Piet Hoppenbrouwers
Opgetekend door (J) Sjef Smeets
Vandaag, 7 juli 2026, noteerden we in Eindhoven de oorlogsherinneringen van de, aldaar ook op 22.5.1934 geboren, heer Piet Hoppenbrouwers: Wat ik als kind in de oorlog meemaakte, schreef ik toen al op. Niet op school, daar was ik te zenuwachtig voor door alles wat om me heen gebeurde, het luchtalarm, de spanning, die ik voelde. Maar als ik thuiskwam, ging ik naar boven en leerde ik me zelf ‘tekenend” schrijven. Ik kwam per slot van rekening uit een kunstzinnige (schilders)familie. Ik schreef daar op wat er gebeurde in de winkel, op straat, in de lucht (Dat schrijfwerk is later - uitgetypt en geïllustreerd met tal van unieke foto’s uit de oorlogsjaren - een waardevol Eindhovens geschiedenisboek van 30 pagina’s geworden. J.S.)
Mijn ouders, Theo Hoppenbrouwers (12.1.1901) en Nelly van den Broek (19.12.1904) trouwden op 24.2.1927. Zij hadden bij het begin van de oorlog zeven kinderen: Mien (1929), Toos (1930), Bart (1931), Riet (1932), Piet (1934), Nel (1935) en Theo (1939). We hadden aan het Stratumseind de winkel “Onder de luifel” in drogisterij en schildersmaterialen en daarbij de schilderwerkplaats.
1939 of 1940 Vader Theo en Moeder Nelly Bovenste rij v.l.n.r. Toos, Bart, Mien Onderste rij v.l.n.r. Nel, Piet met baby Theo en Riet
Mijn eerste oorlogsherinnering is van 12 of 13 mei 1940. Ik weet nog dat ik boven was en uit het kleine raampje naar buiten keek naar, zoals ik dacht, wel honderden paarden voorbijkwamen. De dieren waren allemaal door de Duitsers in de Peel en de Kempen bij de boeren geconfisqueerd. Een prachtige stoet. Toen kwam mijn vader naar boven en zei: ”Vlug weg bij dat raam.”
Daarna gebeurde er op last van de Duitsers successievelijk van alles. De radio moest ingeleverd worden. En later ook mijn vaders’ motorfiets, een BSA-tje. Maar dat wilde hij niet dus. Dus hij demonteerde de motor en gooide alle onderdelen in de grote krijtton. Daarin zat krijtpoeder, waarvan mijn vader met olie en siccatief zelf verf maakte. (siccatief versnelt het drogingsproces van de verf en verkort de benodigde wachttijd tussen het opbrengen van verschillende verflagen aanzienlijk.) Direct na de bevrijding kwam de P.A.N. aan de deur. Ze wisten dat mijn vader dat motortje had en vroegen of hij dat wilde afstaan. (De Partizanen Actie Nederland, P.A.N., was een gewapende verzetsgroep in en rondom Eindhoven.). Drie dagen later hadden ze ‘m total loss gereden.
Een broer van mijn vader, Ome Walter, had een herenmodezaak op de Demer, ook midden in Eindhoven. Die winkelstraat is bij het zogenaamde “Sinterklaasbombardement” op zondag 6 december 1942 helemaal weggebombardeerd. Het was om 13.00 uur dat de vliegtuigen met een hele grote boog over Eindhoven kwamen aanvliegen. Ik ga op Sinterklaasdag jaarlijks nog naar de herdenking bij het “Oyster”-monument. (De oester symboliseert de geallieerde missie ‘Operation Oyster’, het bombardement op Eindhoven, feitelijk bedoeld om de Philipsfabrieken te raken, die voor de Duitsers moesten produceren. Veel van de bommen van de Royal Air Force-bommen troffen echter andere doelen: winkels, woningen, kerken en het Binnenziekenhuis. Hierbij kwamen 135 inwoners om het leven.)
