Cornelie van Uuden

Opgetekend door Cornelie van Uuden

Goed en fout

Ik was zeven in 1942, het tweede oorlogsjaar. De meeste huizen op het Ruysdaelplein in de Vesting Naarden waren inmiddels gevorderd door het Duitse leger. Daar waren hoge officieren ingetrokken met hun blonde vrouwen die mooie zijden kousen droegen. De plaatselijke bevolking begon er al mager en grauw uit te zien en hun kleding zag er versleten uit.. Hoewel ik over de vrouwen weinig goeds belovende woorden opving zoals  ‘moffenhoeren’ en ‘collaboratie’, vergaapte ik mij met mijn vriendinnetjes aan de zwierige rokken en hooggehakte benen.

Soms speelden we dat wij die mooie meisjes waren en spraken dan in koeterwaals Duits.Ik vroeg me soms wel bezorgd af of ik nu eigenlijk ook ‘fout’ was. Om de zaak weer recht te trekken spuugde ik bij het passeren van de huizen op de stoep.  

Paardenstekken

Toen ik op een uitgestorven zondagmiddag op de vestingwallen was geklommen stuitte ik op een bewegende paardendeken. Het achterhoofd boven de deken  herkende ik als dat van een van de officieren. De ogen van de vrouw onder hem waren wijd opengesperd. Tussen de links en rechts uitwaaierende krullen glommen gele paardenstekken. De man bewoog zich heftig op en neer en de vrouw stootte angstaanjagende klanken uit. Ik verstijfde van schrik: hier gebeurde iets vreselijks! Ik draaide me om en rende naar huis. Daar vond ik mijn vader bij de grote waterput. Naast hem lag een  bewegende juten zak waaruit een angstig gepiep klonk. Ik dacht het mauwen van jonge poesjes te herkennen. ‘Ja kind’, zei mijn vader: ‘het worden er teveel’ en liet de zak met een touw in de put glijden. Met een in mijn keel stokkende schreeuw struikelde ik de straat op en overliep daar een   officier die een paardendeken met zich meedroeg.

De eerste steen

Naast de boerderij van mijn grootmoeder woonden twee mannen samen in één huis. De ene leek met zijn woeste zwarte baard en zwarte krullen op een reus. Hij droeg een wijde broek en op zijn hoofd een klein mutsje. Als ik door de schutting gluurde zag ik hem bij een open vuur pannen repareren. Dat werd ‘ketellappen’ genoemd. Hij zong liedjes waar ik een verdrietig gevoel van kreeg. De andere man was mager en bleek en verkocht snoepjes voor een cent in het voorhuis. Er werd gezegd dat de mannen van de ‘verkeerde kant’ waren. Daarbij sloeg  de spreker met de palm van zijn ene hand op de rug van zijn andere.  Als Grootmoeder het hoorde zei ze dat iedereen die zonder zonden was maar de eerste steen moest gooien.

 Pop

Speelgoed was schaars in oorlogstijd. Ik deelde de enige pop met mijn zusjes. Dat ging niet altijd zonder strijd. Soms sneuvelde er een arm of een been of schoten de ogen in het hoofd. Maar dan was er de poppendokter. Als je hém nodig had moest je twee keer aanbellen. Hij keek eerst door het raampje. Als hij daarna open deed droeg hij een zwarte hoge hoed. In het achterhuis stond een bedje waarin je de patiënt mocht toestoppen. Na een kleine operatie mocht  ze na inlevering van een paar munten weer mee naar huis.

Uiteindelijk kwam Pop op een verschrikkelijke manier aan haar einde. Tijdens een gebruikelijke worsteling tussen mij en mijn zusjes om haar bezit  greep enige Broer in. Hij opende de muil van de kachel en wierp  Pop in het vuur. Een ontploffing volgde en een roetwolk verduisterde de kamer. De ouderlijke rechtbank verklaarde allen schuldig. Voor de meisjes was het verlies van Pop straf genoeg. Broer mocht in de kelder nadenken over de gevolgen van zijn daad.

Varken

In het vierde oorlogsjaar raakte het eten op. Mijn vader probeerde op Grootmoeders boerderij een varken vet te mesten. Waar er al bijna geen voedsel meer was voor de mens, restte voor het dier meestal niets anders dan smerig afval. Het vetmesten van een varken werd door de Duitsers gedoogd als zij na de slacht het grootste deel van de opbrengst konden komen  opeisen. Het dier moet dus verborgen blijven. Als na lange tijd zijn spekgehalte het hoogst haalbare had bereikt kon de illegale  slacht worden uitgevoerd.

De tweede keer liep het mis. Er bleek verraad in het spel. In de nacht dat de slacht zou worden uitgevoerd had een overval plaats en werd het varken meegenomen. Het was de eerste keer dat ik mijn vader zag huilen.  

