Ally Mulder

Opgetekend door Ingrid op den Velde

Ally Mulder is geboren op 18 juni 1934 in Naarden. In de Evert de Bruijnstraat in Naarden. Daar woonde ze met haar 1,5 jaar oudere broertje en beide ouders.
Toen ze bijna 6 jaar oud was begon de 2 Wereldoorlog. Koen Mulder, Ally’s vader, werd via de mobilisatie snel opgeroepen en heeft in het begin van de oorlog meegevochten als sergeant met het Nederlandse leger op de Grebbeberg. Dit is een hele korte periode geweest want Nederland werd immers snel bezet door de Duitsers. Koen kwam kort naar het beëindigen van het vechten op de Grebbeberg weer thuis.

Hij zag als actieve socialist snel wat er allemaal zou gebeuren door de bezetting, vooral met de Joden, en daar wilde hij wat tegen doen! Er werd in Naarden een verzetsgroep opgericht onder leiding van Rinus Dubelaar en Fokke Bleeker. Koen sloot zich daarbij aan. (Vrij snel na het uitbreken van de oorlog wilde Dubelaar, als katholiek fel gekant tegen de nazi-ideologie, gelijkgestemden om zich heen verzamelen, en zo ontstaat in de zomer van 1940 één van de eerste verzetsgroepen van Nederland. De groep verwacht de spoedige komst van de Engelsen en maakt zich klaar om hen te helpen bij de bevrijding van Nederland. Aldus AI-overzicht).

Koen had veel verstand van wapens door zijn ervaringen in het leger. Het Nederlandse wapentuig lag deels opgeslagen in het Arsenaal in Naarden-Vesting en Koen kon daarbij. De verzetsmensen dachten dat de oorlog wel snel afgelopen zou zijn (want de Amerikanen zouden mogelijk snel komen helpen. Maar dat gebeurde pas 1,5 jaar na Pearl Harbor immers).

Koen was niet anti-Duits maar wel anti-fascitisch en wilde dus actie ondernemen. Hij zocht contact met de lokale verzetsgroep en vertelde hen dat hij hun wapens kon leveren. In de St.Vitusstraat in Naarden-Vesting woonde Dubelaar met zijn gezin. Daar werd altijd vergaderd. De oudste dochter van Dubelaar had verkering met een jongen uit Naarden en die heette Muller. Die jongen kwam ook veel in de St.Vitusstraat en zag dan dat er overlegd werd. De familie van die knul was echter fout, het waren NSB'ers! Mogelijk heeft het vriendje van de oudste dochter van Dubelaar de boel verraden, hoewel dat nooit echt bewezen is!
Beide leiders werden na dit verraad vrij snel opgepakt (Dubelaar op 19 juni ‘41 en Bleeker in juli ‘41) en werden uiteindelijk op 12 februari ‘42 gefusilleerd op de Waalsdorpervlakte vanwege hun rol in die verzetsgroep.

 

In juni en juli 1941 is de gehele verzetsgroep door de Duitsers opgerold. Op 31 juli ‘41 werd eerst Henk Visser opgepakt en op dezelfde dag, wat later ook Koen.
Beiden werden op hun werk opgepakt en vervolgens werden ze door de Duitsers overgebracht naar het gemeentearchief in de Cattenhagestraat, waar toen de Duitse ortskommandant zat. Toen Koen naar binnen werd gebracht, werd Henk Visser net naar buiten gesleurd; zwaar gehavend, zijn hoofd onder het bloed. Hij riep tegen Koen: “Koen, ze weten alles al!!!” Dus Koen is niet meer zo zwaar in elkaar gebeukt. Ze zijn naar het beruchte Oranjehotel in Scheveningen (waar heel veel verzetsmensen zaten) gebracht en daar zijn de veroordelingen uitgesproken. Henk Visser kreeg levenslang en Koen kreeg 4 jaar gevangenisstraf en Tuchthuis.

