Els Peeters
Opgetekend door (J) Sjef Smeets
Vandaag, 16 juni 2026, noteerden we in Eindhoven de oorlogsherinneringen van, de aldaar ook op 11.1.1935 geboren, mevrouw Els Peeters:
Mijn ouders, Johannes Peeters (1893) en Francisca Peeters - Roijers (1896) trouwden in 1921 en hadden met mij erbij, toen de oorlog uitbrak, zes kinderen. De anderen waren Johanna (1922), Piet (1926), Henk (1928). Jan (1937) en Frans (1938).
5.11.1944: Op de grond zittend : Els en Frans
Zittend: Jopie, moeder en vader . Achteraan van groot naar klein: Henk, Piet, Jan.
Wij woonden in de Binnewiertzstraat, die uitkwam in de Helmerslaan, een bredere straat. Daaroverheen zag ik de Duitsers met verschrikkelijke herrie binnen komen, zingend met hele harde stemmen en met hard op de straat klappende hakken. Met mijn moeder en veel andere mensen stond ik daarnaar te kijken. Ik werd er bang van en kroop maar helemaal achter mijn moeder weg. Ik was later ook bang als ik Duitsers op straat zag lopen. Uiteindelijk ging ik in 1989 vanwege mijn traumatische angsten in behandeling. Die problemen zijn in de kern toch te wijten aan mijn oorlogsbelevenis als kind. Daarover straks meer.
Daarbij kwam dat mijn moeder heel erg ziek was, wat ook indruk op me maakte. Ik herinner me natuurlijk het z.g. “Sinterklaasbombardement” (de Engelse Royal Air Force bombardeerde op zondag 6 december 1942, onder de codenaam “Operation Oyster”, de Philipsfabrieken in Eindhoven om er de productie van o. a. radio-onderdelen voor de Duitse bezetter lam te leggen. Hierbij kwamen 140 burgers en 7 Duitse soldaten om het leven. J.S.) Ik was bij een vriendinnetje, Sjannie van Eyk, een paar honderd meter van ons huis, toen het luchtalarm ging. Ik was natuurlijk weer zo bang, dat ik achter elkaar naar mij moeder toe wilde. Toen ik bij van Eyk de deur uitliep, zag ik de vliegtuigen heel laag overkomen. Er onder hingen hele grote bommen. Dat vergeet ik nooit meer.
Als we moesten schuilen, dan gingen we niet in de kelder onder ons huis, omdat moeder bang was voor instortingsgevaar als het huis getroffen zou worden. Zij vond het dan veiliger om in de hal op de grond te gaan zitten, zo dicht mogelijk bij de voordeur. Er was een frequente stroom nachtelijke bombardementsvluchten vanuit Engeland op Duitse steden. Als de honden begonnen te blaffen, dan kwamen ze even later over, eerst heen en later terug. Mijn zus Johanna stond er bij het raam naar te kijken. Maar ik lag heel bang in bed. Ik wist dat de hele familie in de hal zat en er niets hoefde te gebeuren, maar ik vloog toch zo snel mogelijk naar beneden toe. Ik mocht daar dan blijven tot we de vliegtuigen weer terug hadden horen vliegen naar Engeland. Dan brachten ze mij weer naar bed. In 1943 kwam ik ’n keer thuis en werd er gezegd: “Er is iets met papa gebeurd. Die komt vanavond niet thuis, omdat hij in de gevangenis zit”. Wat was er gebeurd? Vader was Hoofd van de boekhouding bij “Schellens & Marto, een trijpfabriek bij het Eindhovense Kanaal. Hij was rond de middag onderweg naar huis, toen hij zag dat de Duitsers de Synagoge in de Kerkstraat aan het onttakelen waren. Ze haalden de ster er vanaf en nog meer. Er stond een stel mensen bij te kijken.