Balkonscene

Tijdens de oorlogsjaren keerde de Vesting terug in de militaire sfeer. De kazerne en oude militaire onderkomens werden in beslag genomen door het Duitse leger Mijn ouderlijk huis grensde aan een van die gebouwen. Aan de overkant in de zogenaamde  Gele Loods werden kleine paarden ondergebracht die werden verzorgd door Russische krijgsgevangenen. Mijn ouders lichtten ons duidelijk in over de verschillen. De Duitsers waren fout en de krijgsgevangenen goed.

In de praktijk betekent dit dat wij niets mochten aannemen van de Duitse buren en strak voor ons uit moesten kijken als we hen passeerden. In een van de oorlog- zomers mocht ik na een snikhete dag met twee van mijn zusjes slapen op het balkon. Het balkon gaf uitzicht op een van de zijramen van het aangrenzende militaire gebouw. Het werd ons volstrekt verboden om over de rand te kijken. Nadat het duister was ingevallen en muziek weerklonk konden wij het niet laten om over de rand te gluren. De verlichte ramen boden een boeiend schouwspel. Op de grote tafel in het midden danste een soldaat met een ontbloot achterwerk. Rondom bewoog zich een joelende in de handen klappende kring uniformen. Het sprak vanzelf dat mijn zusjes en ik zelfs tegenover elkaar zwegen over wat de overtreding had opgeleverd.

Het logeetje

Totdat het grootste deel van de huizen in mijn straat door de Duitse staf werd bezet, woonde er o.a. de latere politicus Evert Vermeer met zijn vrouw. Het echtpaar had geen kinderen.  Dat Vermeer tijdens de inval van de Duitsers bij de Grebbelinie had gevochten, en na de capitulatie tot het illegale verzet was toegetreden, ontdekte ik pas toen ik volwassen was.  

In 1942 kregen de Vermeers een logeetje. Het meisje was negen en kon vanwege haar joodse afkomst niet buiten spelen.  Ze voelde zich alleen. Mijn vader en Vermeer konden het ondanks hun verschillende achtergronden goed met elkaar vinden. De mannen waagden het om mij samen met een van mijn zusjes aan haar te koppelen. Oom Vermeer liet op zolder een elektrische trein rijden en Tante serveerde limonade. Kort daarna was het logeetje weer vertrokken. Wij werden geacht over deze bijzondere gebeurtenis te zwijgen. Het bewaren van dat geheim was in de heersende ‘zwijgcultuur’ misschien niet zo opmerkelijk als het lijkt. Na de oorlog zou blijken dat het meisje de oorlog had overleefd.

Iedereen huilt

Op Goede Vrijdag, 30 maart 1945, volgde ik zoals elk jaar in de parochiekerk de arme Jezus op zijn kruistocht. Ik wandelde net als iedereen langs de veertien ingelijste taferelen aan de muren waarbij je geacht werd even stil te blijven staan. Aangekomen bij de kruisiging begon het luchtalarm te loeien.
Weggedoken onder een kerkbank hoorde ik laag overvliegende bommenwerpers en even later de explosies. Het doelwit was een even buiten de Vesting gelegen hotel waar een belangrijke  generaal bivakkeerde met zijn staf. Het bombardement bleek achteraf zinloos; het gewaarschuwde gezelschap was al vertrokken. Negen burgers kwamen om.

Een week daarvoor had zich een ander drama afgespeeld. De geallieerden voerden een aanval uit op een ander eveneens buiten de Vesting gelegen hotel. De eerste bom miste zijn doel en trof het dichtbij het hotel gelegen huis van de familie B. en raakte de kelder waarin de familie met hun huishoudster en twee onderduikers na het alarm veiligheid hadden gezocht. De vader, drie van zijn kinderen, zijn schoonvader, de huishoudster en de onderduikers kwamen om. De moeder en haar vierjarig dochtertje overleefden doordat zij bedolven onder een berg aardappelen aan het zwaarste puin ontkwamen. In de kerk trok drie dagen later een lange stoet van grote en kleine kistjes door het middenpad naar het altaar. Bijna iedereen huilde.

Bevrijding

Vlaggen, een juichende menigte, muziek en legervoertuigen, kauwende Canadezen en uitzinnige vrouwen. ‘Opstaan’, riep mijn moeder : ‘we zijn bevrijd’, en hing de vlag uit.  Ik wierp me vol vertrouwen in de massa. Arm in arm met mijn zusjes liet ik mij hossend meevoeren door de straatjes. Mijn houten oorlogssandalen klotsten tegen mijn enkels. Voor het stadhuis werd halt gehouden en het Wilhelmus ingezet. Ik hinkelde naar huis waar mijn bloedende enkels werden ingezwachteld.

Op een stoeltje op de stoep zag ik een boerenkar voorbij trekken met daarop kaalgeschoren vrouwen. Een van hen had een kind op haar schoot. Mijn moeder vertelde dat de vrouwen verliefd waren geweest op een Duitse soldaat. Veel mensen joelden en sommigen spuugden. Ík kon alleen maar denken aan de zijden kousen en de hoge hakken en hoelang het zou duren voor de blonde krullen weer waren aangegroeid.