 

Na maanden mochten Ally en haar broertje met hun moeder naar het Oranjehotel komen om papa/Koen te bezoeken. Ze herinnert zich nog een heel groot hek en daar stonden al die gevangenen achter. Gigantisch veel gevangenen. Er werd op een gegeven moment omgeroepen dat de familie van de ter dood veroordeelden afscheid mochten nemen! De anderen niet. En vervolgens ging het hek open. Daarna was het een heksenketel. Want iedereen wilde zijn partner/dierbare omhelzen! Wat Ally zich ook nog kan herinneren van het Oranjehotel is dat het hele lange gangen had met deurtje-raampje-deurtje-raampje, etc. Achter elk raampje zat een cel.

Na 10 maanden Oranjehotel werd Koen naar Duitsland gebracht. Hij moest heropgevoed worden en kreeg nog 3 jaar en 2 maanden ‘Tuchthuis’; dat was een Duitse gevangenis in het Ruhrgebied. Dit was niet zo erg als een concentratiekamp, maar zo’n Tuchthuis was ook vreselijk om in te zitten. Koen zat al die jaren samen met vriend Koopmanschap (ook uit Naarden) in dat Tuchthuis. Omdat Koen goed Duits sprak werd hij nogal eens ingezet voor vertaal klusjes in de gevangenis.

In dat Tuchthuis moesten ze ook aan het werk gaan voor de Duitsers. Het was dwangarbeid onder zeer zware omstandigheden. Meestal gerelateerd aan de Duitse oorlogseconomie en de herstelwerkzaamheden na geallieerde bombardementen. Aldus AI-overzicht.

Aan het einde van de oorlog, toen de Duitsers eigenlijk al in de gaten hadden dat ze het niet zouden gaan winnen, mochten ze iets minder zwaar werk verrichten, namelijk greppels graven. Koopmanschap (die soms nogal wat grof uit de hoek kon komen) had tegen zo’n Duitser gezegd: “Loop naar je ouwe moer!” Waarop die Duitser tegen Koen zei: “Was sagt er?” Koen dacht, ‘als ik dit letterlijk ga vertalen krijgt Koopmanschap de kogel!’ Dus zei hij: ”Ich weiß es nicht. Er spricht Dialekt!” En zo redde hij zijn makker.

Terwijl Koen gevangen zat, bleef Ally’s moeder thuis achter met haar twee kinderen. Moeder kreeg geen inkomen meer. Dus al vrij snel ging ze op zoek naar werk en moest huizen gaan schoonmaken bij rijkere gezinnen in het Spiegel in Bussum. De kinderen gingen naar school en moesten na school voor zichzelf zorgen. De sleutel lag onder de deurmat. Moeders kwam dan tegen het donker weer thuis en moest dan nog gaan koken. (Na de oorlog zei ze dan ook: “Ik ga nooit meer bij een ander schoonmaken!”). Op een gegeven moment kwam er een man aan de deur bij Ally thuis en die had een brief van Koen in zijn schoenzool verborgen. Deze man had ook in het Tuchthuis in het Ruhrgebied gezeten. De brief van Koen was op de achterkant versierd met een tekening van Koen’s gezicht gemaakt door een Franse tekenaar.

Toen het eten steeds schaarser werd, werden de kinderen, inmiddels vrij ondervoed, in januari 1945 naar Noord-Groningen gebracht. Ally was 10 en haar broer 12. In het hele Westen van Nederland werden vanuit de Hervormde Kerk kinderen naar het noorden, naar de boeren gebracht. Ally en haar broer werden met een schoongemaakte vuilniswagen van de gemeente Naarden, samen met nog 18 kinderen en een verpleegster naar Nieuw-Beerta in Noordoost-Groningen gebracht. Tegen de Duitse grens aan, vlak achter Nieuweschans.