Mijn vader keek er ook even naar en riep kwaad: “Ze kunnen ook niks heel laten.” Hij liep verder naar kantoor en werd in de Augustijnendreef” opgepakt door twee Duitsers. Iemand had gemeld wat hij gezegd had. Hij heeft toen eerst een aantal weken in Eindhoven gevangen gezeten. Daar was een politieagent, die in de Helmerstraat woonde. Na zijn dienst kleedde die man zich thuis om. En bracht daarna bij ons een briefje van vader. Een keer zei hij: “Ik denk dat je vader nu wel gauw thuis komt.” Maar vader werd naar het Concentratiekamp in Vught gebracht. Daar is hij ook nog drie maanden gebleven.
Hij mocht de boekhouding doen bij het Philipsfabriekje dat daar gevestigd was. Hij hoefde daar die zomer dus niet hard buiten mee te werken. Een keer per twee weken mochten we naar het Rode Kruis in Vught een voedselpakket brengen. De hele buurt leverde gelukkig van alles aan wat in dat pakket kon, zoals de bakker en de slager. Vanuit Philips kreeg vader elke dag een warme maaltijd. Bij thuiskomst zag hij er dus nog aardig goed uit. Maar mijn moeder was broodmager van de angst dat mijn vader niet terug zou komen. Hoe moest het dan met haar zes kinderen? Daarbij was ze ook veel ziek. Ze was voor hun trouwen al aan darmkanker geopereerd. Soms dacht ik op straat iemand te zien, die op mijn vader leek. Ik liep er dan heel hard naar toe. Maar dan was hij het toch niet. Later stopte ik met “papa” roepen. Liep de persoon heel hard voorbij en keek eerst of hij het was. Ook zeiden kinderen op school of uit de buurt wel eens: “Ik heb jouw papa gezien’’. Dan rende ik naar huis om te kijken of hij thuis was gekomen.
Eind september stond hij opeens weer voor de deur. Een week later kregen we een brief van de Duitse commandant uit ‘s Hertogenbusch, waarin stond dat papa vrijgelaten zou worden. Maar toen was hij dus al thuis. Mijn moeder stuurde me naar de bakker om te vragen of ze iets lekkers hadden. In de winkel zei ik: :”Mijn papa is weer thuis en mijn moeder doet niks als huilen.” Vader heeft niet veel verteld over zijn belevenissen in het Kamp. Alleen dat als voedselpakketten aankwamen, wat niet voor iedereen het geval was, dan deelden ze die samen.
Hij vertelde later wel nog dat in het machinefabriekje op het Kampterrein bij de aanmaak van knijpkatten zodanig gesaboteerd werd, dat ze in Duitsland, waar ze naar toe gingen, na een maand beslist niet meer werkten. Een keer stond ik buiten met mijn broer Jan, toen een Duitser op een motor ons de weg vroeg. Wij keken elkaar alleen maar aan, zeiden niets. Maar hebben allebei dezelfde – verkeerde – kant uit gewezen en zijn toen snel naar huis gerend.
Er werd in mijn herinnering thuis niet veel over de oorlog gepraat. Maar toch begreep je door de sfeer dat we van die Duitsers niets moesten hebben.
Op ’n gegeven moment moesten de radio’s bij het politiebureau ingeleverd worden. Mijn oudste broer deed dat op de fiets met mij achterop en de radio op mijn schoot. Bij aankomst tussen Duitse soldaten nam Piet de radio van me over en liet ‘m zo op de grond vallen. “Als wij hem niet mogen hebben, dan krijgen zij hem ook niet.” Kleuterschool en Lagere school bleven in de oorlog gewoon in gebruik. Na de bevrijding zaten de Engelsen in onze school. Wij moesten in die tijd in een andere wijk naar school, waar steeds voor enkele uren klassen elkaar mochten afwisselen.