Mijn oom had alleen nog maar een metalen geldkistje bij zich, toen hij die middag, huilend als een klein kind bij ons in de kamer stond. Aan ons huis was alle glas eruit, ook veel glas in lood was kapot en de pannen lagen scheef op het dak. Wij zijn toen met z’n allen naar Heeze gevlucht, waar ons dienstmeisje, Tonia woonde. Wij zeiden op haar verzoek Tante Tonnie. Die familie kwam ons in het Heezerenbosch tegemoet. We zijn daar toen een paar dagen gebleven. Toen had mijn vader, samen met aannemer van Gestel zo goed als mogelijk het huis opgeruimd en ook de pannen op het dak weer goed gelegd. Maar als het later regende, dan was het “teilen en emmers aanvoeren”. Ik heb nog steeds een heel warm contact met vier van Tante Tonnies’ nichtjes. Na thuiskomst waren er eerst een aantal begrafenissen. Ik herinner me dat ik bij een Tante boven uit het raam keek en zeven lijkwagens zag passeren. Ook mijn vriendje Pierre Bergstein was een van de slachtoffers. Hij is door de luchtdruk tegen de toonbank in hun Jagerswinkel gesmakt. De liefste jongen van de klas. Toen ik weer op school kwam bleef er een stoel leeg. Omdat het gebouw was ingenomen door de Duitsers, kregen wij school in de Heilige Hartkerk en ook wel in Garagebedrijf Daverveld. In een ruimte, niet groter dan deze huiskamer zaten we daar met twee klassen in de benzinestank. Daverveld was trouwens een NSB’er.
Op 30 maart 1943 werd door de Engelsen in de avond weer een bombardement uitgevoerd op de Philipsfabrieken, vlak bij ons in de stad. Vader had koopavond in de winkel toen er een meneer binnenkwam en vroeg of hij bij ons mocht schuilen. Ik zei: “Dat is meneer Felten, de vader van een jongetje in mijn klas. Die mag zeker wel schuilen.” Ja, dat mocht. Vader kon steeds moeilijker aan artikelen komen voor de winkel. Veel was er niet meer. Mijn vader stond ’n keer in de winkel met z’n rug naar het vak met de zeep. Er kwam een Duitser binnen en die riep hard: “Seife”. Moeder kwam kijken wat er gebeurde. Vader zei: “Ich habe keine Seife.” Terwijl hij met z’n rug naar dat vak stond.
Vader verkocht ook pastelkrijtjes. Op een andere koopavond kwam er een Duitse officier binnen, klakte met z’n hakken en wilde 24 krijtjes. Vader zei: “Je kunt er 12 uitzoeken, want ik wil ook andere klanten kunnen helpen.” Zoek de kleuren, die je hebben wilt zelf maar uit, dan help ik intussen de andere klanten” Hij zocht er toch 24 uit. Het ging vervolgens nog een tijd heen en weer: Vader zei steeds weer: “12 Stück können Sie haben, kein 24” Ik zal 12 mooie basiskleuren voor je uitzoeken.” De Duitser ging akkoord, maar de volgende dag kwam hij terug om de andere 12 ook te halen.
Als er ’s nachts luchtalarm was, dan gingen we naar beneden, waar we dicht bij de voordeur of de achterdeur gingen zitten. Maar een keer zaten we in de huiskamer. Er werd aangebeld. Wat te doen? Vader maakte toch maar open en daar stond een Duitse soldaat voor de deur, gepakt en gezakt. Hij zette zijn geweer in de hoek van de winkel. Hij vertelde uit de buurt van München te komen, waar hij een vrouw en twee kinderen had. Hij was dienstplichtig en had “der Krieg nicht gewollt.” Hij kreeg van mijn vader een “blazertje” Een nepsigaartje, die mijn vader zelf maakte van tabaksbladeren uit onze tuin. En van moeder kreeg hij een bakje surrogaatkoffie. Toen de laatste vliegtuigen overgevlogen waren, groette hij ons allemaal, klakte met z’n hakken, pakte zijn geweer op en vertrok.
