas, de “IJzeren Man.” Als wij daar zaten, kwam mijn vader door het hek naar ons toe. Dat kon allemaal. In die tijd ging hij zelfs regelmatig vanuit Kamp Vught, als invalonderwijzer, waar groot gebrek aan was, aan het werk in Oss, in Liempde en nog ergens. Dan verbleef hij in die plaatsen bij een hospita. In Oss logeerde hij bij een schoonzus. Hij kwam na twee jaar thuis. De pastoor en ook een advocaat kwamen daarvoor bij ons langs. Die instrueerden vader om bij het Gerecht zijn misstap te verklaren door te zeggen dat hij zoveel moeite had gehad met het communisme en daarom de Duitsers hier steunde. Hij kreeg met moeite een baan in Nuenen, waar hij geaccepteerd werd door de collega’s. Zij vonden hem op zich een geweldige goeie kerel, die een foute keuze had gemaakt.
Ik ging in onze straat naar de bewaarschool, de latere kleuterschool. Achter de drie scholen daar was geen bebouwing meer. Daar hield Eindhoven op. Een heel eind daarvandaan woonde boer Veldkamp, waar mijn ouders naartoe gingen. Daar haalden we ook extra eten. Boer Veldkamp, waar wij wel eens eten haalden, had een zoon van 17, die naar Duitsland zou moeten voor de Arbeitseinsatz. Mijn vader gaf hem al Duitse les. Zijn kennis van het Duits bleek een excuus om in Nederland te kunnen blijven. En als Duitssprekende Nederlander de Duitsers hier behulpzaam te zijn. Maar de jongen is ondergedoken.
Op de hoek van de straat kon je ook nog heel lang de inslagplaatsen zien van mitrailleurvuur uit vliegtuigen. Dat waren toch heftige belevenissen. Bij een van de scholen in de straat kon je in een veldkeuken van de Engelsen binnenkijken. Ik had een dubbeltje en vroeg: “Can I have a sandwich, please?. En ze gaven me een dikke boterham met boter en jam.” Heerlijk was die. Ik ging pas in 1945 naar de Lagere School, die toen in de sacristie van de Pastoor van Arskerk zat. School was er eerst namelijk niet voor me. De schoolgebouwen zaten vol geallieerde soldaten, nadat er in de oorlog ook de Hitlerjugend al gezeten had, die regelmatig zingend de straat door fietsten. De laatste twee van zo’n stoet fietsten ’n keer op de bakfiets van mijn vriendjes’ vader, een melkboer. Die bakfiets kiepte om en de melk liep over de straat. Een Duitse officier zette de knapen op hun nummer. En gebood hen om de melkboer geld te geven om de schade te vergoeden. Dat zagen wij allemaal gebeuren.
Ter afsluiting van ons interview een foto het gezin in 1956:
1956 Vader Fons, dochter Annelies, zoon Fons, zoon Paul, zoon Hans, Moeder Corrie