Ally’s moeder had de avond van tevoren tegen haar gezegd: “Denk erom: die mensen daar zijn heel anders dan wij hoor! Maar je moet je wel aanpassen hoor, want je bent daar te gast!” Ally had 1 net jurkje aan en verder een klein koffertje met wat ondergoed en een pyjamaatje. Ze reden er twee dagen over en bij de IJsselbrug moesten ze ook stoppen want daar werd nog gevochten. Er was nog front! Zuid-Nederland was al wel bevrijd. Uiteindelijk kwamen ze aan bij Nieuw-Beerta in een zaaltje van de Hervormde Kerk. Daar werden alle kinderen uitgestald op een podium en toen zei een mevrouw: “Dat meisje wil ik wel hebben voor mijn Jantje!”

Haar Jantje bleek 5 jaar te zijn ( is nu een gepensioneerd tandarts). Die mevrouw had 2 zoontjes en wilde er nog graag een dochtertje erbij. Ally had de boeken van Ot en Sien gelezen, met die leuke kleine, oude huisjes en een wc-tje buiten plus een pomp, en dat wilde ze eigenlijk ook! Maar nee, ze kwam bij hele deftige mensen terecht! Haar pleegvader was rentmeester; die ging altijd op zijn paard langs al de landerijen. Hij was een soort opzichter. Het gezin had twee dienstmeisjes. Ook al waren ze heel lief voor Ally, ze vond het toch helemaal niet leuk! Haar broer kwam bij mensen die een dijkwoninkje hadden met twee varkens naast de keuken. Dat vond Ally eigenlijk veel interessanter! Beiden zijn een half jaar bij hun pleegouders in Noord-Groningen geweest!

Op 16 april 1945 moest het pleeggezin van Ally uit huis vluchten, want het front kwam steeds dichterbij. Vanuit Duitsland trok een front steeds meer Westwaarts richting o.a. Groningen en Friesland. En de Polen kwamen richting Nieuw-Beerta! Het vechten kwam dichterbij het huis, dus het gezin probeerde dekking te zoeken in de kelder! Omdat het woonhuis zwaar beschoten werd en op de plek waar Ally’s bedje stond een granaat terecht was gekomen, is het gezin uit het huis gevlucht! De Polen geboden het gezin om het dorp te verlaten en de rest van het dorp werd ook geëvacueerd. Het Poolse hoofdkwartier werd in de villa van het pleeggezin ondergebracht.

Het gezin is naar een tante van Ally’s pleegmoeder in Winschoten gegaan. En daar zaten ze ook in een heel mooi huis. Daar kwam toen een heel regiment Schotten aan, met Schotse rokjes en voorop doedelzakken! 1 van die Schotse soldaten tilde Ally op, nam haar een heel eind mee en gaf haar een reep chocola! Ally wist niet wat ze zag: ze had in 4 jaar geen chocolade meer gegeten! Ze durfde hem echter niet op te eten en bewaarde hem onder haar kussen! Maar omdat het al warmer weer werd (eind april) was de reep de volgende ochtend compleet gesmolten….(Sindsdien eet Ally alle chocola die ze krijgt gelijk op!). Het gezin is vrij snel na de bevrijding weer teruggegaan naar de eigen villa in Nieuw-Beerta en wat ze daar aantroffen….! Eén en al puinhoop en overal drankflessen, etc! Omdat er nog geen vervoer en mogelijkheden waren, zijn de kinderen eind juni pas weer met een hele oude autobus naar huis gebracht.

Na de bevrijding kwamen 4 gevangen verzetsmensen uit Naarden terug, waaronder Koen. Heel Nederland was een gekkenhuis. Iedereen was blij en opgetogen, maar ook verdrietig! De 4 teruggekeerden werden gezien als helden en kregen een baan aangeboden door de Gemeente. Ook als compensatie voor hun lijden in de oorlog. Omdat Koen goed zijn talen sprak, kreeg hij een baan aangeboden op het stadhuis, als gemeentebode.