Naast ons was het Kadaster gevestigd. Die kregen eens in de maand kolen om alle kamers te verwarmen. Dan belde meneer van der Lee ons moeder op en zei: “Er staat warm water klaar, dus jullie kunnen je eens fatsoenlijk wassen.” Dat reikte hij ons over het plat dak heen aan. Hij wist dat we niet altijd gas hadden om water op te verwarmen. Tante Wies was een zusje van mijn moeder. Haar man, Ome Sjef, was een broer van vader. Hij beheerde bij de Distributiedienst de bonnen voor heel Eindhoven. Op ’n zeker moment kwamen ze ’s avonds bij hem thuis en wilden ze de sleutel van hem hebben. “Nee”, zei vader. Ze namen hem meteen mee. Hij is via Vught, Westerbork naar Duitsland gebracht. Waar hij allemaal gezeten heeft weten we niet. De oorlog was hier in het zuiden al een jaar afgelopen toen Ome Sjef, in de zomer van 1945, na een reis via Griekenland, Noord-Afrika, Spanje en Engeland thuiskwam. Mijn Tante had toen een andere man, Ome Leo. Dus er was één dag groot feest, maar de volgende dag zei mijn Tante: “Ik blijf met mijn nieuwe man, dus vertrek maar weer”. Ome Sjef kreeg later ook een nieuwe vrouw, Tante Fransje. Maar daar zaten mijn ouders niet op te wachten, wat ik nooit gesnapt heb.
Dan zijn we dus aangekomen bij de bevrijding. (Eindhoven werd op 18 september 1944 bevrijd.)
’s Daags tevoren hadden we de vliegtuigen gezien met de gliders erachter. Die landden in Son en de Amerikaanse troepen trokken naar Eindhoven, terwijl in Leopoldsburg (België) de Engelsen klaarstonden om ook naar hier te trekken. Op die maandag troffen de Amerikanen en de Britten elkaar hier in de stad. De Amerikanen met hun zachte schoenzolen “op kousenvoeten”, aan twee kanten van de straat, uitkijkend voor sluipschutters. Bij elk poortje of zijstraatje stonden ze even stil. Zo ook bij het straatje bij ons tegenover. Een van hun, die mee vooropliep, had kiespijn. Hij vertaalde voor zichzelf het opschrift op onze winkel “Drogisterij” in ‘Drugstore’. Hij kwam binnen, kreeg een glas water van ons vader, een stoel en twee “Akkertjes’. (een pijnstiller die destijds geproduceerd werd door het farmaceutische bedrijf van Leon Louis Akker uit Rotterdam) Maar na enige tijd vond hij het toch tijd worden om zich weer bij zijn kameraden op straat te voegen.
Hij was bevrijd van de kiespijn en wij van de Duitsers. Voor ons het “Moment Suprème” van de bevrijdingstijd.
De Amerikaanse soldaat met kiespijn
Op het afdakje boven ons winkelraam en uit de ramen kijkt de familie naar de intocht. Daarboven wappert de Nederlandse vlag. Het jongetje dat links loopt is Piet
De Amerikanen trokken die middag bij ons langs vanaf een uur en de eerste Engelsen vanaf vijf uur. Die doortochten hebben wel anderhalve dag geduurd. De Engelsen stopten en zetten een groot kanon in het straatje tegenover ons. Het was gericht op wat later “het bruggetje van Hikspoors”, tussen Eindhoven en Nuenen, genoemd is. (Op 19 september 1944 naderde de Duitse 107e Panzerbrigade die brug tijdens een verkenningstocht. Volgens de overlevering wist Willem Hikspoors, tuinman van het nabijgelegen landgoed Soeterbeek, de Duitse bezetters ervan te overtuigen dat de brug véél te zwak was voor hun zware tanks. Hierdoor zijn de Duitsers omgekeerd en is een aanval op het reeds bevrijde Eindhoven voorkomen.)
Tegen de avond riep mijn broer Bart vanuit de Keuken: “Papa kom eens kijken.” Die pakte Bart bij zijn lurven en sleepte hem naar de kamer. Op datzelfde moment sneuvelden alle ramen in de keuken. Ze hadden de lichtkogels gezien, die de Duitsers gebruiken om voor een bombardement bij te lichten. We zijn toen ook weer gevlucht. Deze keer naar kennissen in Gestel, een ander deel van Eindhoven. Ook voor een paar dagen maar weer. Mijn vader en mijn zus Toos hebben alles thuis opgeruimd. Onder andere moesten ze in de winkel alles ontdoen van een dikke laag Vim schuurpoeder, afkomstig uit de kapot gevallen verpakkingen.