Mijn broer Henk was gek op landkaarten. In de laatste grote vakantie voor de bevrijding van Eindhoven (18.9.1944) is hij met een stel vrienden naar het vliegveld gelopen. In een garage stonden daar Duitse auto’s. Die doorzochten ze om landkaarten te vinden. Hij stond achter in die garage toen er brand uitbrak. Zijn vrienden, die buiten stonden, riepen dat hij naar buiten moest zien te komen. Hij is inderdaad dwars door de vlammen gelopen. Mijn moeder bereikte het bericht dat Henk, heel erg verbrand, thuis gebracht zou worden. Zij zette maar vast een pan melk klaar om de pijn te verlichten. Zijn hele benen waren verbrand. De dokter, die kwam, wilde Henk naar het ziekenhuis in het centrum van Eindhoven laten brengen. Maar dat wilde mijn moeder niet. “Als dat gebombardeerd wordt, dan weet ik niet wat er met Henk gebeurt.” De dokter kon niets anders bedenken dan een Duitse non, uit een klooster vlakbij ons, te vragen om dagelijks de wonden te komen verzorgen. Waarop mijn moeder later steeds weer concludeerde dat niet alle Duitsers slecht waren.
Henk heeft nog een hele week liggen ijlen door hoge koorts. Hij lag met een boog boven zijn been om er de dekens vandaan te houden. Vanuit zijn bed zag hij de lichtflitsen van het bombardement, dat Eindhoven ’s daags na bevrijdingsdag trof. (De Duitse Luftwaffe wilde de geallieerde opmars dwarsbomen en de aanvoerlijnen van het Britse legerkorps vernietigen. Bij de aanval kwamen 227 mensen om het leven en raakten ongeveer 800 personen zwaar gewond. J.S.).
Henk kon toen eigenlijk niet zijn bed uit. De rest van de familie zat, zoals gewoonlijk bij een bombardement of nabije luchtgevechten ,weer in de hal. Henk is toen toch met hulp heel voorzichtig de trap af geschoven. Mijn oudste broer, Piet, kon het niet laten om van tijd tot tijd naar buiten te gaan. Bij terugkomst meldde hij dan bijvoorbeeld dat het huis van diverse families, vlakbij in de Helmerslaan, ook gebombardeerd was. Overal om ons heen gebeurde dat eigenlijk. Alleen al bij ons in de Parochie van het H. Hart waren 19 mensen gedood.
Henk kon van het hele bevrijdingsgebeuren vanuit zijn bed natuurlijk niets meemaken. Op ’n gegeven moment kwam broer Piet thuis, deed de deur van Henks’ kamer open en riep: “Henk, dit is nou een Amerikaan.” Hij had een Amerikaanse soldaat gevraagd mee naar ons huis te gaan. Prachtig! We kregen chocolade. Dat vergeet ik nooit meer. Toen wij net bevrijd waren is Piet een keer ’s nachts, samen met een vriend, het huis uit geslopen. Ze wilden naar Engeland. Maar ergens in België vond de politie ze en zijn ze weer naar huis gebracht.
Na de bevrijding zijn een heel aantal kinderen uit Eindhoven naar Engeland gegaan om bij te komen van de oorlog. Een van de kinderen uit ons gezin kwam daar ook voor in aanmerking, omdat vader in dat Concentratiekamp had gezeten. Maar moeder zei: “Nee, er gaat hier niemand naar Engeland. Daar sturen de Duitsers V1’s en de V2’s naartoe. Daar laat ik mijn kinderen dus niet naar toe gaan.
We zijn op 5 mei 1944 bevrijd. En op 9 mei ging ik met de trein naar Zwitserland om er te herstellen. De schoolarts, die we elk jaar een keer bezochten, zat ook in de trein. Eerst van Eindhoven naar Tilburg. Daar hebben we een hele dag en een hele nacht in de trein gezeten. We mochten er niet uit, maar kregen wel te eten. Vervolgens zijn we in twee dagen naar Zwitserland gereisd, waar we aankwamen in Bazel. Ik was van die eindeloze reis heel ziek geworden. We werden er eerst heel goed gebaad. Veel kinderen hadden luizen en werden daarom kaalgeschoren. Zo moesten ze ook naar wildvreemde mensen toe. We werden ondergebracht bij particulieren. Er liep een mevrouw langs de trein en die riep voortdurend: “Wie is Elsje Peeters?” Het was een Nederlandse, die met een Zwitser getrouwd was. Ik ging met haar naar Sankt Gallen. Bij de familie Grossenbacher ben ik drie maanden gebleven, van mei tot augustus 1945.
