Dick Noorda
Opgetekend door Riemke Oosterbeek
Dhr. Dick Roorda (1918) uit Harlingen, inmiddels 101 jaar oud op het moment van dit interview, heeft als jonge dienstplichtige bij 104 LUA batterij de mobilisatie en de eerste dagen van de oorlog zeer bewust meegemaakt.
Dhr. Roorda is de op één na oudste in het gezin van 9 kinderen. Een gezin dat bestond uit 7 jongens en 2 meisjes. Vader was vroeger voorzitter van het St. Josef ziekenhuis in Harlingen. “Als kind werd ik eens verdacht van difterie waardoor ik in een quarantainebarak moest verblijven. Als het zoontje van…… werd ik dan ook flink verwend door de zusters. Gelukkig bleek ik na 7 weken weer bacterievrij te zijn en mocht ik naar huis.”Later is vader samen met zijn broers in Harlingen een lederfabriek begonnen. Lederfabriek Th. Roorda en zonen, in Harlingen bij veel mensen nog een begrip. Moeder, van oorsprong Duitse, was huisvrouw en hield het grote gezin draaiende. Dat moeder een Duitse achtergrond had zou later in de oorlog nog van pas komen.
In Harlingen ging meneer Roorda naar de St. Michaelschool, een katholieke jongensschool waarna hij doorstroomde naar de HBS. Hij volgde de B-richting, de wiskundige richting in de hoop uiteindelijk in de bouw aan het werk te kunnen. Eenmaal opgeroepen voor de dienstplicht moest meneer Roorda zich melden in Assen, daar werden alle nieuwe dienstplichtigen gekeurd. “We mochten onze voorkeur opgeven, in welk regiment we wilden dienen. Deed je dit niet, dan werd je automatisch ingedeeld bij de infanterie. “Kannonnenvlees” werd het ook wel genoemd. Gelukkig hadden kennissen mij geïnformeerd, dat ik mij het beste kon aanmelden voor de luchtdoelartillerie”.
Amsterdam 2 januari 1938; uit alle hoeken van het land, kwamen zo’n 1500 jonge mannen op bij de luchtdoelartillerie. De kazerne was groot en stond aan de achterkant van Artis. Op dat moment was de dreiging uit Duitsland al voelbaar. “Uiteindelijk was ik één van de jongens die eruit werden gepikt omdat ik, na een aantal testen, goed stereoscopisch kon kijken. Dit kwam bij de luchtdoelartillerie goed van pas.” “Ons salaris was F1.10 (gulden) in de week. Koffie met een gevulde koek kostte in die tijd maar 0.05 cent.”
Na een week of zes op de kazerne werd de eenheid verplaatst naar de IJpolder. Hier werden zij gelegerd op een boerderij van de Familie Stokman bij Velsen. Een vee en graan boerderij. Vlak bij een klein station. Door al het graan waren er ook veel ratten. Dit werd later deels opgelost door het bouwen van barakken op het land van de boer. Hierin werden ongeveer 100 soldaten in ondergebracht. Hun taak werd de olietanks bij de Pieter Willems haven te beschermen. Er stonden wel 100 van deze olietanks en de Duitsers hadden hier baat bij. “Er stonden drie kanonnen en we hadden weinig kunnen oefenen. Maar de oefeningen die we deden bestond uit het richten op een oranje zak die achter een vliegtuig werd voortgetrokken.”
“Tot ongeveer een week voor de inval van de Duitsers sliepen we met ons uniform aan. Uiteindelijk ook met de schoenen aan. Het was spannend, je was 20 jaar oud en je moest deelnemen aan een oorlog. Uiteindelijk werd zelfs de oudere garde (40-45 jaar) opgeroepen om te vechten.”
“In de vijf dagen na dat de Duitsers ons land binnen vielen hebben we zo’n 44 Duitse bommenwerpers naar beneden gehaald. We moesten goed opletten dat we niet op andere toestellen schoten. ” Nederland capituleerde.
“We moesten onze wapens inleveren en als krijgsgevangenen op de kazerne blijven. Vrij bewegen op de kazerne was echter wel toegestaan. Op die manier probeerden de Duitsers ons rustig te houden.” Toen meneer Roorda eindelijk weer naar huis mocht, ging hij bij zijn vader en ooms in de leerfabriek werken. Hier werkten ook Joden maar vader was voorzichtig. Er hing een bord met “Scharlach” (roodvonk) op de deur. Geen Duitser die hier mee in aanraking wilde komen. Wel kwamen er af en toe “goeie” Duitsers op “visite” bij moeder. Het duurde echter niet lang voor meneer Roorda weer werd opgeroepen, door de Duitsers wel te verstaan. Hij werd afgevoerd om te gaan werken in Duitsland.
“Onderweg naar Duitsland kwam ik, bij Nieuweschans, een oude dienstkameraad tegen. Hij adviseerde mij om een grenspas te regelen. Op die manier zou het makkelijker zijn om af en toe de grens over te kunnen naar Nederland.” Mede door de Duitse achtergrond van moeder was het mogelijk om bij familie kantoorwerk te krijgen. Ook hier ontdekte meneer Roorda dat niet alle Duitsers sympathiseerden met Hitler. Ook binnen zijn familie daar was er soms sprake van tweestrijd. Als voorbeeld zijn achterneven die als soldaat moesten dienen. Vijf jaar lang werkte hij in Duitsland waarbij hij af en toe een weekend naar Nederland kon.
“Ik werd op een dag gewaarschuwd door de dochter van de burgermeester. Zij zei dat ik moest vluchten. De volgende dag zouden er arbeiders naar het oosten worden afgevoerd. Toen ben ik op de fiets gestapt en gevlucht.” Eenmaal in Winschoten regelde een nichtje dat hij mee kon rijden naar Groningen. Het was toen al donker en er was geen controle. Via een omweg kwam hij in Wolvega waar hij melk kreeg van een boer. Met nog steeds dezelfde fiets in zijn bezit, zette hij de laatste etappe van zijn vlucht naar huis in.
“Het was een zware toch, het waaide erg hard, maar ik was jong en fit. Het kostte me een hele dag om thuis te komen.” Eenmaal herenigd met zijn familie in Harlingen, ging meneer Roorda weer aan het werk in de leerfabriek van zijn vader en ooms. De oorlog liep op zijn eind, de bevrijding liet niet lang meer op zich wachten. Harlingen werd uiteindelijk op 17 april 1945 bevrijd door de Canadezen. De fabriek bleef helaas niet ongeschonden tijdens deze actie. Op zolder van de fabriek werd het zeemleer te drogen gehangen. Toen de Canadezen kwamen werden deze lappen aangezien voor Duitsers waarna het vuur werd geopend. Van een afstand leken het net mensen die achter de ramen stonden.
Eenmaal bevrijd leerde meneer Roorda zijn vrouw kennen. Zij kwam met een vriendin naar het noorden om voedsel te halen en verbleef enige tijd bij de familie in Harlingen. “Pas later vertelde ze me, dat ze een foto van mij had gezien en verliefd werd.”Ze trouwden in 1951 en het gezin werd uitgebreid met eerst een zoon en daarna nog twee dochters. Tien jaar na hun tweede dochter volgde er nog een tweeling wat het totaal op twee zoons en drie dochters bracht.
“Ik heb het goed gehad. Ik ben ondanks de oorlog alle moeilijke situaties goed doorgekomen. Niet alle Duitsers waren slecht. “