Riet Wittebrood

Opgetekend door Naomi Stern

Ik werd geboren op 13 augustus 1927 aan de Voorweg in Schoorl.Mijn ouders hadden daar een winkeltje in grutterswaren o.a. groene zeep in grote ton en stroop en suiker. Niet in potjes of zakjes, alles moest worden afgewogen. Wij waren met negen kinderen. Wij moesten in het weekend ponden en kilo’s suiker afwegen en ik zakken doen voor vader want die ging maandagsochtends naar de klanten naar Camperduin en Schoorl. Hij ging horen (de bestellingen opnemen) en dat moesten wij dan wegbrengen.

10 mei ‘s ochtends om 4 uur kwam moeder onze slaapkamer binnen en zei: Kinderen het is oorlog. We wisten wel dat er wat aan de hand was. De mobilisatie was afgekondigd en er werd natuurlijk over gepraat. Hoe vonden jullie als kinderen dat er oorlog was. Ja, het was gewoon zo. Zo was het leven nu. Ik was toen 13. Wij hadden een paardje Pietje. De Duitsers wilden Pietje meenemen want ze wilden de Schoorlse Zeeweg aanleggen. Daar hadden ze paarden voor nodig. Vader wilde het niet. Pietje was zijn grote vriend en hij had hem nodig voor op het land waar onze koeien stonden en de kippenschuur was.
‘Jullie krijgen mijn Pietje niet. Wegwezen anders rijg ik jullie aan mijn mestvork!’ riep mijn vader.
‘Maak ze maar niet kwaad anders nemen ze jou nog mee en hoe moet ik dan verder met 9 kinderen.’’ zei mijn moeder. ‘Geef Pietje maar mee.’ Dat vond mijn vader heel erg. Wij kinderen vonden dat verschrikkelijk want als Pietje gewerkt had mochten wij op zijn rug met hem naar het land waar hij altijd stond. Daar hadden we veel schik in.

Op een gegeven moment hadden we geen olie meer voor onze lampen. Een buurman heeft toen een fiets gemaakt en moesten wij als kinderen erop trappen en dan hadden we licht in de kamer. De wekker werd gezet, allemaal om de beurt tien minuten. We moesten de ramen verduisteren. Moeder moest huilen als er per ongeluk een scheurtje in kwam want dan moest er nieuw papier komen en daar was geen geld voor. Die verduistering daar waren de Duitsers heel strikt in. Een nare tijd. Eigenlijk is dat nu weer zo maar moderner, ze gooien nu meteen alles aan gort. Ook met drones. Arme mensen.

We hadden het fornuis in de kamer staan. We aten twee keer per dag warm want dat was goedkoper dan brood. Mijn vader had een tuintje en koeien. Vlakbij waren Duitsers ingekwartierd. Ze hadden weinig vertier. Er kwamen soms Duitse jonge soldaten. Zij brachten dan stukken zeep mee en dan kregen ze van moeder warme chocolademelk. Als wij daar iets van zeiden, zei moeder altijd: Er zijn ook goede Duitsers. En dat was natuurlijk ook zo. Zij waren geen nazi's, zij moesten gewoon het leger in.

Soms gebeurde het dat vliegtuigen overkwamen om te bombarderen in Duitsland ‘s nachts. Dan moesten wij uit bed komen en onze jas over onze pyjama's doen en onze spaarpotten in onze zak doen terwijl er bijna niks in zat. We zaten dan gewoon in de woonkamer, voor als er iets zou gebeuren dan konden we vluchten. Wat naar was om te zien was als er vliegtuigen door de Duitsers werden geraakt en dan brandend vielen. Het onverwachte vonden we naar. Het is nou helemaal verschrikkelijk vind ik. Als we wel eens koffiedrinken met mensen uit het dorp dan hebben we het er wel eens over. Ook mijn kleindochter van 24 heeft interesse in hoe het toen was en ook hoe dat toen voelde om in de oorlog te leven. De jongelui weten vaak niet hoe dat was.