In de jaren na de oorlog kwamen o.a. veel Tsjechen naar Naarden maar ook vluchtelingen kwamen hierheen en die wilden naar het mausoleum van de Tsjechische Comenius in het kapelletje in de Kloosterstraat. Koen was dan hun gids en begeleidde hen. Hoe krom en schreef de zaken na de oorlog, door alle hectiek liepen, illustreert het volgende:

In het Gooi was er in 40-45 nog een andere verzetsgroep in Naarden/Bussum, namelijk een verzetsgroep opgericht door Gerard Reeskamp. Gerard was een hele moedige man die van alles durfde en deed. Hij deed heel veel goeds voor allerlei mensen en hielp heel veel mensen. In zijn huis zaten ook Joodse mensen ondergedoken. Gerard ging vaak naar Friesland, waar veel verzetsmensen zaten, en zijn verzetsgroep was ook actief in Friesland. Gerard’s vrouw zorgde dan voor de onderduikers, vooral Joodse kindertjes, in Naarden. Op een gegeven moment heeft Gerard’s verzetsgroep in Friesland een fout gemaakt en per ongeluk een boer die veel geld op zak had doodgeschoten. Ze dachten dat die boer fout was, maar dat bleek niet zo te zijn.

Na de oorlog werd Gerard Reeskamp veroordeeld voor deze dood en kreeg gevangenisstraf, terwijl hij niet eens zelf de schutter was geweest! En terwijl hij toch zo enorm veel goed gedaan had!

(Dit alles staat beschreven in het boek van Ad van Liempt: De Drogist).

Dus diverse verzetsmensen uit Naarden werden flink gefêteerd en werden behandeld als enorme helden o.a. Koen, maar Gerard kreeg gevangenisstraf…. Gerard’s kleinzoon Sicco heeft dit alles altijd heel erg gevonden en daarom heeft hij ervoor gezorgd dat er in Bussum een speciaal bruggetje bij het Gemeentehuis van Gooise Meren vernoemd is naar Gerard Reeskamp en zijn vrouw Sjoukje Reeskamp-Wielinga. Na de bevrijding gebeurden er meerdere zaken die dubieus waren.
Zo was er in Naarden een NSB-familie Van der Witte, die vlak na het einde van de oorlog opgepakt is. Maar de broer van de heer Van der Witte had juist bij het Verzet gezeten! Die is nooit gepakt door de Duitsers.

Moeder Van der Witte werd met haar kleine zoontje na de oorlog door de Kloosterstraat geleid waar een hele stoet mensen stonden opgesteld op de stoep en die hebben moeder Van der Witte en haar zoontje volledig uitgescholden. De moeder van Allie, die enorm anti-Duits en anti-NSB was, zag dit gebeuren en zei: “Oh, daar doe ik niet aan mee!” Ze is naar huis gegaan en heeft zitten huilen van schaamte. Ze vond het zo erg! Mevrouw Van der Witte werd samen met haar zoontje de Weeshuiskazerne ingesleurd. En daar moest ze een tijd in die gevangenis blijven. Koen was altijd een groot voetbalfan geweest en ook scheidsrechter. Op een gegeven moment werd hij gevraagd om naar de Weeshuiskazerne te komen, dus dat deed hij ook. Hij kwam in de kazerne in 1 van de gevangeniscellen en daar zat op een baal stro Leen van der Meulen, de keeper van het Nederlands elftal! Die was ook NSB-er geweest! En toen Koen eigenlijk gevraagd werd om hem uit te gaan schelden, etc, zei Koen dat hij daar niet aan meedeed! Dat soort praktijken, daar hield hij niet van! Naar zowel Rinus Dubelaar als Fokke Bleeker zijn beiden ook een straat vernoemd in Gooise Meren. Van Rinus in Naarden en Van Fokke in Bussum.