Met mevrouw Grossenbacher
Ook in de veilige Zwitserse omgeving overvielen me gemakkelijk grote angsten. We speelden ’n keer in de tuin van het huis toen er heel laag een vliegtuig overvloog. Ik raakte in paniek en rende huilend en schreeuwend van schrik naar binnen. het heeft toen lang geduurd voor ze me tot rust gekregen hadden. Verder was dat een heel fijne tijd voor mij.
De weduwe Grossenbacher had een zoon van 25, (voor mij Ome Hans), die net voor de oorlog verliefd geworden was op een Nederlands meisje. Hij bemoeide zich met mij zoveel als hij kon, om Nederlands te leren. In het weekend ging hij veel met me wandelen. De Säntisberg op bijvoorbeeld. Die is 2.500 meter hoog. In een van mijn laatste weken daar zijn we naar die bergtop gelopen samen met een bevriend gezin. Die hadden een zoon van 12 jaar en ik was 10. Die jongen kon lang niet zo goed lopen als ik. Ome Hans was trots, dat hij dat met mij bereikt had. We hebben er in een berghut overnacht. De volgende morgen stonden we om 4 of 5 uur op, om de zon te zien opgaan.
Elsje op de Säntisberg
Zoals ik al vertelde, heb ik een serieus angsttrauma overgehouden aan mijn kindertijd in de oorlogsjaren. Ik ben in 1988 dan ook, toen was ik dus al 54 en helemaal over mijn toeren, via een vriendin terecht gekomen bij “Centrum Temenos” in het Limburgse Nijswiller (huidige gemeente Gulpen-Wittem). Je moest je daar zelf middels een motivatiebrief aanmelden. (In het Oude Griekenland was een “Temenos” een terrein rond een tempel, waar mensen veilig waren. Mensen konden in die vrijplaats niet gevangen genomen worden.)
Ik stond destijds als onderwijzeres aan school. En kon bij voorbeeld het geluid van draaiende vliegtuigmotoren op het nabije vliegveld, niet verdragen. Als ik dat hoorde moest ik de kinderen aan het werk zetten en kon ik verder niets voor ze doen. Als ik er na schooltijd zat te corrigeren, kon ik ook zo maar in paniek raken. Tegenwoordig zouden ze over een burn-out spreken, maar dat woord bestond toen nog niet.
Sommige mensen kwamen er voor een dag. Maar je kon er ook langer blijven. In een hele grote keuken had iedereen een eigen vakje met spullen om te koken. Ik ben er negen maanden gebleven. Het was nodig ook. Na een paar weken ging ik totaal onderuit. Ik had niet eens de kracht om er het park rond te lopen bij het kasteeltje. Als ik me ’s morgens gewassen had, moest ik eerst weer een half uur op bed gaan liggen. Maar de paniekaanvallen, die ik aan de oorlog had overgehouden, hebben we daar onder controle gekregen. Uit dank heb ik er gedurende vijftien jaar vrijwilligerswerk gedaan. Ik hield er dan in mijn vakantietijd de boel een beetje draaiende ten behoeve van cursussen.
In 2021 vertelde Els ook in een Eindhovense schoolklas haar verhaal. Beau van Dooren, een van de kinderen in de klas, meldde zich daarop aan als erfgoeddrager. Zij mocht vervolgens op 4 mei 2022 op de Dam het verhaal van Els vertellen, waarna Els zelf een krans mocht leggen bij het Nationaal Monument. Beau verhaalde in haar toespraak onder andere: ”Els was al een bang kind, bang voor de Duitse soldaten, voor het luchtalarm, voor de vliegtuigen op weg naar Duitsland. En toen ineens was haar vader weg, eerst in de gevangenis, daarna in Kamp Vught. Verraden om een kleinigheid. Over wat daar gebeurd is, heeft hij nooit verteld.” Beau besloot met: “Voor al die gewone mensen en hun kinderen, van toen, maar ook van nu , die de angst van oorlog kennen, legt Els vandaag een krans.”