In de oorlog hadden wij twee jongens in huis. Een uit Haarlem en een uit Amsterdam. Dat waren jongens die erge honger hadden. We kunnen er twee hebben zei mijn vader. In april ‘44 konden we er nog maar eentje hebben want voor hen hadden we natuurlijk geen voedselbonnen. De ander hebben we toen op de fiets met antiplofbanden weggebracht naar huis. Vlakbij Haarlem was een razzia. En die jongen was ouder dan ik en die zei ik ga niet verder anders word ik nog opgepakt om voor de Duitsers te werken. Dat is bij mijn man gebeurd. Ik kende hem toen nog niet. Hij werkte bij Meereboer en op het kruispunt bij het Trefpunt in Schoorl is hij toen opgepakt. Hij moest graszoden steken die over de bunkers in Camperduin gelegd moesten worden zodat ze vanuit de lucht niet te zien waren. Zijn broer werkte daar al. Er werd gevraagd naar de jongens Minkema  ( strandpaviljoen) en die moesten daar dus ook werken. Mijn man merkte dat dat geen lieve koe was (rot werk dus) en is toen ondergedoken bij verschillende mensen. Daar had je ook slechte mensen onder. Bijvoorbeeld bij Anapalowna en daar moesten ze keihard voor de baas aan ‘t werk. Al om 5 uur opstaan. Ze werden gewoon als gratis werknemers gebruikt. Bij een ander had hij het wel goed totdat zijn moeder jarig was en ging hij daar op de fiets naar toe. Met een vlag. Dat was levensgevaarlijk.

Hij ging ook met Minkema een keer ‘s nachts bomen in het bos omzagen want moeders kacheltje moest wel branden. De Duitsers hoorden dat en kwamen er meteen op af. Ze zijn toen het duin ingevlucht en dachten: Het hout halen we later wel op. Toen het weer veilig was en ze het hout wilden meenemen was het hout weg. Hadden de Duitsers meegenomen. Konden ze weer aan de gang. Kleding was op de bon.

Toen ik later met mijn man trouwde, is die jongen de we naar Haarlem hadden gebracht, gekomen. Hij kon heel mooi zingen en die heeft toen het Ave Maria gezongen. Er kwam een keer een heel grote man, ik zie hem nog zo voor me. Hij kwam uit Amsterdam. Daar was de honger heel erg. Hij had lakens bij zich en vroeg of wij die nodig hadden om te ruilen voor boter of ander voedsel. Nou, nee. Mijn moeder vond dat die man ‘s avonds niet meer teug mocht fietsen naar Amsterdam. Hij mocht in het stro in de koegang slapen. En ik moest bij buren gaan vragen of zij lakens wilden ruilen voor eten. Boer Polle uit Groet heeft toen boter gegeven. We waren toen kind en wij dachten gewoon dat dit is leven. Ik zag wel dat mijn moeder veel zorgen had. En dacht ik: Oh mensie mensie. Al die kinderen en het huishouden, de moestuin en het winkeltje. Wij moesten meehelpen maar maakten ruzie over wie wat moest doen. Toen mijn moeder het zat was zei ze: En nu is het over. Ze maakte een lijst met:Jij doet dit en jij dat.

Er was een keer een V1 op een huis terecht gekomen. Dat was in een keer weg. Na de basisschool werd ik bellenmeisje bij de Pastorie. Achter de pastorie was een bunker waar Duitse soldaten meisjes ontvingen. Dat zag ik vanuit de pastorie. Die meisjes werden na de oorlog kaalgeschoren. Dat heb ik niet gezien. Er was hier ook een ondergrondse maar daar werd niet over gepraat. Dat was gevaarlijk. Op 11 april 1944 zijn bij Zijpersluis 10 verzetsmannen gefusilleerd. Een monument in de vorm van een manshoge hand is daar in 1947 neergezet als herinnering en als waarschuwing: Halt, pas op, vergeet niet wat hier gebeurde. Toen ik in 1951 ging trouwen hadden we nauwelijks een uitzet. Mijn vader nam wel eens wat mee van de markt in Alkmaar. We hadden een radio in een hol in de bedstee. Misschien heeft mijn vader daar gehoord dat de bevrijding er was. Wij hebben geholpen wagens te versieren voor de optocht bij een boer op de dors. De burgemeester en de pastoor gingen in een auto voorop in de optocht.

Ik hoop dat dit nooit meer gaat gebeuren want het was wel erg. Maar wat er nu weer in de wereld gebeurt...